Da gaade gij ni bepale, hè!

“Da gaade gij ni bepale, hè!” snauwde Jan Jambon, de knisperverse Vlaamse minister-president tegen een lid van de oppositie, waarna hij die waarschuwing nog eens herhaalde, zwaaiend met een spinnige vinger: “Da gaade gij ni bepale!”
Het gebeurde tijdens een door televisiecamera’s begluurde zitting van het Vlaamse parlement en die woorden schoten mij gisteren plots te binnen.

Ik kreeg namelijk bezoek van een man, die een nogal vooraanstaande positie bekleedt en van wie men dus geredelijk zou mogen verwachten dat hij het klappen van de zweep kent, toch zeker op het gebied van omgangsvormen. Over de rest kunnen we beter zwijgen, want hij heeft weliswaar veel goeie raad te koop, maar vooralsnog zelf nooit iets verwezenlijkt.

─”Mag ik u wat aanbieden?” vroeg ik, want ik ben dus wel keurig netjes grootgebracht.
─”Alleen als je met me meedrinkt”, sprak hij en op dat moment doken de woorden van Jan Jambon mijn hersens binnen: Da gaade gij nie bepale, hè!

Wat verbeeldde dat heerschap zich wel? Hij zal me daar een beetje commanderen in mijn eigen huis! Ammenooitniet! Waarom dacht hij trouwens dat hij me mocht tutoyeren? Hadden we vroeger soms met elkaar geknikkerd? Niet zo familiair voor zo weinig kennis, dacht ik, maar ik slikte mijn ergernis in.

─”Dan niet,” haalde ik de schouders op, “want ik heb op dit moment geen dorst.”
Hij bleef zodoende op zijn honger … eh … dorst en daar had hij niet van terug. Ik evenmin, want ik had de avond voordien zwaar getafeld en verging zowat van de dorst, maar een kermis is een geseling waard.