Tag: riposte

Eenmaal, andermaal, verkocht!

Ik was met een vriendin op stap, hoewel ‘op stap zijn’ me niet de juiste woordkeuze lijkt als men zich met een auto verplaatst. Edoch, dit is een buiten het onderwerp vallende uitweiding, dus ga ik er verder niet op in, althans niet vandaag.

Zij, de vriendin, is getooid met een vlotte babbel. Er is haar geen spinnenweb voor de mond gewassen en ze gooit graag met steentjes in iemands tuin, vooral in de mijne. We reden voorbij een verzameling gebouwen, die eertijds een kazerne waren geweest.
─”Toen ik hier gisteren passeerde, was er een rommelbeurs aan de gang”, zei ik. “Ik ben er niet binnen geweest.”
─”Als je dat wel had gedaan, zouden ze je waarschijnlijk verkocht hebben”, gniffelde ze.

Het duurde even voor de draagwijdte van wat ze zei tot me doordrong, maar toen dat gebeurde, kon ik er hartelijk om lachen. Alles wel beschouwd, had ik haar eigenlijk een inkoppertje bezorgd.

Zoals d’ouden zongen …

Zij wandelde en er liep een indrukwekkende hond aan haar zijde.

Ik fietste en er bevond zich een fonkelend rijwiel tussen mijn benen en onder mijn billen.

Onze wegen kruisten elkaar letterlijk want het gebeurde op een kruispunt. Zij hield halt om me door te laten en verwachtte van haar hond dat hij van die halte gebruik maakte om te gaan zitten. Het dier vertikte dat echter en dat was niet naar haar zin.
─”Wat moet je doen?!” klonk het berispend uit haar mond.

Op dat moment dook mijn moeder op uit de nevelen van de tijd en ze fluisterde me iets in het oor.
─”Wat je moet doen!” riep ik. “Op je eieren zitten en broed’n, zoals alle klokhennen doen.”
Het was de dooddoener waarmee mijn moeder alle vragen die op ‘doen’ eindigden placht te beantwoorden.

Het meisje staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.

De hond aan haar zijde ging zitten.

Mijn moeder fladderde met frivole vleugelslag terug naar de hemel.

Ik schoot in de lach, genoot van de verbazing die ik oogstte en vervolgde vrolijk mijn weg.

Ik kan zo het gesticht in.

Bemoeizucht

ZiZIn de supermarkt plukte ik een verpakking met sneetjes gruyèrekaas van ZiZ uit het rek, om die thuis in het gezelschap van een plakje ham tussen brood onder te brengen, met croque-monsieurs als resultaat. Nog voor het pakje in mijn winkelkar lag, werd ik benaderd door een dame die zich al geruime tijd aan de verkeerde kant van de middelbare leeftijd bevond.
─”Moet je niet kopen!” zei ze. “Die dingen zijn buitengewoon ongezond en als je ze smelt, worden ze zo taai als rubber.”
─”Ik zal zelf wel beslissen wat goed voor me is en wat ik wil kopen”, antwoordde ik enigszins geërgerd. “Daar heb ik geen hulp bij nodig.”
─”Oeioeioei!” riep ze en ze zette een gezicht alsof ze een gril van de natuur zag. “Je bent wel heel gauw gepikeerd.”
─”Dat kan best zo zijn,” schokschouderde ik, “maar anderzijds zal ik me nooit bemoeien met zaken die me niet aangaan.”

Ik heb mijn croque-monsieurs met smaak verorberd. De kaas was helemaal niet taai en ik ben er ook niet ziek van geweest. Als de fabrikant van ZiZ dit leest, mag hij me in ruil voor deze gratis reclame gerust een presentje bezorgen. Ik ben met weinig tevreden. 

Eentje voor de zondag ─ 9

Er komt een man bij de dokter met een klacht over vreselijke jeuk ter hoogte van het kruis. De arts laat hem zijn kleren uittrekken, onderzoekt de getroffen plek en zegt:
– “Ha, ik zie het al. U hebt schaamluizen.”
– “Schaamluizen!” roept de patiënt onthutst. “Maar dat kan helemaal niet! Ik ben priester.”
Waarop de dokter fijntjes antwoordt:
– “O, dan zijn het lieveheersbeestjes.”

De vermoorde onschuld

Mijn telefoon signaleerde dat iemand me wilde bereiken. Toen ik daar gehoor aan gaf, kreeg ik verbinding met een vermeende Nederlander. Hij bediende zich in alle geval van het vervaarlijke accent dat men boven de Moerdijk in de mond pleegt te nemen. Spoedig bleek ik niet de persoon te zijn met wie hij een gesprek wilde voeren.
–”Sorry!” zei hij. “Ik ben verkeerd verbonden.”
Dat wilde ik nu eens niet onweersproken laten, want zo nu en dan mag ik graag wat puntjes op i’tjes zetten, bijvoorbeeld als ik zin heb om tegendraads te zijn, of ook nog als iemand zich onterecht van iets probeert vrij te pleiten. Men moet staan voor wat men gedaan heeft.
–”U bent helemaal niet verkeerd verbonden”, riposteerde ik. “U bent volkomen correct verbonden met het nummer dat u verkeerdelijk gevormd hebt.”

Daar had hij niet van terug. Hij bazelde nog wat in het onverstaanbaars en verbrak toen de verbinding.

Bekvechten

Het is van alle tijden: mensen die verrassend en spitsvondig uit de hoek kunnen komen. Omdat ik even geen tijd heb om zelf een stukje te plegen, beperk ik me vandaag tot vijf zeer door mij gesmaakte woordenwisselingen van illustere kostgangers der aardkloot.

William Faulkner over Ernest Hemingway:
Hij heeft nooit een woord gebruikt waardoor een lezer naar het woordenboek moest grijpen.
Ernest Hemingway over William Faulkner:
Arme Faulkner! Denkt hij nu werkelijk dat heftige emoties uit grote woorden voortspruiten?

George Bernard Shaw tegen Winston Churchill:
Ik stuur je twee kaartjes voor de première van mijn nieuwe toneelstuk. Breng een vriend mee … als je die hebt.
Winston Churchill tegen George Bernard Shaw:
Ik kan onmogelijk de première bijwonen; ik kom naar de tweede voorstelling … als die er al komt.

Lady Astor tegen Winston Churchill op een diner:
Winston, als je mijn man was zou ik je koffie vergiftigen.
Winston Churchill tegen lady Astor:
Mevrouw, als ik jouw man was, zou ik die opdrinken.

De graaf van Sandwich tegen John Wilkes:
U, meneer Wilkes, zult sterven aan de pokken of op het schavot.
John Wilkes tegen de graaf van Sandwich:
My Lord, dat zal afhangen van hetgeen ik omhels: uw maîtresse of uw principes.

Een douairière tegen Winston Churchill:
Winston, u bent dronken.
Winston Churchill tegen de douairière:
Inderdaad mevrouw, maar morgen zal ik nuchter zijn terwijl u nog steeds dik bent.

Een gisse jongen

Ik was op de kuier toen mijn levenspad zich opeens versmolt met dat van een vriendelijke knaap. Hij besloot met me mee te lopen en knoopte zelfs een gesprek met me aan. Zo vernam ik dat hij Timo heette en zeven jaar jong was, dat hij op weg was naar de bakker, dat hij net een nieuwe fiets gekregen had van zijn pa, die niet meer bij zijn moeder woonde, maar bij een andere vrouw … en tralala en reldeldel. Binnen de kortste keren was ik op de hoogte van wat hem bezighield en van de toestand der mensen en dingen die er voor hem toe deden.

─”Hier moet ik zijn”, zei ik toen we bij het toegangshek van het kerkhof kwamen.
Hij hield even de tred in en keek naar me omhoog.
─”Toch niet om er te blijven?” vroeg hij op een glundere manier en hij tinteloogde.
─”Spaar me!” grijnsde ik. “Dag Timo!”

Er stak kruim in dat joch. Hetgeen ik zei was weliswaar een inkoppertje, maar van een zevenjarige verwacht je niet dat hij zo’n riposte in de aanbieding heeft. Timo dus wel.

Bijdehand

Een betweter in een academisch steunkorset richtte zich tot zijn toehoorders: een verzameling inburgeraars van diverse pluimage.
─”Als je iets doet of onderneemt, moet je altijd alles geven”, oreerde hij op een nogal stellige toon met een gelijkhebberige bijklank.  “De volle honderd procent.”

Het was even stil.
─”Ook als je bloed geeft?” vroeg toen opeens een snuggerling.

Hij kreeg meteen een tien met een griffel van me.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme