Tag: hygiëne

Bij m’n pietje gepakt

Er kwam een vriendin op bezoek en ze bracht een kerststronk – in Vlaanderen is bûche de gangbare naam  – voor me mee. Terwijl ze die aan me overhandigde, begon ik al verlekkerd te likkebaarden, maar toen bleek dat ze me bij mijn pietje pakte … eeh … begrijp me vooral niet verkeerd! Ze pakte me natuurlijk niet echt bij mijn pietje. Als je in Vlaanderen iemand bij z’n pietje pakt, dan neem die persoon te grazen, of je draait hem een loer.

Mijn vriendin pakte me derhalve bij m’n pietje door een kunstig vervaardigde nepstronk aan me af te geven. Het was een opgerolde, chocoladebruine handdoek, gelardeerd met witte gastendoekjes en bekroond met een tot rendier geboetseerd washandje. Ik vond het al met al wel een fraai ding en het was gemaakt door een Torhoutse dame, die je op internet kunt terugvinden als je deze link aanklikt:
couture marie-rose

Door dit cadeau kreeg ik opeens ontzettend veel zin in een echte bûche de Noël. Mijn vriendin had nog niet helemaal de hielen gelicht of ik was al op weg naar de bakker, waar ik me een uitermate appetijtelijk ogende kerststronk aanschafte. Ik heb die nog dezelfde avond compleet opgevreten. Helemaal in mijn eentje. Mijn gulzigheid kent werkelijk geen grenzen.

Tjonge jonge! Wat was dat magisch lekker!

De afbeelding hieronder betreft de valse stronk. Die ziet er ook wel om in te bijten uit, hè?

stronk

Een haarkundige proefneming

Ik had nog maar net mijn Argentijnse gast uitgewuifd of ik kreeg al nieuw bezoek over de vloer. Een vriendin kwam aaipoes spelen … eh … wat klinkt dat in deze context dubbelzinnig en zelfs een beetje vulgair, ook al is het dan een staande uitdrukking in het Nederlands. Ze kwam me vriendelijk vragen of ik gedurende een paar uur op haar tienjarige telg kon letten. Nu vind ik van mezelf dat ik niet zo goed met kinderen ben, maar anderen proberen me van het tegendeel te overtuigen, vooral als ze om een oppas verlegen zitten. Timo, de telg in kwestie, bleef derhalve bij me achter.

Het duurde niet lang of Timo verzocht me beleefd of hij zich even in de badkamer mocht terugtrekken. Wie ben ik dat ik zoiets zou weigeren? Hij bleef evenwel langer weg dan ik nodig achtte en toen hij opdook, snelde een penetrante geur hem vooruit. Hij stonk de tent uit en ik moest met mijn armen de schoolslag maken, anders kwam ik niet door die walm heen.
─”Wat heb jij in vredesnaam uitgevreten?” wilde ik weten.
─”Ik heb wat van je gel in mijn haar gewreven”, bekende hij.
─”Gel?” fronste ik. “Ik heb helemaal geen gel.”
─”Er ligt anders wel een tube op de wastafel”, beweerde hij.

Ik had ‘s morgens mijn pijnlijke schouder met Fastum behandeld ─ een volgens internet niet zo gezonde variant op gloeizalf en tijgerbalsem ─ en nagelaten de tube na gebruik op te bergen. Laat nu het woord Gel op die tube prijken en Timo’s misvatting ligt voor de hand. Het heeft nog heel wat moeite en drie wasbeurten gekost om het goedje uit zijn haren te verwijderen. Toen zijn moeder hem kwam afhalen heb ik deemoedig een bekentenis afgelegd. Ze kon er hartelijk om lachen.

Ik heb toch gezegd dat ik niet goed met kinderen ben.

gel

Kokeren

Als ik vroeger tijdens het fietsen aandrang voelde om te snuiten, hetgeen bij frisse temperaturen om de haverklap het geval was, placht ik zo goed en zo kwaad als het ging een zakdoek op te duikelen en daarin mijn ‘gevoeg’ te doen. Sinds een paar weken ben ik echter overgeschakeld op professioneel snuitgedrag, zoals wielrenners en ervaren fietsers dat uitvoeren. Het is louter een kwestie van vaardigheid en van mikken. Eerst moet je diep ademhalen, vervolgens het hoofd zijwaarts draaien en buiten de aslijn van je lichaam brengen, om je dan met een korte en stevige ademstoot via de neus van de overtolligheid te bevrijden, door die richting berm of asfalt af te vuren.

Gisteravond zat ik op de bank en ik was zo geconcentreerd met mijn iPad bezig ─ ik probeerde het waarlijk ingenieuze spel Monument Valley tot een goed einde te brengen ─ dat ik compleet vergat waar ik me bevond en snoot alsof ik aan het fietsen was, zodat mijn kwakje op het vloerkleed belandde …

Ik ben tot veel in staat als ik op stoot ben.

De pijn van het zijn

Ik heb het hier nooit verzwegen dat ik er wat rare aanwensels en idiote hersenkronkels op nahoud, maar die zijn alleen maar bespottelijk en nooit hinderlijk, noch voor mezelf, noch voor anderen. Dat was niet het geval met de vrouw die ik gisteren tijdens mijn bezoek aan de supermarkt in het vizier kreeg en stiekem gadesloeg.

Ze bevond zich in de ruimte waar de boodschappenwagentjes in slagorde op klanten wachten. Uiterst nauwgezet poetste ze de hele stuurstang van het karretje dat ze wilde gebruiken met behulp van een vochtig zakdoekje. Toen ze daarmee klaar was, diepte ze zowaar een tweede zakdoekje op en ze herhaalde de hele procedure. Daarna pas waagde ze het de stang behoedzaam vast te nemen en het wagentje de winkel in te sturen.

En maar mens toch! Die dwangneurose heet smetvrees, geloof ik. Je zult er maar mee behept zijn en maandelijks een fortuin aan vochtige zakdoekjes moeten besteden.

Oorwurmpje

Ik was voor een veranderingetje aan het fietsen toen er zich een insect in mijn gehoororgaan vestigde. Nu is vestigen niet het werkwoord dat de lading dekt, want het beestje drong op nogal brutale wijze mijn schelp binnen, bleef steken in het gangetje dat naar mijn trommelvlies voert en begon daar luidkeels en nijdig te jammeren. God van de hoge hemel! Wat was dat een irritant geluid en dat bleef duren, want ik slaagde er maar niet in om de indringer uit zijn benarde positie te bevrijden, wat ik ook probeerde: peuteren, schudden, poken …

Dat geweeklaag duurde nog ruim tien minuten ─ ik kreeg er bijna letterlijk de hommel in het hoofd van ─ maar toen hield het plots op. Ik herinnerde me een voorval van een aantal jaren geleden ─ lees hieromtrent Allemaal beestjes ─ toen ik een autorit doorheen de laaiend hete Griekse Peloponnesus diende te onderbreken voor een ziekenhuisbezoek, omdat ik een bij of een wesp ingeslikt had, die me en passant een angel in de keel boorde, waardoor ik bijna stikte.

Eenmaal thuis ging ik over tot het reinigen van mijn orgaan. Op aanraden van mijn apotheker doe ik dat sinds enige tijd niet langer met wattenstaafjes of andere piefjes, maar met Audiospray: gefilterd en microbiologisch getest zeewater, dat ik in mijn oor spuit om mezelf als het ware een soortement hersenspoeling te bezorgen. Ik vind het absoluut geen aangename ervaring, want er gaat natuurlijk bijna niets boven het genot dat een wattenstaafje in een oor teweegbrengt. Let op mijn woorden: BIJNA niets.

Het insectenlijkje spoelde samen met het zeewater naar buiten. Het was een minuscuul ongediertje van een mij onbekend ras en dus des te verbazender dat het zulke door merg en been snijdende doodskreten kon slaken.

Ik draag al een helm en een zonnebril tijdens het fietsen. Zal ik me voortaan dan ook maar met oorbeschermers toerusten? Of kan ik beter meteen een gasmasker opzetten?

gasmasker2

Verspilling op het hummetje

closetpapierIk heb er geen idee van waarom het televisiezendertje ‘Vier’ de populaire quiz ‘De slimste mens ter wereld’ na tien uur ‘s avonds programmeert. Het lijkt me alleszins rijkelijk laat voor zij die ‘s morgens om den brode of wegens schoolverplichtingen het huis uit moeten. Ik behoor tot geen van beide categorieën en dat is maar goed ook, want ik ben een trouwe kijker en een nogal enthousiaste liefhebber van het programma. Er mag al eens gelachen worden, de presentator, Erik Van Looy, valt behoorlijk mee in de kook en ik kom iedere avond tot de verheugende vaststelling dat ik eigenlijk behoorlijk veel weet, ook al beperkt die kennis zich meestal tot volstrekt nutteloze zaken.

Zo vernam ik verleden week dat de gemiddelde mens tijdens zijn leven 1 300 000 velletjes toiletpapier verbruikt. Dat leek me zo buitengewoon veel dat ik me even aan het rekenen heb gezet, hoewel het jullie inmiddels bekend zal zijn dat dit een vaardigheid is die ik heel slecht beheers. Vanaf je geboorte tot je tachtigste verjaardag zou je dagelijks 45 van die velletjes naar de vernieling moeten helpen om aan dat cijfer te komen. Heremijntijd, dat haal ik op verre na niet. Ik behoor tot de gelukkigen die slechts één keer per dag op de porseleinen pony dienen plaats te nemen en meer dan tien blaadjes heb ik zelfs in het slechtste geval niet nodig. Vijfenveertig velletjes … dat is meer dan vijf meter closetpapier.

Nu zit ik me af te vragen … zou ik soms iets verkeerd doen?   

Slobberspul

Toen ik in de badkamer een kraan openzwengelde, proestte die het uit. Met horten en stoten, gesis en gepruttel, vergastte ze me vervolgens op gulpen modderige vloeistof in een bonte mix van ontlastingskleuren.

Dat bleef duren en twee uur later raakte ik dusdanig geagiteerd dat ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met de leverantie van leidingwater bemoeit. Ten prooi aan groeiende ergernis worstelde ik me doorheen het inmiddels onvermijdelijke en tijdrovende keuzemenu, hetgeen tot overmaat van ramp dan ook nog met pokkenmuziek gepaard gaat, tot ik uiteindelijk bij een persoon terechtkwam die me wist te vertellen dat men op de hoogte was van het probleem, dat door een ernstig lek veroorzaakt werd en nog wel eventjes kon aanslepen. Dat ‘eventjes aanslepen’ nam nog ruim acht uur in beslag, maar in de late middag kon ik opnieuw over deugdelijk water beschikken.

Nu heb ik daar toch een bedenking bij. Ik pleeg ‘s morgens vroeg, meestal in het halfduister, mijn koffiezetter te vullen. Stel dat ik niet zou merken dat er wat loos is en doodgemoedereerd begin te slurpen van een ochtendlijk bakje leut, dat ik met zulk vies water toebereid heb, waardoor ik niet veel later het hoekje omga, vermoedelijk om zeep …

Kan dat allemaal zomaar? Waarom eigenlijk, zo vraag ik me af, draait men de kraan niet helemaal dicht als er … eh … stront aan de knikker is?

Frisse jongens

waarschuwingWat ik hieronder beschrijf, is niet bestemd voor tere zielen of mensen met een delicate maag. Ik kan het weten, want ik behoor zelf tot beide categorieën. Zeg dus niet dat ik jullie niet gewaarschuwd heb.

De maand mei beantwoordt hoegenaamd niet aan wat ik er me in al mijn poëtisch gemijmer van voorgesteld heb. Het miezerige weer en de ongezellige temperaturen veroorzaken bij mij een humeur dat me naar een drankhol kan drijven en dat is wat ik gisteravond dan ook deed. Daar luisterde ik naar een gesprek dat zich tussen twee op pils lopende mannen ontspon.

De ene had nog niet zo lang geleden een hevig rochelende passagier naast zich in de auto gehad. Toen die er op een gegeven moment in slaagde om een fluim aan de oppervlakte te brengen, spuwde hij die gezwind de ruige ruimte van de natuur in. Hij had echter veronachtzaamd om de ruit neer te laten en … De man maakte aanstalten om in detail te beschrijven wat er toen gebeurde, maar de kastelein snoerde hem gelukkig de mond.   

Zoals dat in kroegen gebruikelijk is, probeerde zijn metgezel hem af te bluffen met een nog sterker verhaal. Hij had eveneens een reutelend persoon vervoerd en toen die zich van een opgehoeste kwalster wilde ontdoen, was die met de wind terug naar binnen gefloept en hem midden in het gezicht gepletst …

Nu mogen jullie zelf kiezen welke anekdote jullie het appetijtelijkst vinden.

Beroepsrisico

tandartsNog niet zo lang geleden is er een tandarts tot mijn kennissenkring doorgedrongen. Als ik hem ontmoet, probeert hij me altijd zijn wedervaren te vertellen, maar dan snoer ik hem meestal snel de mond, want ik heb echt geen affiniteit met beslagen tongen, al dan niet voortijdig verkrotte tanden, afgebrande kerkhoven, als rampgebied erkende gebitten en mensen die zo voortvarend uit hun das kegelen, dat enkel een in hun mondhoek opgehangen blokje toiletontgeurder ertegen opgewassen is.

Laatst was ik een beetje verstrooid, zodat ik hem niet tijdig het zwijgen oplegde. Toen het tot me doordrong dat hij opnieuw zijn stokpaardje bereed, had zijn relaas al the point of no return bereikt: het stadium waarop het van verregaande onbeleefdheid zou getuigen als ik hem alsnog onderbrak. In zijn stoel had een kwikzilverige deugniet plaatsgenomen, wiens tanden zo ver vooruit stonden dat ze zich in een andere tijdzone bevonden. Terwijl hij daar wat aan probeerde te doen, had die schobbejak moedwillig zijn bek dichtgeklapt en hem meedogenloos gebeten.

Men hoort niet te lachen met andermans ongeluk, maar ik deed het toch en zelfs van ganser harte.

Tjonge, wat heb jij mooie tanden! Hebben ze die ook in het wit?

Sensatie in de poepdoos

Onlangs zat ik me te vergapen aan een nogal hysterisch gemonteerd reclamefilmpje van Harpic Power Plus: een product waarmee men naar verluidt op onnavolgbare wijze toiletpotten kan schoonmaken. Ik aanschouwde hoe dat in zijn werk ging en de mannelijke commentaarstem op de achtergrond mat zich een bijna jubelende toon aan toen hij mededeelde dat de gel onder water van kleur veranderde, alsof er zich op dat moment een soort wereldwonder voltrok.

Nu ben ik een nogal kritische consument, dus vroeg ik me af wat voor nut deze kameleontische eigenschap wel kon hebben, want daaromtrent gaf de enthousiaste man in het filmpje geen uitsluitsel. Door een ongelofelijk toeval ontmoette ik korte tijd later een persoon die in connectie stond met Reckitt Benckiser: het bedrijf dat onder veel meer ook Harpic onder zijn vleugels heeft. Die wist me te vertellen dat de kleurverandering eigenlijk geen enkel nuttig effect heeft en louter bedoeld is als lokkertje.
“De mensen willen graag van iets magisch dromen”, verduidelijkte hij. “Ufo’s, het monster van Loch Ness, de Yeti … en een wc-gel die als bij toverkracht verkleurt. Daar kunnen ze mee uitpakken, dus willen ze ‘t hebben.”

Men moet tegenwoordig inderdaad aan alles een kleurtje geven, want anders krijgt men geen hond achter zich aan.

Ik heb helaas enkel de Engelstalige clip op internet aangetroffen en die verschuilt zich onder deze link.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme