Tag: alcohol

Een beetje verstrooid zeker?

lasagneTegen de middag kreeg ik plots rare trek. Ik had evenwel geen tijd (lees ‘zin’) om te koken, dus begaf ik me met vastberaden tred naar de diepvriezer en beroofde die van een portie Lasagne Salmone van Come a casa. Dat beschouw ik als een ongemeen lekker gerechtje.

Nauwgezet las en volgde ik de instructies: de heteluchtoven voorverwarmen op 180 graden Celsius en er vervolgens de lasagne gedurende vijfentwintig minuten in huisvesten. Terwijl die tijd verstreek, vestigde ik me in een vleesetende fauteuil en hield me onledig met een gin-tonic.

Toen de oven op nogal luidruchtige wijze kenbaar maakte dat de gaartijd verstreken was, spoedde ik me naar de keuken en kwam daar tot de ontdekking dat ik nagelaten had de lasagne in dat kooktoestel onder te brengen. Ik baalde vanzelfsprekend als een stekker en er stak onbehagen in me op: ik spuwde wat nagels, een beetje gif en gal …

… en trakteerde mezelf op nog een gin-tonic, teneinde de daaropvolgende vijfentwintig minuten door te komen.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.  
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

starnakel

Laat je niet kennen!

Ze was zo bejaard dat ze de Dode Zee nog gekend had toen die nog leefde, maar ze glunderde haar ouderdom weg. Haar gezicht vertoonde wellicht meer rimpels dan dat van een Egyptische mummie, maar die had ze vakkundig onder make-up bedolven. Ze stapte het restaurant binnen, begaf zich met resolute tred naar een tafeltje, installeerde zich en bestelde op kordate wijze een mojito, al vergiste ze zich wel even in de benaming van dat drankje, door de j als j en niet als g te gebruiken.

Even later maakte ze kenbaar dat haar keuze op mosselen in witte wijn gevallen was. Ze kreeg er een volle pot van, die vergezeld was van frieten, een slaatje en een karaf huiswijn. Ze bediende zich van een aantal frieten, wat sla, enkele schijfjes tomaat en een flinke klodder mosselsaus, maar merkte niet dat ze het zootje naast het bord op het tafellaken deponeerde. Een wit bord op een ondergrond van wit damast is geen ideale combinatie als je ogen je in de steek laten.

De kelner hielp haar uit de brand, maar even later stootte ze haar glas om en de inhoud ervan kwam in haar schoot terecht. Wrijvend, deppend en bettend probeerde ze zich te fatsoeneren. Hoewel ze het vervolgens op een geweldig eten zette, slaagde ze er niet in om de mosselpot leeg te ratsen, dus informeerde ze of ze wat overbleef mee kon nemen. Dat kon. Een emmertje met deksel bood uitkomst. Ze was zelfs heel blij met dat emmertje, want dat kon ze achteraf meenemen als ze haar man bezocht op het kerkhof.
“Ik ben nogal ‘kerkhofachtig'”, glimlachte ze verontschuldigend. “Zo’n emmertje is handig om de bloemen op het graf te begieten, maar de beschikbare emmertjes verdwijnen daar als sneeuw voor de zon.”

Ze vertrok met het optimisme van een missiepater, zij het met een iets onvastere tred dan bij het binnenkomen. Een mojito en een halve liter wijn ─ min één glas ─ kunnen dat teweegbrengen, maar ze hield zich kranig. Niet versagen, mevrouw!

(Ge)weerloos

Er zijn dingen waar ik van ganser harte niets van begrijp en andere die ik onmogelijk kan goedkeuren. Daarmee vertel ik jullie waarschijnlijk geen nieuws. Nu word ik echter geconfronteerd met iets dat ik met mijn verstand net zo min kan bevatten als goedkeuren.

Het betreft een zuipschuit die, als hij een paar slokken teveel opgenomen heeft, en dat heeft hij vrijwel altijd, geredelijk tot dadelijkheden overgaat en dus voortdurend in vechtpartijen verwikkeld raakt. Ook was hij al talloze keren in ongevallen betrokken, speelde bovendien herhaaldelijk zijn rijbewijs kwijt, wat niet belette dat hij nog niet zo lang geleden een meisje de dood injoeg, omdat hij in starnakelzatte toestand op een kruispunt een stoplicht negeerde. Zelf kwam hij heelhuids uit dat ‘avontuur’. Je zult het nooit anders zien.

Zaterdagavond zag ik hem in de kroeg en het duurde dan ook niet lang of stoelen en tafels vlogen met ongepaste sierlijkheid heen en weer. Zondag ontmoette ik hem tijdens mijn ochtendwandeling in het bos. Men kon de drank uit zijn gezicht tappen, maar wat mij het meest verontrustte, was dat er een dubbelloopsgeweer aan zijn schouder bungelde.

Nu ben ik nooit goede maatjes met jagers geweest en mijn angst voor schiettuigen is groot, maar ik vind het compleet onverantwoord dat een driftkop met een drankprobleem zich met een wapen mag en kan vertonen, want dat mag en kan hij inderdaad. Ik heb even mijn licht opgestoken bij een ter zake bevoegd persoon en niettegenstaande zijn roemruchte verleden beschikt het heerschap in kwestie over een jachtverlof, inclusief wapenvergunning.

Ik begin warempel te geloven dat in Belgenland alles mogelijk is.

Dienst en wederdienst

De man die voorzien van moeilijk te besturen ledematen aan de tapkast hing, was behoorlijk aan de vracht, om niet te zeggen ladderzat. Hij stumperde van de kruk, wankelde als een herhaaldelijk aangeslagen bokser en begaf zich met improviserende tred naar de deur. De kastelein hield op met het verrichten van kleine beroepsbezigheden.
“Ik breng je wel even naar huis”, zei hij en de aangesprokene overhandigde hem gewillig zijn autosleutels.

Het had heel wat voeten in de aarde, maar na veel vijven en zessen bevonden ze zich beiden aan boord van een subliem koekblik: de kroegbaas aan het stuur en het drankorgel naast hem in de passagiersstoel. Ze vertrokken. Luttele minuten later doemde de Mercedes echter opnieuw op, dit keer met de kastelein als passagier en als chauffeur … de zeer verzopen man.

De caféhouder had zijn klant keurig thuisgebracht, maar toen die protegé vernam dat zijn hoeder van plan was om per benenwagen huiswaarts te keren, bood hij hem een lift aan, op een toon die absoluut geen tegenspraak, laat staan een weigering zou dulden.  

Zo blijf je aan de gang, natuurlijk.

Wakker aan de slag

In al mijn ijver om opulentie te verwerven, of toch zeker smakken geld binnen te rijven ─ een mens krabt zich waar hij kan ─ durf ik weleens te veel hooi op mijn vork te nemen. Dat is ook nu weer het geval. Hoewel ik het al druk zat had, moest en zou ik toch nog een vrij dringende en bewerkelijke vertaalopdracht aanvaarden, waardoor ik nu de verf van de muren moet werken en er nauwelijks tijd overblijft voor andere bezigheden, zoals bijvoorbeeld mijn blog met een nieuw pennenvruchtje spekken. Nog even aangorden dus en dan valt alles ongetwijfeld opnieuw in de plooi.

Ik heb inmiddels balen tabak van het zwerfvuil dat in toenemende mate onze velden en wegen ontsiert. Het zal nog eens zo gaan dat men statiegeld zal berekenen voor blikjes en andere drankverpakkingen. Misschien is dat niet eens zo’n slecht idee: voor een grove kwast heeft men een scherpe bijl nodig. Mijn wandeling van vanmorgen confronteerde me met een falanx flessen die naast een glasbol opgesteld stonden. Dat gebeurt natuurlijk vaker en het zou op zich niet de moeite van het vermelden waard zijn, ware het niet dat de flessen in kwestie ─ Bacardi Breezers in diverse smaken en wijnen met ronkende namen en van een goed jaar ─ nimmer geopend of ontkurkt waren.

Toen ik een halfuurtje later opnieuw bij die plek kwam, was het drankvoorraadje al verdwenen. De hondendrol die ik iets verderop aangetroffen en ontweken had, lag er nog steeds. 

glasbol

Het laatste loodje

Reinhold, die zoals ik eerder schreef al heel lang een wit voetje bij me heeft en een van de weinige mensen is die ik als vriend beschouw, had gisteravond een paar slokken te veel opgenomen, zodat ik het raadzaam vond om hem in de logeerkamer onder te brengen. De vrouw die eertijds zijn thuiskomst verbeidde, heeft hem in de steek gelaten, dus kan hij gerust eens een nachtje uithuizig blijven.
“Gaat het, of zal ik een langzame wals opzetten?” grijnsde ik toen hij met improviserende tred naar zijn slaapplaats wankelde.
Het ging.

vrijdag-13Vanmorgen zaten we dus samen te ontbijten en ik vroeg hem of hij me, samen met mijn rolstoel, naar de supermarkt wilde brengen. Al enkele weken vertrouw ik het boodschappen doen noodgedwongen aan anderen toe. Hoewel dat mensen van goede wil zijn, blijven ze me met verkeerde artikelen en foutieve merken opzadelen.
“Zou je dat wel doen?” fronste Reinhold, die meteen een noodlottige afloop voorzag. “In je gewone doen pleeg je al onheil te stichten. Als je je dan ook nog eens per rolstoel verplaatst … Bovendien is het vandaag vrijdag de dertiende.”

Ik besloot desalniettemin het lot te tarten en ik bracht het er goed af. We zijn zonder ongelukken thuisgekomen, maar tijdens het uitladen liet Reinhold een karton met dertig eieren uit zijn handen glippen. Slechts vijf van die ‘gatnoten’ hebben het hachelijke avontuur overleefd. De rest is omelet en daar zijn de kauwen kennelijk heel blij mee.

Al die moeite voor niks

Ik heb er me hier al eens over beklaagd dat ik nog nooit het voorrecht … nu ja … genoot om al blazend een alcoholtest af te leggen. Lees in dit verband: Dat ze mijn zak opblazen. Ik wil namelijk heel erg graag zo’n BOB-sleutelhanger verwerven. Aangezien ik me nooit ofte nimmer achter een autostuur of op een fietszadel installeer als ik alcohol tot me genomen heb, verdien ik eigenlijk ruimschoots zo’n hebbedingetje, maar dan moet ik wel eens mogen blazen natuurlijk.

Die zondagmorgen zag ik hoe een agent een blaastoestel prepareerde en het me vervolgens aanbood. Ik blies zowat de longen uit mijn lijf, hetgeen even later de letter S op het schermpje tevoorschijn toverde, waaruit bleek dat ik zo nuchter als een paasei was. Jullie horen me niet beweren dat ik daar erg mee in mijn schik was, want op dat moment lag ik met een kapotte onderdaan en ten prooi aan hevige pijnen op een soort tafel in de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis op een operatie te wachten.

Nu heb ik weliswaar een keertje mogen blazen, maar een sleutelhanger heb ik nog steeds niet.

Tuinarbeid is dorstig

De gelagkamer van de drenkplaats behelsde slechts vier mensen: een kastelein die kleine beroepsbezigheden verrichtte en drie kroegtijgers van middelbare leeftijd, die naast elkaar aan de tapkast zaten, er enigszins aangewit uitzagen, zich over blonde rakkers ontfermden en daar zichtbaar verstand van hadden. Ik hees me eveneens op een kruk en bestelde een Hoegaarden. Op het moment dat die voor mijn neus landde, zwaaide de deur open en op de drempel verscheen een wezen van engelachtige schoonheid …

Nee, ik vergis me. Ik heb kennelijk nog steeds last van het dichtvuur dat gisteren plotsklaps in me ontbrandde. De deur zwaaide open en op de drempel verscheen een nogal verzopen man die een door drank aangerichte glimlach tentoonspreidde en zich met improviserende tred bij ons voegde.
“Ik was in de tuin aan ’t spitten,” wauwelde hij, “maar mijn spade viel opeens stil. Geen brandstof meer, dus kom ik noodgedwongen even tanken.”

dronkenBinnen de kortste keren ledigde hij het glas en toen vroeg hij:
“Hoe lang moeten de uitlopers van pootaardappelen eigenlijk zijn voor je die mag planten?”
Ik wist het niet, maar een van de aanwezigen blijkbaar wel.
“Ongeveer een centimeter”, zei die.
“Dat halen die van mij volgens mij niet”, kregen we te horen, “Ik denk dat ik net genoeg tijd heb voor nog een pils.”

Ik schoot in de lach en de man was duidelijk blij met het succes dat hij bij me oogstte.
“En geef die brave mens ook wat,” zei hij en hij wees me aan met een ietwat onzekere vinger.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme