Tag: pech

In het verdomhoekje

Ik wil jullie niet meesleuren in mijn sores, maar het moet me toch even van het hart dat ik nogal wat te verstouwen krijg op lichamelijk gebied.

Verleden donderdag ben ik tijdens het wandelen plompverloren van de sokken gereden door een ladderzatte motorrijder. Daarbij heeft mijn linkse onderdaan, zowel het been als de voet, dusdanige averij opgelopen dat ik wederom, want al voor de derde keer, genoodzaakt ben om op krukken rond te stumperen. Daardoor neemt het verrichten van huishoudelijke taken en rituelen, die ik normaliter bijna spelenderwijs uitvoer, opeens onfatsoenlijk veel tijd in beslag, om van de ermee gepaard gaande moeite en pijn nog te zwijgen. Bovendien dien ik een aantal in meer of mindere mate belangrijke afspraken af te zeggen, want ik kan me niet verplaatsen, niet met de fiets en niet met de auto. Je kan wel kwaad worden, maar je doet er niks aan. Ik zal het moeten uitzitten.

Ik was van plan om hier een foto te plaatsen van mijn toegetakelde lidmaat, maar ik heb besloten om dat maar niet te doen, want het zijn echt geen appetijtelijke prentjes en ik wil jullie zondag niet vergallen.

En tevreden strompelen we voort. Nu ja, tevreden?

De paden op, de lanen in

babeluttenAlles liet veronderstellen dat er ons een schitterende lentedag te wachten stond, zodat ik al vroeg in de ochtend besloot een fietstocht te ondernemen.
“Werwaarts?” vroeg ik aan mezelf, want op zon- en feestdagen ─ we schreven 1 mei 2016 en dat was niet alleen een zondag, maar in Belgenland ook een feestdag ─ durf ik al eens mijn toevlucht te nemen tot archaïsch taalgebruik, teneinde ouderwetse woorden nieuw leven in te blazen, indien al niet voor uitsterven te behoeden.

Mijn keuze viel op Veurne. Een paar dagen eerder had ik immers een folder over streekproducten in handen gekregen en daarin maakte men melding van de Veurnse babelutten: boterkaramellen, waarvan ik er in mijn jeugd kilo’s verslonden heb. Alleen al de naam deed me watertanden en ik had me voorgenomen om me bij de eerste de beste gelegenheid naar Veurne te begeven, om daar een voorraadje van dat snoepgoed in te slaan. Nu ligt dat stadje niet bepaald dicht bij mijn deur.  Derwaarts ─ oud woord ─ moet dat ongeveer veertig kilometer zijn en herwaarts ─ nog een oud woord ─ natuurlijk ook, of wat hadden jullie gedacht? Om niet langer dan nodig onderweg te zijn en vooral ook om niet te verdwalen, gaf ik de op mijn fietsstuur bevestigde gps de opdracht om mij te begeleiden.

Het toestelletje bracht me tegen de middag in een dommelig dorp met de merkwaardige, edoch ─ oud woord ─ enigszins poëtische naam, Mannekensvere ─ wat slordig neergelegde huizen die beschutting zoeken onder een kerktoren ─ waar ik zowaar een restaurant aantrof. Ik nam plaats op het terras en had nog maar net mijn aperitief voorgezet gekregen, of een nogal luidruchtig stel palmde de belendende tafel in en zowel zij als hij zogen gelijk de brand in forse sigaren. Mijn eetlust kringelde weg, samen met de stinkende rookwalmen die ze produceerden. Ik heb me koest gehouden, maar het heeft niet veel gescheeld.

Ik fietste verder en kwam bijna in Nieuwpoort terecht, maar mijn gps liet me links afslaan en binnen de kortste keren bevond ik me op het jaagpad van een waterweg die Veurne met de kust verbond. Ik prees me gelukkig dat alle honden die ik op mijn weg ontmoette keurig aan de lijn liepen, maar toen werd ik opeens door twee enorme ganzen aangevallen, zodat ik even een sprintje moest trekken om aan ze te ontsnappen. Lieve deugd, wat zijn dat nijdige schepsels. Niet veel later reed ik me vast in een kudde schapen, die doodgemoedereerd over het jaagpad laveerden. Een herder was in geen velden of wegen te bespeuren. Hij zal ergens in het veld gelegen hebben, veronderstel ik, hoewel ze dat volgens een kerstlied enkel bij nacht horen te doen. 

Op kasseienstraatjes hobbelde ik Veurne binnen. Was dat even een teleurstelling! Ik heb in mijn leven nooit een doodser en vertierlozer stadje gezien. Er liep daar geen levende ziel op straat. Een dooie evenmin. Alleen de terrassen op het marktplein hadden wat klandizie kunnen verwerven, maar verder viel er niets te beleven. Ik zocht me ongeveer de pleuris naar hun babelutten, maar ik heb die nergens kunnen vinden. Wat is dat toch met al die streekproducten en specialiteiten? Je moet echt eens proberen om in Diksmuide Diksmuidse boter op de kop te tikken. Ik heb het, geloof ik, al honderd keer geprobeerd. Zonder resultaat. Als ik babelutten wil, zal ik die via internet moeten kopen. 

Hoe Brugge in het water viel

Ik was gisteren van plan om met mijn tijdelijke huisgenoot een bezoek aan Brugge brengen, dus bevond ik me rond halftien in de badkamer, teneinde er de laatste hand aan mijn opsmuk te leggen. Terwijl ik krachtdadig in de weer was met flessen, potten en tubes vol heerlijke balsems, crèmes, gels, lotions, poeders en parfums doofde plots de lamp boven mijn hoofd.
“Krijg nu tieten!” foeterde ik. “Die ledlampen zouden toch een levensduur van twintigduizend branduren hebben? Die van mij is nog geen maand oud.”
Ik was nog bezig me te ergeren toen de deur een bedeesd geklop te verwerken kreeg.
“¡Adelante!” riep ik manhaftig, want de Vlaamse of Nederlandse varianten – Kom moa bin! of Kom binnen! – zouden Chinees geweest zijn voor mijn Spaanstalige logé.
“Je computer heeft opeens rare kuren”, vernam ik uit zijn mond. “Hij flikkert en hij piept …”

Er bleek in mijn woning wel meer te flikkeren en te piepen, want het overgrote deel van de stopcontacten en lichtschakelaars hapte naar adem, of beter gezegd naar stroom, terwijl een paar daar kennelijk geen last van hadden. Er was duidelijk een kink in de kabel ─ ik schreef bijna stront aan de knikker, maar ik wil het proper en welvoeglijk houden ─ dus telefoneerde ik naar de klantendienst van mijn distributeur, doorliep het onvermijdelijke keuzemenu en kon er, na het al even onvermijdelijke wachten met muziek, mijn verhaal kwijt aan het bereidwillig oor van een kostgangster der aardkloot.
“Ik kan een technicus naar u toesturen,” zei ze, “maar als het defect te wijten is aan de binneninstallatie, zal hij u doorverwijzen naar uw elektricien en zult u van ons wel een rekening van € 97,09 gepresenteerd krijgen voor de nutteloze verplaatsing.”
“Nu nog mooier!” protesteerde ik. “Hoe kan ik, in mijn hoedanigheid van leek die zelfs een beetje bang is van elektriciteit, in vredesnaam achterhalen waar de boel spaak loopt?”

Dat kon ze me vertellen. Ik diende achtereenvolgens de hoofdschakelaar, de verliesstroomschakelaar en alle zekeringen op het verdeelbord uit te zetten en vervolgens in dezelfde volgorde weer aan te zetten. Als ik dan nog geen stroom had, mocht ik haar terugbellen, want dan was er waarschijnlijk een fase uitgevallen en dat diende mijn distributeur te verhelpen.
Vijf minuten later hing ik weer aan de telefoon en ze beloofde om meteen een technicus te waarschuwen, die gegarandeerd binnen de twee uur te mijnent zou neerstrijken.

Ik begon meteen met verlengsnoeren en verdeeldozen te goochelen om de belangrijkste toestellen ─ koelkast, diepvries, Senseo, computer, telefoon, verwarming ─ in mijn woning van stroom te voorzien. Met onverholen bewondering sloeg mijn huisgenoot mijn bezigheden gade. Of was het verbazing en ongeloof? Als twee spinnen zaten we daarna in ons dradenweb op onze prooi te wachten. Er verstreek een uur. Er verstreken twee uren. Er verstreken drie uren. Er smeulde al enige tijd dreiging in mijn ogen en mijn mond begon op een sabelhouw te lijken. Er verstreken vier uren. Ik vloog op als buskruit, greep de telefoon, toetste met nijdige vingers het nummer in …

“Er is blijkbaar iets fout gelopen”, zei ze laconiek. “Ik informeer even bij dispatching.”
Dispatching! Dispatching?! Hebben ze daar geen Nederlands woord voor?! Opnieuw probeerden ze me met die vervloekte pokkenmuziek te paaien. Men kan me martelen met dat soort deunen.
“Over tien minuten zal onze technicus bij u zijn”, verzekerde ze me toen haar stem bij me terugkeerde.
“Ik hoop voor u dat het waar is”, sprak ik dreigende taal.

Het was waar. De technicus kwam. Eerst probeerde hij ons te imponeren met het manipuleren van wat meettoestellen en daarna verkondigde hij dat hij bij een verderop gelegen verdeelkast het euvel diende te herstellen. Dat kon wel een uurtje duren.

Om drie uur waren alle plooien eindelijk gladgestreken en konden we weer naar hartenlust over stroom beschikken. We hebben Brugge niet meer gezien …

… maar nu zijn we weg!

Ik droomde dat ik sliep

Ik werd wakker en kwam vrijwel meteen tot de akelige ontdekking dat er zich iets of iemand, mens of dier, in de duisternis van mijn slaapvertrek ophield.

Ik verlamde letterlijk van schrik. Ik slaagde er maar niet in om een vin te verroeren, wat ik ook probeerde. Ik was weerloos en compleet overgeleverd aan de grillen van de indringer. Paniek maakte zich van me meester. Boven me hoorde ik de ademhaling van mijn belager en met een laatste krachtsinspanning …

Toen ontwaakte ik in het echt. Ik lag naast mijn bed op de vloer, waarop ik met een onzachte bons terechtgekomen was. Had ik me nog flink bezeerd ook. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik me ’s nachts in een vrij laag ledikant terugtrek en niet op zo’n moderne boxspring vertoef, want die zijn aanzienlijk hoger en als je daar onverhoeds van neerdaalt, is het risico op lichamelijk letsel veel groter.

In de kattenbak

Als jullie hier vaker komen, zal het jullie wellicht niet ontgaan zijn dat ik niet echt sociabel ben, maar eerder een kluizenaarsbestaan leid. De mensen op wie ik me verliet, hebben me te vaak teleurgesteld. Het gebeurde me iedere keer weer. Ik laat weliswaar vrij lang over me lopen, maar op een dag is het uit en ik heb al geruime tijd geleden het vertrouwen in de wereld opgezegd. Ze zijn nog met weinigen die het twijfelachtige voorrecht genieten om mijn hermitage te betreden en zo wil ik het houden, want zo heb ik het graag.

Een van de voordelen van dat gebrek aan sociaal contact is dat ik nog maar heel zelden verkouden ben. Dat kan een vreemde gevolgtrekking lijken, maar ze is wel correct. In tegenstelling tot wat velen denken vat je immers geen kou door blootstelling aan koude of tocht. Verkoudheid is uitsluitend het gevolg van een besmetting met een virus en heeft niks met temperatuur of weersomstandigheden te maken. Dat virus krijg je direct of indirect van een ander toebedeeld. De directe manier is door middel van bijvoorbeeld een kus. Maar de meeste keren krijg je het virus indirect. Als iemand in je omgeving hoest of niest, kan die het virus verspreiden en jou ermee besmetten.

Ook kluizenaars zijn onderhevig aan het ouder worden en ik kan derhalve niet beletten dat er me af en toe een verjaardag te beurt valt. Dat gebeurde verleden week en ’s avonds kreeg ik bezoek van David: een jongen uit de Dominicaanse Republiek, aan wie ik twaalf jaar geleden Nederlandse lessen verstrekte, die ik sindsdien een beetje als mijn zoon beschouw en die bij mij kind aan huis is. Hij is ondertussen vierentwintig en woont niet zo ver bij me vandaan, samen met zijn vriendin en hun dochtertje van vier maanden.

David was die avond snipverkouden en hij bracht niet alleen een cadeautje voor me mee, maar hij heeft me ook met zijn virus opgezadeld, waardoor ik nu al bijna een week in de lappenmand lig en uit de roulatie ben. Ik ben niet echt ziek, want ik maak geen koorts of zo, maar ik heb last van een hartverscheurende hoest, een de marathon lopende neus en ik voel me alsof ik door een kanon afgeschoten ben. Ik heb nergens zin in en daarom hebben jullie hier al bijna een week niets van me vernomen, maar …

… vanmorgen is er enige beterschap ingetreden. Duimen maar!

Waar de meeuwen schreeuwen

Ik ga als dierenvriend in hart en nieren door het leven, al begin ik nu toch stilaan een hekel aan meeuwen te krijgen. Het zijn fraaie vogels, daar niet van, maar tot mijn grote ergernis vergrijpen ze zich telkens weer aan mijn vuilniszakken en hun gekrijs ─ kliauwen heet dat in het jargon ─ dringt door merg en been en is vermoedelijk schadelijk voor mijn trommelvliezen.  

Ooit heb ik een Franse perifrase aangaande meeuwen gelezen die me toentertijd kennelijk wel beviel, want ik heb er nota van genomen en kan die derhalve aan jullie opdissen, al vind ik nergens terug wie er de auteur van is:

Les mouettes sont des prophètes déguisés en oiseaux avec une allure angélique et une voix semblable à du gravier que l’on sort d’une tombe.

Meeuwen zijn als vogels vermomde profeten met een engelachtige allure en een stem die klinkt als grint dat men uit een graf opdelft.

Het heeft nog steeds iets, vind ik, al lijkt het opdelven van kiezels uit een graf me tegenwoordig enigszins vergezocht en toch zeker geen bezigheid die een gewone sterveling pleegt te verrichten of te beluisteren.

Sinds vanmorgen hebben meeuwen het compleet bij me verkorven. Ik wandelde naar het dorp toen boven me een klucht van die luidruchtige vogels  verscheen.
“Oed hiedre e kiè ollemolle juldre baheule!” riep ik in mijn platste West-Vlaams, wat men in het algemener Nederlands van De Fabeltjeskrant kan vertalen als: “Snaveltjes dicht!”
Ze sloegen geen acht op mijn woorden en bleven hun snavels roeren. Meer zelfs: een van die druktemakers voelde zich geroepen om in volle vlucht zijn gevoeg te doen en hetgeen hij uit zijn engelachtige lijfje perste, belandde met een pletsend geluidje op mijn schouder. Ik vloekte een aantal duivels uit de hel, spuwde in mijn zakdoek, wreef, poetste, boende geconcentreerd … en liep zodoende kledder tegen een verkeersbord aan, dat men neergepoot had als waarschuwing voor een put die men daar recentelijk gegraven had.

Dientengevolge ben ik vandaag alleen met een afstandsbediening te benaderen. Schijtende vogels en botsingen met obstakels horen thuis in filmpjes die men ter jolijt des mensen op internet aanbiedt, niet in het echte leven en zeker niet in mijn handel en wandel. Ik mag me nog gelukkig prijzen dat ik niet in die put gekukeld ben, want dan had ik misschien in het echt het geluid gehoord van grint dat men uit een graf opdelft. Ik moet er niet aan denken.  

Ju!

Declerck

Ik heb hier een paar dagen geleden een drietal foto’s gepubliceerd van een door spoken en/of geesten gekraakte woning, die ik tijdens een van mijn zwerftochten op mijn weg aantrof. Nu weet ik niet of het ene verband houdt met het andere, maar nauwelijks vijftig meter voorbij dat spookhuis kneep ik de remmen dicht bij een van een gedenkplaat voorzien monumentje dat uit de wegberm oprees. Ik las:

Declerck2

Voorbijgangers, het verleden genegen,
hier in Oudenburg kom je dit kruis tegen.
Doe af uw hoed
en groet
want waar dit kruis in Oostkwaeweghe staat,
op de grens van Kwadeweg en Watergangstraat,
is het dat Raymond Declerck
terugkomend van de dorpsmolen van Klemskerk
op 12 maart 1928 is overleden
omdat hij door zijn eigen wagen werd overreden!
Zijn te jonge leven werd verstoord
vlak bij zijn huis De Rode Poort.

Mijn lenige fantasie schoot vleugelen aan en fladderde terug in de tijd, meer bepaald naar de twaalfde maart van het jaar 1928. Volgens internet moet dat een zonnige maandag geweest zijn, met een temperatuur die het vriespunt besnuffelde en een matige oostenwind die de kou doordringender maakte. Ik zag Raymond Declerck met paard en kar komen aanrijden over het weggetje, dat toentertijd nog niet in strak asfalt gehuld was, maar een zanderig pad vol putten en kuilen was. Raymond was naar de dorpsmolen van Klemskerke geweest, om er een lading meel in te slaan. Op de terugweg had hij aan alle kapelletjes en heilige huisjes aangelegd, waardoor hij behoorlijk aan de vracht was.

Toen ze nog zo’n vijftig meter van de thuishaven verwijderd waren, rook Philemon ─ zo heette het paard ─ zijn stal en het zette er nogal onverhoeds de sokken in, waardoor er een meelzak van de kar gleed en op het pad terechtkwam. De moegedronken Raymond toomde de hoogbejaarde knol in, klauterde moeizaam naar de begane grond, wankelde naar de meelzak als een herhaaldelijk aangeslagen bokser, belandde met zijn voet in een verraderlijke put, struikelde en viel.
“Dedju!” vloekte hij.
Philemon, het paard, was niet alleen oud, maar ook een beetje doof en hoorde enkel de laatste lettergreep: Ju!
En daar gingen ze. Nu ja, het paard ging alleszins, maar Raymond … Ocharme. Er bestaan heldhafterige manieren om aan je eind te komen.

Het is heel goed mogelijk dat deze versie niet strookt met hetgeen er werkelijk gebeurd is. Het zou best kunnen dat Raymond een vroom man was, die naar God en gebod leefde en nooit een druppel alcohol tot zich nam, maar dan weet ik niet op welke manier hij onder zijn eigen wagen terechtkwam. Zoeken jullie dat zelf maar uit. Ik heb het hele internet gevlooid om de ware toedracht te achterhalen, maar kreeg nul op het rekest. Ik heb er mijn bekomst van.  

Een wilde boerendochter

Aan de rand van het polderdorp viel er kennelijk wat te bezienswaardigen, want ik zag een samenscholing van mensen voor me opdoemen. Ik merkte tevens een politievoertuig en een brandweerwagen op.
“Wat zou er daar gebeurd zijn?” vroeg ik me af in mijn hoedanigheid van uitermate nieuwsgierig persoon en ik fietste snel in de richting van het volksoploopje, eveneens in mijn hoedanigheid van nieuwsgierig persoon.

Er bleek een fors koebeest in een diepe sloot gesukkeld te zijn en het had nogal wat voeten in de aarde voor men het klaaglijk bulkende rund takelend uit zijn benarde positie kon bevrijden. Toen Bertha ─ zo heette ze ─ opnieuw goed en wel in de weide stond, zette ze het binnen de kortste keren op een lopen en tijdens dat drafje gooide ze van puur contentement een paar keer haar machtige kont in de lucht. ‘Ze schuddege mee eur gat’ zoals Ivan Heylens wilde boerendochter deed toen iemand haar een tong draaide. Terwijl haar melkfabriekje opgetogen heen en weer klotste ─ ik bedoel dat van Bertha, niet dat van de boerendochter ─  fietste ik vrolijk verder, blij met de goede afloop.

Trap op, trap af, trap weg

kampeerautoVrijwel alle kampeerauto’s zijn uitgerust met een onnozel trapje, dat het instappen moet vergemakkelijken. Een liftje installeren om zo’n gering hoogteverschil te overwinnen zou nog belachelijker zijn natuurlijk. Een trapje dus.

Het is de bedoeling dat men dat opstapje hetzij manueel, hetzij mechanisch naar binnen haalt alvorens men zich op pad begeeft. Vanmorgen zag ik echter een motorhome die dat veronachtzaamd had. Aangezien het voertuig in kwestie zich op een uitermate smalle weg voortbewoog, kon een klapper niet uitblijven. Ik was nog bezig me daar mentaal op voor te bereiden toen het al gebeurde. Het trapje ramde op zeer onzachte wijze een betonnen verlichtingspaal. De paal overleefde het innige contact, maar het trapje was compleet naar de ratsmodee.

Gelachen dat ik heb! Of nee, eigenlijk niet heus, want voor hetzelfde geld had dat geniepige uitsteeksel een fietser, een voetganger of een andere zwakke weggebruiker, zoals bijvoorbeeld een olifant of een dromedaris neergemaaid, om zodoende een bloederig tafereel teweeg te brengen en dat zou alleszins niet om te lachen geweest zijn.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme