Tag: kinderen

Borst vooruit!

De windhozen hebben mijn woning links laten liggen; de gretig graaiende bliksems beschouwden me niet als doelwit; het overvloedige hemelwater zorgde niet voor overlast.

Vanmorgen rolde er zowaar een schuchtere zon naar boven, dus haalde ik snel mijn fiets van stal om een tocht te maken. Ik constateerde dat de natuur inmiddels treuzelig aan de herfst begonnen is, hoewel we nog drie weken zomer voor de boeg hebben. Nu ja, de herfst vind ik anders ook best te pruimen. Het is zelfs mijn favoriete seizoen, tenminste zolang het niet al te hard waait.

Vervolgens besteedde ik wat aandacht aan de runderen die ik langs mijn weg ontmoette. Vraag me vooral niet waarom, maar ik heb wat met die beesten. Ik durf zelfs met ze te praten. Vandaag echter viel het me plots op dat koeien tegenwoordig geen hoorns meer dragen, hetgeen me zeer verbaasde. De koeien uit mijn jeugd voerden allemaal hoorns. Of vergiste ik me? Nee toch. Waar zou anders de uitdrukking ‘de koe bij de hoorns vatten’ vandaan komen? Daar moest en zou ik tekst en uitleg over krijgen, dus hield ik halt bij de eerste de beste landbouwer die ik op mijn weg ontmoette. Dat bleek evenwel een leraar op rust te zijn, die als hobby de ornithologie beoefende en laarzen aangetrokken had om over modderige akkers te ploeteren en door drassige weiden te zompvoeten. Vervolgens sprak ik een echte boer aan en die wist me te vertellen dat de hoorns dusdanig voor problemen zorgden in de moderne stallen, dat de dierenarts die al kort na de geboorte van het kalf verwijderde. En maar mens toch! Waar bemoeien wij ons eigenlijk mee? 

Gelukkig fietste ik even verder langs een weide met een dozijn ouderwetse koeien, die nog wel hoorns droegen.

Een kennis van me is onderwijzer in Brussel. Enige tijd geleden gaf hij zijn pupillen de opdracht dieren van de boerderij te tekenen. Een van hen schetste een koe met alles erop en eraan, hoewel …

koeienuier

Ik zou het goed gerekend hebben. Als sommige vrouwen hier te lande hun melkfabriekje op hun buik mogen dragen, krijgen de koeien van mij toestemming om de uier aan hun borst te hangen.

Het roggeventje

Ik keer even terug naar een zalig vroeger, toen de menselijke aanfluiting, Dutroux genaamd, nog geen dood en vernieling gezaaid had en jongelui zich nog makkelijk aan al dan niet ouderlijk toezicht konden onttrekken, om vrijelijk en naar hartenlust rond te raggen.

Het dorp waar ik opgroeide en domweg gelukkig was, werd omsingeld door lommerrijke bossen, uitgestrekte landerijen en grazige weiden. Geregeld dook ik in mijn eentje, of samen met wat vrienden, de weidse natuur in en telkens als ik thuis vertrok, gaf mijn moeder me een schalkse waarschuwing mee:
“En oppassen voor de roggeventjes, hoor!”

Roggeventjes waren, toch zeker in het deel van West-Vlaanderen dat men het Houtland noemt, gemene schepseltjes die zich, zoals de naam al doet vermoeden, in roggevelden schuilhielden en zich meester maakten van kinderen die zich in het koren waagden. Wat ze met hun prooien aanvingen verzweeg men wijselijk.

Ik heb nooit ofte nimmer zo’n roggeventje waargenomen, tot ik gisteren plots …

roggeventje

Kun je nagaan hoe snel ik daar mijn matten opgerold heb.

koren

Kinderopvang

Ik bewandelde een sponzig pad in het bos en stond plots oog in oog met … een onvergezelde, blootvoetse, van snottebellen voorziene dreumes van een jaar of twee. Daar viel me toch even de bek van open. Toen ik die weer dichtgeklapt had, vroeg ik aan het jongetje (of was het een meisje?):
─”Waar zijn je mama en je papa?”
─”Dada”, zei hij en hij brabbelde nog wat in het onverstaanbaars, terwijl hij uitbundig zwaaide met het vlaggetje dat hij/zij in zijn/haar knuistje gekneld hield.
Ik keek om me heen, maar in geen velden of wegen viel er iemand te bespeuren en al evenmin in het geboomte dat ons omringde.
─”Hallo!” riep ik. “Is hier iemand in de buurt?”
Ik kreeg geen gehoor.

Ik stond een wijle besluiteloos. Toen nam ik een kloek besluit en trok mijn mobieltje. Die dingen zijn meestal een vloek, maar een zeldzame keer ook een zegen. Ik belde de politie en deed mijn verhaal. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat de persoon die me aanhoorde me niet geloofde, maar hij beloofde toch om iemand te sturen.

Luttele minuten later hoorde ik het paniekerige gekrijs van een vrouw, die meteen daarna molenwiekend op het pad verscheen en met opgestreken zeil op me afstevende.
─”Ha, hier is hij!” krijste ze en ze keek me giftig aan, alsof ik de hummel meegelokt of zelfs ontvoerd had.
Ze nam haar nakomeling op de arm en maakte aanstalten om zich uit de voeten maken. Ik vroeg haar om nog even te blijven, om de op komst zijnde politie tekst en uitleg te verstrekken, maar dat weigerde ze botweg. Of ze me dan misschien haar naam en adres wilde geven? Ook dat vond ze niet nodig. Ze ging er doodgemoedereerd vandoor.

Ik stond op het punt om mijn vraag om hulp te annuleren, toen er twee agenten op het pad verschenen. Ik deed mijn verhaal en ze waren daar niet echt blij mee, leek het me. Ik vermoed zelfs dat ze in hun logboek genoteerd hebben dat er een steekje aan me los is en dat ik zo het gesticht in kan.

De zingende zakkenwassers

Het zoontje van vrienden was jarig en ik was uitgenodigd om taart te eten en om een cadeautje af te geven, al werd dat laatste niet expliciet vermeld, maar een goed verstaander heeft slechts een half woord nodig.

Toen het gebak, inclusief vijf flakkerende kaarsjes, uit de keuken opdook, ontstond er een nogal ongeordende en dus niet al te stemmige samenzang: Lang zal ie leven!

Het ietwat oudere zusje van de jarige was er niet mee opgezet dat ze niet in het middelpunt van de belangstelling stond. Ze aanhoorde ons drieste gebral met zichtbaar ongenoegen en toen we ermee klaar waren zei ze: “Ik vind het niet leuk dat jullie voor m’n broer schreeuwen.”

Tja, daar hadden we niet van terug.

Een gisse jongen

Ik was op de kuier toen mijn levenspad zich opeens versmolt met dat van een vriendelijke knaap. Hij besloot met me mee te lopen en knoopte zelfs een gesprek met me aan. Zo vernam ik dat hij Timo heette en zeven jaar jong was, dat hij op weg was naar de bakker, dat hij net een nieuwe fiets gekregen had van zijn pa, die niet meer bij zijn moeder woonde, maar bij een andere vrouw … en tralala en reldeldel. Binnen de kortste keren was ik op de hoogte van wat hem bezighield en van de toestand der mensen en dingen die er voor hem toe deden.

─”Hier moet ik zijn”, zei ik toen we bij het toegangshek van het kerkhof kwamen.
Hij hield even de tred in en keek naar me omhoog.
─”Toch niet om er te blijven?” vroeg hij op een glundere manier en hij tinteloogde.
─”Spaar me!” grijnsde ik. “Dag Timo!”

Er stak kruim in dat joch. Hetgeen ik zei was weliswaar een inkoppertje, maar van een zevenjarige verwacht je niet dat hij zo’n riposte in de aanbieding heeft. Timo dus wel.

Wat heb je vandaag op school geleerd?

Ik kwam bij een schooltje waar net een speelkwartier aan de gang was. Drie snaken van naar schatting een jaar of zeven kregen me in de smiezen en spoedden zich naar de afsluiting. Ze wachtten tot ik me binnen gehoorsafstand bevond en begonnen toen te kwelen.

Er zat een ontspannen drafje in het lied dat ze in nogal ongeordende samenzang ten beste gaven, maar de tekst ervan was absoluut niet geschikt voor onder de kerstboom en ronduit schunnig:
“Anneke Dinges lag in bed,
met haar vingers …”

Het Anneke in kwestie heette niet Dinges, want ik heb haar voor alle zekerheid een andere naam gegeven. Ik zal ook niet verklappen wat ze zoal met haar vingers uitvoerde. Ik ben weliswaar een vrijgevochten mens, maar pornografie is niet echt aan mij besteed en ook mijn fort niet.

De kwikzilverige rakkers keken me zo ondeugend als faunen aan, peilend of ze bijval bij me oogstten. Ik weet niet of ik mijn gelach helemaal heb kunnen inslikken.

Het barmhartige samaritaantje

Ik fietste fluitend … nu ja, ik kan niet goed fluiten, dus zal het meer binnensmonds neuriën geweest zijn … doorheen Nergenshuizen. In de wegberm merkte ik plots een aftandse bromfiets op, waarnaast zich een nogal zwaarlijvig manspersoon ophield, die een beetje een hulpeloze indruk maakte en me aankeek als een geslagen hond. Ik kneep de remmen dicht en kwam zodoende tot stilstand.
─”Hebt u soms hulp nodig?” informeerde ik.
─”Ik heb een platte achterband”, zei hij en hij wees naar de plaats van het onheil.
─”Jakkes. Dat wordt een eind lopen”, grimaste ik. “Het is meer dan drie kilometer tot het dichtstbije dorp en ik weet niet eens of je daar iemand zult vinden die je kan helpen.”
─”Dat lukt me niet”, mompelde de man en hij verhief een wandelstok. “Ik heb een kunstbeen.”
Hij stroopte de pijp van zijn pantalon omhoog en ik zag inderdaad een prothese opduiken.
─”Oei!” schrok ik, bedenkend dat de meeste vliegen inderdaad op de magerste paarden vallen: een gedachte die ik evenwel niet onder woorden bracht. “Ik heb helaas geen telefoon bij me, maar weet je wat ik doe? Ik fiets even naar het dorp daarginds en probeer er hulp te vinden.”
─”Mogelijk is er al iemand onderweg”, vernam ik. “Ik sta hier al bijna een halfuur in alle toonaarden te gesticuleren om iemand tot stoppen te bewegen, maar niemand doet dat natuurlijk. Sommigen wuiven zelfs terug.” Hij schudde het hoofd en plooide een meewarig lachje. “Daarnet kwam er echter een jongen aangereden en die hield meteen halt. Hij is vertrokken met de belofte dat hij iemand naar me toe zou sturen, maar of dat ook zal gebeuren …”

Het gebeurde. Luttele minuten later kwam een knaap van een jaar of twaalf aangefietst alsof de duivel hem op de hielen zat.
─”Ze komen!” riep hij helemaal buiten adem.
Zijn woorden waren nog niet koud of ze kwamen inderdaad. Men hees de bromfiets op een aanhangwagen en de eigenaar ervan mocht in de auto plaatsnemen.
─”Dat heb je lang niet slecht gedaan”, haalde ik op vaderlijke wijze het wierookvat boven voor de reddende engel. Hij zette het op een glunderen dat aan extase grensde.

Er leeft ongetwijfeld een god in die jongen. Hij deugt in alle geval heel erg.

Al te goed is allemansgek

Het pad dat ik bewandelde, was smal en kronkelde als een aal in doodsnood doorheen het struikgewas en het bos. Bij een onoverzichtelijke bocht hoorde ik een gedruis dat ik eerst niet thuis kon brengen, maar even later wel. Er schoot een jongetje op een fietsje tevoorschijn. Hij reed veel te snel, merkte mij te laat op en botste kledder tegen me aan. Nog voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde, kwam een nog kleiner jongetje op een nog kleiner fietsje aangebold. Die schrok danig van wat hij zag en stuurde zichzelf in een soort paniekreactie het struikgewas in. Het duurde nog bijna dertig seconden voor ook een volwassen man op het toneel verscheen.
─”Ja, ze zijn onstuimig op die leeftijd”, verklaarde hij glimlachend.
─”En dat vind ik best”, zei ik, “maar uw verzekering zal toch voor de schade moeten opdraaien, vrees ik.”
Ik wees naar de scheur in mijn broekspijp.
─”We gaan er toch geen drama van maken?” opperde hij, dit keer zonder glimlach.
─”Zeker niet,” schuddekopte ik, “maar dit is een vrij dure pantalon en die is niet te herstellen.”

Na nog wat vijven en zessen ─ wie banjert er nu in feestverpakking door een bos? ─ en vooral omdat ik liet doorschemeren dat ik er desnoods de politie bij zou halen, kwamen we tot een vergelijk.

Opvoedkunde

Het begon zo geduldig te miezeren dat ik er nauwelijks wat van merkte en niet eens de moeite nam om mijn paraplu open te klappen. Ik liep langs een afsluiting, waarachter zich zo te horen huishoudelijke, of toch zeker familiale taferelen afspeelden.
– “Het regent een beetje”, hoorde ik een kinderstemmetje zeggen.
– “Regent het een beetje?” verwonderde de vermoedelijke vader zich. “Inderdaad! Het regent en de zon schijnt. Wat zeggen ze dan?” De man liet een vervaarlijk gebrom horen en riep met luider stem: “‘t Is kermesse in d’ helle!”
Het kind zette het op een krijsen, koos het hazenpad en zocht heil bij zijn moeder.
– “Papa is stout!” pruilde het.
– “Tegen wie zeg je het!?” mompelde de moeder, die kennelijk wist wat voor vlees ze in de kuip had.

Een onvoltooid magnum opus

puzzelstukjeTijdens een digestieve avondwandeling werd mijn oog getroffen door een onderdeeltje van een legpuzzel, dat ooit veelkleurig was geweest, maar zich nu ietwat verfletst en ten prooi aan grote eenzaamheid op het asfalt neergevlijd had.
“Ach”, zei ik en ik loosde een ietwat meewarige zucht.

Jullie zullen het ongetwijfeld onnozel van me vinden dat ik bij zoiets stilsta, me de moeite getroost om daar een foto van te nemen en er nu zelfs een pennenvruchtje aan wijd. Ik kan het ook niet helpen dat zo’n kleine kleinigheid me in het gemoed grijpt. Het is een soort aanlegstoornis van me. Ik dacht namelijk meteen aan de persoon – opa Alzheimer of oma Dementieva – die met engelengeduld, heel veel enthousiasme en de moeite die eigen is aan de ouderdom een puzzel van wel honderd miljoen miljard stukjes probeerde ineen te flansen, om pas helemaal op het eind vast te stellen dat er een stukje ontbrak. Als afknapper kan dat tellen.

“Jouw inlevingsvermogen is te groot”, beweerde mijn moeder altijd. “Dat zal je nog vaak vies tegenvallen.”
Ze had nog gelijk ook, maar dat kan ik haar helaas niet meer zeggen.

Weten jullie wat ik me nu ook nog zit af te vragen? Waarom denk ik bij een puzzel eigenlijk nooit aan kinderen?

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme