Tag: herinneringen

Zoals d’ouden zongen …

Zij wandelde en er liep een indrukwekkende hond aan haar zijde.

Ik fietste en er bevond zich een fonkelend rijwiel tussen mijn benen en onder mijn billen.

Onze wegen kruisten elkaar letterlijk want het gebeurde op een kruispunt. Zij hield halt om me door te laten en verwachtte van haar hond dat hij van die halte gebruik maakte om te gaan zitten. Het dier vertikte dat echter en dat was niet naar haar zin.
─”Wat moet je doen?!” klonk het berispend uit haar mond.

Op dat moment dook mijn moeder op uit de nevelen van de tijd en ze fluisterde me iets in het oor.
─”Wat je moet doen!” riep ik. “Op je eieren zitten en broed’n, zoals alle klokhennen doen.”
Het was de dooddoener waarmee mijn moeder alle vragen die op ‘doen’ eindigden placht te beantwoorden.

Het meisje staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.

De hond aan haar zijde ging zitten.

Mijn moeder fladderde met frivole vleugelslag terug naar de hemel.

Ik schoot in de lach, genoot van de verbazing die ik oogstte en vervolgde vrolijk mijn weg.

Ik kan zo het gesticht in.

Daar wordt een mens ook niet vrolijk van

Het gebeurt zelden dat ik in herhaling val, maar als ik het vandaag toch doe, heb ik daar vanzelfsprekend een gegronde reden voor. Ik ben even in mijn archief gedoken, om daar onderstaand schrijfsel van bijna zeven jaar geleden op te vissen:

Een vonkje tederheid

Sommige mensen verblijden de wereld en hij is zo iemand.

Hij zal een jaar of elf zijn, schat ik, en hij heeft een sympathieke kop. Zijn haren zijn blond als koren in de zomer en met zijn fjordenblauwe ogen tergt hij de hemel. Ik zie hem bijna iedere morgen naar school lopen in het gezelschap van een meisje, dat vermoedelijk zijn jongere zus is, want ze lijken sprekend op elkaar. Haar hand woont ononderbroken in de zijne en hij beteugelt voortdurend zijn tred, zodat ze hem gemakkelijk kan bijhouden.

Vanmorgen liet hij plots haar hand los. Hij hurkte neer, trok een van haar schoenen uit en verwijderde met een bijna strelend gebaar het steentje dat haar voetzool irriteerde. Even later liepen ze verder. Ze zei iets. Hij antwoordde. Haar gezicht glansde als een lamp van duizend watt. Ze keek naar hem op met de grote ogen van de onschuld en ze had opeens lachende kuiltjes in de wangen. Hij was haar grote broer. Ze vertrouwde hem als geen ander en ze wist nu al dat hij haar nooit in de steek zou laten. En elke dag hing hij de zon voor haar op.

Gisteren vond de jongen in kwestie ─ ondertussen achttien jaar jong ─ dat zijn leven niet langer de moeite loonde en hij zette er een punt achter. Dat is toch te treurig voor woorden. Het heeft me van mijn à propos gebracht.

De klapbloem en de korenroos

korenbloemen klaproos

Ik heb last van mijn geheugen. Niet dat ik dingen vergeet of zo. Wel integendeel! Ik onthoud veel te veel en meestal volslagen onbelangrijke zaken. Als ik bijvoorbeeld klaprozen opmerk, leggen mijn hersens onmiddellijk een verband met korenbloemen. In een ver verleden heb ik wellicht een gedicht, een lied of een prozatekst aan mijn geheugen toevertrouwd, waarvan alleen de titel ‘De klaproos en de korenbloem’ is blijven hangen. Ik ben te rade gegaan bij internet en heb daar ontdekt dat ene Remi Ghesquiere in lang vervlogen tijden inderdaad een lied met die titel geschreven heeft, maar omtrent de inhoud van dat meesterwerk laat men me in het ongewisse, hetgeen mij ten zeerste ergert, want als ik wat zoek, wil ik dat ook graag vinden.

Het ontbreekt Vlaanderen alleszins niet aan klaprozen. De Canadese dichter, John Mc Crae, had in 1915, tijdens De Groote Oorlog, al in de gaten hoe weelderig de poppies in Flanders fields blowden en dat is sindsdien niet veranderd. Wel zie je ze bijna nooit meer in het gezelschap van de veel zeldzamere korenbloemen, wat vroeger wel het geval was, meen ik me te herinneren. Tijdens mijn ongebreidelde wandel- en fietstochten speur ik nochtans vrijwel onafgebroken de ruige ruimte der natuur af, op zoek naar een plek waar die veldbloemen samenhokken, maar dat bleef zonder resultaat, tot ik ze anderhalve week geleden bij elkaar aantrof en vreugdevol hun samenzijn vereeuwigde. O, wat was ik blij! Een klein uur later werd ik aangereden door een motorfiets en belandde ik op krukken. O, wat was ik ongelukkig!

Ondertussen loop ik nog steeds op krukken, maar zodra ik weer goed ter been ben, ga ik op zoek naar bronsgroen eikenhout, waarin een nachtegaaltje zingt, en naar een mals korenveld, waarover het lied des leeuweriks klinkt. Ik denk dat ik me daarvoor naar Limburg zal moeten begeven. En terwijl ik toch bezig ben: ik zoek me al jaren het ongans naar de tekst van een moderne bewerking van een fabel ‘Le rat de ville et le rat des champs’ van Jean de La Fontaine. Ik herinner me enkel de beginregels en die klinken zo:
Je me lève. Je me frotte les yeux. Puis je regarde par la fenêtre. Quelle belle journée! Si j’en profitais pour aller voir mon cousin, le rat des champs …

Meer herinner ik me niet, maar die zinnen blijven dusdanig door mijn kop malen, dat ik graag het vervolg wil kennen. Ik houd me aanbevolen en ben bereikbaar via het contactformulier.

De paden op, de lanen in

babeluttenAlles liet veronderstellen dat er ons een schitterende lentedag te wachten stond, zodat ik al vroeg in de ochtend besloot een fietstocht te ondernemen.
“Werwaarts?” vroeg ik aan mezelf, want op zon- en feestdagen ─ we schreven 1 mei 2016 en dat was niet alleen een zondag, maar in Belgenland ook een feestdag ─ durf ik al eens mijn toevlucht te nemen tot archaïsch taalgebruik, teneinde ouderwetse woorden nieuw leven in te blazen, indien al niet voor uitsterven te behoeden.

Mijn keuze viel op Veurne. Een paar dagen eerder had ik immers een folder over streekproducten in handen gekregen en daarin maakte men melding van de Veurnse babelutten: boterkaramellen, waarvan ik er in mijn jeugd kilo’s verslonden heb. Alleen al de naam deed me watertanden en ik had me voorgenomen om me bij de eerste de beste gelegenheid naar Veurne te begeven, om daar een voorraadje van dat snoepgoed in te slaan. Nu ligt dat stadje niet bepaald dicht bij mijn deur.  Derwaarts ─ oud woord ─ moet dat ongeveer veertig kilometer zijn en herwaarts ─ nog een oud woord ─ natuurlijk ook, of wat hadden jullie gedacht? Om niet langer dan nodig onderweg te zijn en vooral ook om niet te verdwalen, gaf ik de op mijn fietsstuur bevestigde gps de opdracht om mij te begeleiden.

Het toestelletje bracht me tegen de middag in een dommelig dorp met de merkwaardige, edoch ─ oud woord ─ enigszins poëtische naam, Mannekensvere ─ wat slordig neergelegde huizen die beschutting zoeken onder een kerktoren ─ waar ik zowaar een restaurant aantrof. Ik nam plaats op het terras en had nog maar net mijn aperitief voorgezet gekregen, of een nogal luidruchtig stel palmde de belendende tafel in en zowel zij als hij zogen gelijk de brand in forse sigaren. Mijn eetlust kringelde weg, samen met de stinkende rookwalmen die ze produceerden. Ik heb me koest gehouden, maar het heeft niet veel gescheeld.

Ik fietste verder en kwam bijna in Nieuwpoort terecht, maar mijn gps liet me links afslaan en binnen de kortste keren bevond ik me op het jaagpad van een waterweg die Veurne met de kust verbond. Ik prees me gelukkig dat alle honden die ik op mijn weg ontmoette keurig aan de lijn liepen, maar toen werd ik opeens door twee enorme ganzen aangevallen, zodat ik even een sprintje moest trekken om aan ze te ontsnappen. Lieve deugd, wat zijn dat nijdige schepsels. Niet veel later reed ik me vast in een kudde schapen, die doodgemoedereerd over het jaagpad laveerden. Een herder was in geen velden of wegen te bespeuren. Hij zal ergens in het veld gelegen hebben, veronderstel ik, hoewel ze dat volgens een kerstlied enkel bij nacht horen te doen. 

Op kasseienstraatjes hobbelde ik Veurne binnen. Was dat even een teleurstelling! Ik heb in mijn leven nooit een doodser en vertierlozer stadje gezien. Er liep daar geen levende ziel op straat. Een dooie evenmin. Alleen de terrassen op het marktplein hadden wat klandizie kunnen verwerven, maar verder viel er niets te beleven. Ik zocht me ongeveer de pleuris naar hun babelutten, maar ik heb die nergens kunnen vinden. Wat is dat toch met al die streekproducten en specialiteiten? Je moet echt eens proberen om in Diksmuide Diksmuidse boter op de kop te tikken. Ik heb het, geloof ik, al honderd keer geprobeerd. Zonder resultaat. Als ik babelutten wil, zal ik die via internet moeten kopen. 

Om je dood te schrikken

Achter me, in de rij aan de kassa van de supermarkt, hoorde ik een stem waarvan het timbre me bekend in de oren klonk. Ik keek achterom en daar stond mijn vader, of toch iemand die als twee druppels water op hem leek, want mijn vader is al heel lang dood en ik geloof niet in verrijzenissen of wedergeboortes.

Er voor een schok van herkenning door me heen en ik wist even niet goed waar ik het had. Met verbijstering staarde ik de man aan, want de gelijkenis was buitengewoon treffend. De dubbelganger vond mijn belangstelling voor zijn persoon maar niks.
“Heb ik wat van je aan?” vroeg hij bars. “Of heb ik soms een tweede kop gekregen?”

Nee, mijn vader was niet uit de doden opgestaan, want hij was een veel vriendelijker mens.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit zouden ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet.

Melancholie

Door een samenloop van omstandigheden kwam ik in een opslagruimte voor bejaarden terecht, niet om me daar te vestigen – spaar me! – maar om iemand met een bezoek te verblijden.

De cafetaria behelsde onder meer zes mannen en drie vrouwen, die met enige aandacht naar het grote televisiescherm staarden, waarop zich een bergrit van de Tour de France ontspon. De renners klauterden moeizaam het niet te onderschatten geografisch ongemak van een alpencol op en evolueerden doorheen waarlijk wonderlijke landschappen met een aaneenrijging van opwindende panorama’s.

“Mo mens, wukke schoane streke!” riep een van de toeschouwsters plots. (Maar mens, wat een mooie streek!)
Ik glimlachte, want ze maakte een herinnering bij me wakker. Mijn moeder riep soms krek hetzelfde als ze naar een bergrit van de Ronde van Frankrijk keek. Ze is ondertussen al ruim een kwarteeuw dood, maar af en toe duikt ze nog eens in mijn leven op. Nee, niet af en toe. Vaak! Gewoon voor de leuk.

Averullen

meikeverschudden

We schrijven mei en als ik onderweg ben, durf ik nogal eens over te gaan tot het schudden aan beukengroeisels, zoals daar zijn hagen en boomtakken, in de hoop dat ik er eindelijk nog eens een meikever zal aan ontfutselen, want dat is, geloof ik, honderdduizend jaar geleden. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd. Zijn die beestjes uitgestorven misschien?

De averulle van mijn titel is trouwens een dialectwoord voor meikever, dat slechts in een heel klein gebied tussen Kortrijk en Roeselare gangbaar is. Het is een samenvoeging van het West-Vlaamse aven (avond) en rullen (ronken). Aangezien meikevers enkel ’s avonds vliegen en daarbij een brommend geluid produceren is averulle (avondronker) best wel een aardig bedenksel. Blijkbaar vond Guido Gezelle dat ook, want hij wijdde een zeer door mij gesmaakt gedicht aan de kever, niettegenstaande de lullige, ietwat betuttelende zedenles van het slot.

De Averulle en de Blomme

Daer zat ‘nen keer een Averulle
En lekte met ‘nen zom,
Zom, zom,
Den dauw van op de blaren,
Die klaer bedreupeld waren
Lyk met ‘nen dreupel Rhom,
Rom rom.

Wanneer zy fraei gedronken had,
Zoo vloog ze schreef en krom,
Rom, rom,
Al neuzlen en half dronken,
Tot waer de kleêrkes blonken
Van eene schoone blom,
Lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
En viel niet al te dom,
Dom, dom,
Maer riep zoo, loos van zinnen,
Hei! Kobbe, kom my spinnen
Een kobbenet rondom,
Om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
En steld’ heur pootjes krom,
Rom, rom;
Zy spon heur looze netten
Om haer daer in te zetten,
En zat daer stille en stom,
Tom, tom.

En als de Rulle kwam naby
Geflodderd krom en slom,
Lom, lom,
Zoo is ze in ‘t net gevlogen,
En deerlyk uitgezogen,
Of schoon zy jankte: zom
Zom zom!

De looze blomme loech er meê
Die looze booze blom,
Lom, lom,
Eilaes! zoo menig jonkher
Wordt – uitgezogen pronker,
Om eene schoone blom:
Dom! dom!

Guido Gezelle

Afscheidje

Herinneren jullie je kranige Margriet nog? Allicht niet. Ik heb haar hier een drietal keer opgevoerd, onder meer om te vertellen dat ze me op een Franse pan trakteerde, dat ze zich rattekaal tegen het rooien van bomen verzette en dat ze me als dank voor bewezen diensten een niet gering aantal oude, zeldzame en zelfs waardevolle boeken schonk. Als jullie je geheugen willen opfrissen kunnen jullie dat doen door onderstaande links aan te klikken:

Van de kale ratten besnuffeld

In mijn knollentuin

Meer moet dat niet zijn

Margriet is net geen tweeënnegentig geworden. Vanmorgen hebben we tijdens een sobere en intieme plechtigheid in de aula van een uitvaartcentrum afscheid van haar genomen. De celebrant zorgde trouwens voor een luimige verspreking, al vermoed ik dat ik de enige ben die het grappige ervan inzag.
“Op een dag staan we met de dood voor oven”, zei hij, maar hij verbeterde die oven snel in ogen, want als men op het punt staat om een overledene naar het crematorium af te voeren kan een oven nogal cru overkomen. Ook dienden de aanwezigen zich in een kring op te stellen en tijdens een gebed mekaars handje vast te houden. Ik vond dat nogal onnozel, om niet te zeggen kinderachtig. Alsof we zakdoekje leggen zouden gaan spelen. Ik hou er eigenlijk niet van om onbekenden aan te raken en wil daar dus ook niet toe verplicht worden, zelfs niet door katholieken.

Margriet, ik ben op de terugweg bij de bakker binnengelopen en heb daar een Franse pan gekocht. Als ik die straks nuttig, zal ik nog even een warme gedachte aan je spenderen. Mogen de engelen zich nu rattekaal over je ontfermen en zich om je bekommeren.

Leedvermaak

Schadenfreude ist die schönste Freude, denn sie kommt von Herzen.*

Ik heb hem teruggezien: het asociale stuk chagrijn dat mijn jongensjaren versjteerde en dat ik vanuit mijn tenen haatte.

Ik ben allerminst een hoogvlieger op het gebied van wiskunde en aanverwante vakken, zoals bijvoorbeeld chemie. Ik kan weliswaar de hele periodieke tabel van Mendelejev uit het hoofd opdreunen ─ mijn reet articuleert niet zo lekker ─ maar als ik wat met die elementen moet aanvangen, gaat het steevast grondig fout. Toen ik tijdens mijn schoolopleiding de derde keer een scheikundelokaal betrad, veroorzaakte ik al een bedeesd ontploffinkje, waarna men me met aandrang verzocht om vooral niets meer aan te raken.

Wat wiskunde betreft, kan ik behoorlijk overweg met de vier hoofdbewerkingen. Bovendien beschik ik over een japannertje, dat gretig dergelijke klusjes voor me klaart, al is dat in mijn geval vermoedelijk een verenigdstatertje, want het ding heet Texas Instruments. Zodra er echter algebra of driehoeksmeting aan te pas komt, raak ik compleet het noorden kwijt. Hoe en waarom die tweetjes en drietjes van de hak op de tak springen, is me nu nog steeds een raadsel.

Als ik iets niet begrijp, kan het licht gebeuren dat mijn aandacht verslapt en als mijn aandacht verslapt, ligt verstrooidheid om de hoek. Het was tijdens zo’n verstrooide bui dat een leraar me ongemerkt — hij bevond zich namelijk achter mijn rug — besloop en me een formidabe draai om de oren gaf, die ik totaal onvoorbereid in ontvangst nam. Ik schrok me tureluurs en het zit me blijkbaar nog steeds hoog, want …

… ik heb die dinosaurusdrol teruggezien en constateerde vergenoegd dat hij buitengewoon lelijk oud geworden is.

*Leedvermaak is het mooiste vermaak, want het komt uit het hart.

Jij en ik

Jij bent inmiddels al een hele tijd geleden en de wonde is geheeld. Ik heb, geloof ik, vertroosting gevonden, maar ik ben nog altijd echt blij dat ik je gekend heb.

Jij was het cadeau van mijn leven en ik zal ongetwijfeld altijd van je blijven houden. Het overkomt me nog vaak dat ik aan je denk en de blik ten hemel hef, want volgens mij moet je daar nog ergens zijn. Zij die me op zo’n moment meemaken zullen zich ongetwijfeld afvragen waarom ik in mijn eentje stilletjes zit te glimlachen.

Mijn hart zal bij je zijn, waar je ook bent.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme