Tag: ongedierte

Ontkleedvertoning

Zowat anderhalf jaar geleden verscheen hier Oorwurmpje, waarin ik beschreef hoe een ongediertje tijdens het fietsen mijn oor binnendrong, daar in doodsangst tekeerging en ten slotte schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.

Ik moet blijkbaar een grote aantrekkingskracht op insecten uitoefenen, want eergisteren kwam er opnieuw een exemplaar op ongewenst bezoek. Het beestje vestigde zich onder mijn polohemd en gaf luidkeels lament. Omdat ik beducht was voor een venijnige steek of een bitse beet begon ik duchtig het kledingstuk te manipuleren en met mijn lichaam te kronkelen als een aal in doodsnood, hetgeen allerminst een sinecure is als je aan het fietsen bent, dus hield ik halt om ongelukken te vermijden.

Ik trok mijn hemd uit, keerde het binnenstebuiten en schudde het insect de wijde wereld in. Aangezien ik net zo min een borstrok, als een onderlijfje of een marcelleke draag ─ wat mijn moeder als een ongezonde gewoonte beschouwde ─ stond ik daar met ontbloot bovenlijf toen twee dames van middelbare leeftijd op het pad verschenen. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat ze verlekkerd naar mijn zongebruinde koffiefiltertorso gluurden, al zou het best kunnen dat de wens de vader van de gedachte was.
─”Ga er vooral mee door!” monkelde de ene.
─”Wat schuift het?” grijnsde ik. “Voor niets gaat de zon op.”   
─”Eerst ons lekker maken en dan ‘t mooiste laten zitten”, schokschouderde ze en lachend vervolgden ze hun weg.

Ik eveneens.

Die neergedaald is ter helle …

Een vraag die vrijwel iedere dag tijdens de ochtenduren door mijn schedel waart, is: Wat zal ik vanmiddag eens eten? Meestal heb ik er geen moeite mee om een keuze te maken, want ik ben met weinig tevreden. Ik nam me voor om me vandaag aan een frietje met stoofvlees en met mayonaise gefatigeerd witlof te verlustigen.

Toen de frituurpan aangaf dat ze er klaar voor was en ik aanstalten maakte om er mijn patatjes aan toe te vertrouwen, daalde er uit de afzuigkap plots een grote trilspin neer en dat stupide mormeltje dook regelrecht de hete olie in, hetgeen niet meer dan een nauwelijks hoorbaar sisgeluidje teweegbracht. Ik stond erbij en ik keek ernaar.

Ik heb vanmiddag derhalve geen frieten gegeten. In plaats daarvan heb ik enkele aardappelen gekookt. Straks zal ik de olie verversen. Het valt met geen woorden te beschrijven welke gloeiende siroophekel ik aan dat klusje heb. Bah, wat een gekleuter, om van het geklieder nog te zwijgen.

Volgens een hardnekkig broodjeaapverhaal zou ieder mens jaarlijks vier tot acht spinnen verorberen tijdens zijn slaap. Doe mij dan maar een gefrituurd exemplaar.

Eentje voor de zondag ─ 9

Er komt een man bij de dokter met een klacht over vreselijke jeuk ter hoogte van het kruis. De arts laat hem zijn kleren uittrekken, onderzoekt de getroffen plek en zegt:
– “Ha, ik zie het al. U hebt schaamluizen.”
– “Schaamluizen!” roept de patiënt onthutst. “Maar dat kan helemaal niet! Ik ben priester.”
Waarop de dokter fijntjes antwoordt:
– “O, dan zijn het lieveheersbeestjes.”

Naar de RATsmodee geschopt

Niettegenstaande het ingaan van de wintertijd was het vanmorgen nog donker toen ik het huis verliet en op een gangpad tegen een naar beneden gestruikeld blad trapte.
“Tiens!” dacht ik. “De herfstblaren zijn ook niet meer zo lichtvoetig als ze ooit geweest zijn.”

Enkele uren later, het was inmiddels al volop licht, kwam ik tot de ontdekking dat het blad in kwestie eigenlijk geen blad was, maar dit:

doderat

Nu voel ik weliswaar bijzonder weinig sympathie voor ratten, maar jullie mogen echt niet denken dat ik dat beestje een doodschop gegeven heb. Het was zonder enige twijfel al morsdood toen het in aanraking kwam met mijn schoen. Gelukkig maar. Ik ben al een keertje door een rat aangevallen – lees in dit verband: Van de ratten besnuffeld – en dat wil ik niet nog een keer meemaken.

Het was me het zondagje wel

Sinterklaas is weer niet bij me langsgekomen. Volgens mij bestaat die gozer niet eens.

Ik heb vogelnesten klaargemaakt: ballen gehakt met een ei als kern. Schotse eieren heten die in het keukenjargon. Ze hebben die naam niet gestolen, want ze zagen er inderdaad schots en scheef uit.

Cedric, zeven jaar jong en zoon van een vriendin, stuitte in een tijdschrift op een weinig flatterende foto van Joëlle Milquet, de Belgische minister van Binnenlandse Zaken, bij ons beter bekend als Madame Non. Cedric dacht dat ze een heks was. Ik denk dat hij gelijk heeft.

bedIs het jullie al opgevallen dat het woordje bed er als een bed uitziet? Ik vroeg me af of zo’n stijlfiguur ook een naam zou hebben en warempel! Een zelfvervuller noemt men zoiets.

Samen met de vriendin waarvan hierboven sprake bracht ik een bezoek aan haar moeder, die sinds enkele maanden in een opslagruimte voor bejaarden verblijft.
“Er is weer niks op de televisie”, klaagde het mens en ze gooide vol vertwijfeling de armen in de lucht.
“Wacht, ik zal ‘m even aanzetten”, zei haar dochter.

Ik trok de koelkast open en schrok me ongeveer de tering. De spin die me op bloeddorstige wijze besprong, bleek evenwel het kroontje van een tomaat te zijn. 

Annemie en de vlooien

Tot mijn verbijstering en afgrijzen zag ik vanmorgen een drietal vlooien in het drinkwaterbakje van mijn katten drijven.
“Het zal toch niet waar zijn!” riep ik wanhopig en ik molenwiekte met mijn armen, alsof ik die wilde weggooien.

Jaren geleden hebben mijn huisdieren al een keer vlooien mee naar huis gebracht en voor ik daar erg in had, viel mijn woning ten prooi aan een ware invasie van dat ongedierte. Om ervan verlost te raken heb ik toen zowaar een beroep moeten doen op een gespecialiseerd bedrijf en dat heeft me nog een flinke klauw geld gekost ook. Sindsdien behandel ik mijn poezen om de drie weken met het ook al niet goedkope vlooienmiddel Advantage, want ik wil zo’n plaag echt geen tweede keer meemaken. En toch dobberden er vanmorgen drie van die smeerlapjes op het water …

vlozaad… of toch niet. Bij nader toezien en tot mijn immense opluchting bleken het immers drie psylliumzaadjes te zijn, die kennelijk niet zonder reden de Nederlandse benaming vlozaad meegekregen hebben. Ik heb na mijn operatie gedurende geruime tijd veel bloed verloren en dat heeft ferriprieve anemie bij me veroorzaakt, ofte bloedarmoede door ijzertekort. Om dat te verhelpen dien ik iedere dag een ijzerpreparaat te slikken, maar dat middel heeft dan weer constipatie voor gevolg, die ik met het innemen van vlozaad vlot probeer te trekken … en het gebeurt soms dat ik een beetje met die zaadjes klieder.

Zo blijven we bezig natuurlijk. Ik vreet inmiddels pillen als drop. Het zal dan ook niemand verbazen dat de apotheker in zijn handen wrijft dat het knerst als hij mij ziet komen.

Daar spon al in de zon een spin

Ik ben aan een vertaalopdracht bezig en zit aan een rommelige schrijftafel in een benepen tyfushok … eh … een onprettig kantoortje, waar twee bedienden, een vrouwtje en een mannetje, zich van hun dagtaak kwijten. Je kunt er je kont niet keren en het ruikt er muf, naar lang gestorven muis.

Het meisje begeeft zich naar een belendend lokaal, om er koffie te zetten. In plaats daarvan begint ze te gillen als een konijn in de beet van een wezel en ze keert spoorslags bij ons terug. Paniek schudt aan haar ledematen.
─”Er zit daar een kobbe!” krijst ze.

Haar collega en ikzelf meten ons stoerheid aan en begeven ons met onversaagde tred naar de plaats des onheils. Afgaand op haar jagende angst vrezen we daar een geniepige zwarte weduwe, een venijnige Australische tunnelwebspin, of zelfs een vervaarlijke tarantula aan te treffen, maar we moeten ons tevreden stellen met een ordinaire geleedpotige: een grijze huisspin die zich met enige moeite over de gladde faiencetegels boven een aanrecht voortbeweegt. Door een maaiende handbeweging van mijn metgezel komt het diertje op de vloer terecht en meteen daarna, nog voor ik wat kan zeggen, verdwijnt het met een nauwelijks hoorbaar gekraak onder zijn meedogenloze schoenzool. Ik geef blijk van mijn verontwaardiging en deel hem mee dat ik, niettegenstaande mijn antipathie tegen die beesten, nog nooit moedwillig een spin heb gedood. Ik vang ze en zet ze buiten.
─”Dan vang je ze inderdaad”, meesmuilt hij, hetgeen in ons dialect betekent dat hij me als niet goed wijs beschouwt.

Ik werp hem daarna nog een hele tijd mesblikken toe. Zijn collega daarentegen zit naar hem te kijken alsof hij de maan voor haar opgehangen heeft. Hij is haar held. Ze spint een web en zal hem strikken.

Ongenood gastje

Ik mag graag op lyrische wijze lof zingen van de Provence en de Roussillon: plekken waar wonden kunnen helen en de natuur een verzachtende omstandigheid is.
“De hitte hangt log en broeierig in de avond en de cicaden concerteren eindeloos”, schrijf ik dan bijvoorbeeld in mijn dagboek.
Concerteren!? Morgen brengen! Ik ken geen enkel dier of insect dat zo’n kwellend geratel produceert en in staat is om een uit ijzig gletsjerwater opgerezen asceet in een hyperkinetische neuroot te veranderen.

In een zalig vroeger, toen Apple en Blueberry nog vruchten waren, was de scheldmuziek van krekels ook een onlosmakelijk onderdeel van onze zomeravonden. Ondertussen is het echter al een aantal jaren geleden dat ik nog hun gesidder heb waargenomen. Waar zijn die ettertjes? Ik vreesde al dat we hun bestaan onmogelijk gemaakt hadden, maar verleden week is er plots een exemplaar in mijn woonkamer opgedoken. Ik zag hem weliswaar niet, maar ik hoorde hem des te meer. Iedere avond ontstak hij in dat hoogst irritante gesjirp en dan bleef hij me uren de kop gek zeuren. Aangezien hij zich in de schouw boven de haard ophield en die stookplaats als een soort klankkast fungeerde … Ik kreeg het er behoorlijk van op mijn teringtietjes.

Onlangs ontving ik bezoek. Het was een koude en mistige avond, dus besloot ik een fikkie te stoken. We schurkten ons in vleesetende fauteuils bij een ingetogen gloeiend … eh … een vrolijk vlammend haardvuur, dat ik met voorbedachten rade en op enigszins sadistische wijze nog aanwakkerde, tot men er een os op kon braden. Daar had die krekel niet van terug, dacht ik met enig leedvermaak. Hij liet inderdaad niets meer van zich horen. Een dag, twee dagen, drie dagen …

Gisteravond iets na zevenen herrees hij echter als een feniks. Sjirp sjirp. Sjirp sjirp. Dat sarrende geluidje dringt door merg en been. Het zal nog eens zo gaan dat hij me tot waanzin drijft en dan zullen mijn poezen allicht ook al zo knetter als knijpkatten zijn.

Hoe lang leeft een krekel eigenlijk? Toch geen jaren, mag ik hopen.

Allemaal beestjes

Op een weblog brak iemand een lans voor het verorberen van knapperige insecten, malse wormen en ander wriemelend gespuis. Hoewel de auteur zijn betoog met een fraaie, ja zelfs enigszins appetijtelijke menukaart verluchtte, voelde ik me niet echt aangesproken en nog minder geroepen om bijvoorbeeld vanmiddag kakkerlakken in de room of sprinkhanen op Provençaalse wijze te nuttigen.

Desalniettemin ben ik door dat schrijfsel wat op internet gaan grasduinen, want het onderwerp boeit me wel. Daar las ik dat jij en ik tijdens ons leven onbewust een niet gering aantal insecten, waaronder spinnen, tot ons nemen, omdat die tijdens de nachtrust onze mondholte binnendringen en wij ze vervolgens inslikken. Het weze mij toegestaan om dat nogal weerzinwekkend te vinden en ik moet er vooral niet aan denken als ik de sponde opzoek, want dan zou het weleens heel lang kunnen duren voor de barmhartige slaap zich over me ontfermt.

De paar insecten die ooit tijdens het fietsen in mijn mond terechtkwamen, heb ik altijd kunnen uitspuwen, maar toen ik enkele zomers geleden door Griekenland toerde, floepte er plots een bij of een wesp mijn auto binnen en die vloog me regelrecht naar de keel. Letterlijk dan. Helemaal achterin kreeg ik een steek op mijn tong, wat niet alleen bijzonder pijnlijk was, maar me tevens binnen de kortste keren in het ziekenhuis bracht, omdat ik vanwege de zwelling nauwelijks adem kreeg en dreigde te stikken.

Het blijft een anekdote die ik graag ontkurk en ik scoor er ook telkens mee. Toch werd ik onlangs door een meisje overtroefd, want die kwam met een nog sterker verhaal op de proppen. Op zekere dag, toen zij zich met een hups rokje omgord had en dat gewaadje over een fietszadel drapeerde om het niet te kreuken, merkte zij niet dat ze aldus de wesp opschrikte, die zich op datzelfde zadel in de zon koesterde. Die wesp raakte danig in paniek, trok van de weeromstuit een steekwapen …

… en nu mogen jullie drie keer raden waar die angel terechtkwam.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme