Tag: Vlaams

Een babylonisch spraakverwarrinkje

Al enkele dagen bied ik onderdak aan een Argentijnse logeergast en vanmorgen stond ik met hem in de wachtrij aan de kassa van de supermarkt. We waren in een druk gesprek verwikkeld over koetjes, kalfjes en wat er nog meer aan interessante dieren bestaat. Op een gegeven moment beantwoordde hij iets wat ik zei met de Spaanse uitroep: ‘Muy bien! Muy bien!’ Vertaald betekent dat: ‘Heel goed! Heel goed!’

De dame die voor ons stond, draaide zich met een ruk om, kogelde ons neer met haar blik en grauwde: ‘Ik zou je een klap geven, maar ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim.’
Ik wist even niet waar ik het had. Toen ik dat wel wist en haar om tekst en uitleg verzocht, bleek ze ‘muy bien’ als een enigszins West-Vlaamse verbastering van ‘mooie benen’ geïnterpreteerd te hebben, waardoor ze dacht dat we haar onderdanen op ongepaste wijze lof toezwaaiden.

Gelachen dat we hebben!

Jommoa, azo nie hé!

Wat hoor, lees en verneem ik?

Mijn zo gekoesterde dialect, het West-Vlaams, zou op sterven na dood zijn, of toch zeker met uitsterven bedreigd. Dat beweert althans de Unesco: de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur.

Het spreekt vanzelf dat ik dit niet zal laten gebeuren, of wat hadden jullie gedacht? Ot a mie liht, hoat da hi woa zien zulle! Teneinde mijn sappige moedertaal te rugsteunen zal ik hier zo nu en dan een West-Vlaams stukje uit mijn mouw en mijn mond schudden, want ik ben van plan om het schrijfsel telkens van een geluidsfragment met de gesproken versie te voorzien.

Dat wordt lachen!

Een wilde boerendochter

Aan de rand van het polderdorp viel er kennelijk wat te bezienswaardigen, want ik zag een samenscholing van mensen voor me opdoemen. Ik merkte tevens een politievoertuig en een brandweerwagen op.
“Wat zou er daar gebeurd zijn?” vroeg ik me af in mijn hoedanigheid van uitermate nieuwsgierig persoon en ik fietste snel in de richting van het volksoploopje, eveneens in mijn hoedanigheid van nieuwsgierig persoon.

Er bleek een fors koebeest in een diepe sloot gesukkeld te zijn en het had nogal wat voeten in de aarde voor men het klaaglijk bulkende rund takelend uit zijn benarde positie kon bevrijden. Toen Bertha ─ zo heette ze ─ opnieuw goed en wel in de weide stond, zette ze het binnen de kortste keren op een lopen en tijdens dat drafje gooide ze van puur contentement een paar keer haar machtige kont in de lucht. ‘Ze schuddege mee eur gat’ zoals Ivan Heylens wilde boerendochter deed toen iemand haar een tong draaide. Terwijl haar melkfabriekje opgetogen heen en weer klotste ─ ik bedoel dat van Bertha, niet dat van de boerendochter ─  fietste ik vrolijk verder, blij met de goede afloop.

Pistekieten

Hoewel ik jaarlijks ongeveer tienduizend kilometer – ja, jullie lezen het goed – met mijn Harley Trapson afhaspel, durf ik mezelf allerminst de allure van sportief fietser aanmeten. Ik verplaats me trouwens met een heel gewone fiets, die voorzien is van een computertje, een gps, slechts vijf versnellingen en twee ruime fietstassen, waarin ik zowat mijn hele hebben en houden onderbreng.

Omdat ik in hoge mate van de mij omringende natuur wil genieten, laat ik me niet haasten en slof ik met een gezapige vaart doorheen de landschappen die ik op mijn weg ontmoet. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik regelmatig ingehaald word door dames en heren die wel sportieve ambities koesteren. Daarbij valt het me op ─ het zal wel geen inbeelding van me zijn ─ dat steeds meer mannen toegerust zijn met massieve, ja zelfs mastodontische kuiten.

Laatst maakte ik een fietstocht in het gezelschap van mijn zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die van nature met een plastische babbel gesierd is en soms zelfs gespierde kazernetaal in de aanbieding heeft.
─”Wat hebben veel mannen tegenwoordig echte ballonkuiten”, liet ik me ontvallen.
─”Ja, ze hebben ferme stampers onder hun zeikbak”, monkelde Reinhold.
Ik moest daar zo om lachen dat ik bijna in een sloot kukelde.
─”Je hoort me niet beweren dat die van mij er als ranke cipressen uitzien,” opperde ik, “maar het scheelt toch niet veel.”
─”Ranke cipressen!” riep mijn gezel. “Jij hebt pistekieten!”

Pistekieten. Ik blijf het een heerlijk West-Vlaams woord vinden en eigenlijk ben ik best tevreden met mijn pistekieten.

Waarschuwing: als je nu door bossen wandelt of fietst, krijg je gegarandeerd eikels op je kop, behalve als het naaldbossen zijn.

Eentje voor de zondag ─ 7

Zoals ik gisteren meldde, kreeg ik telefonisch het speelse verwijt ‘gie vroede gorre’ te horen en daar zou ik vandaag even op terugkeren, ten behoeve van degenen die niet met het West-Vlaamse dialect vertrouwd zijn. Magda gaf het al aan in haar commentaar: vroed = gulzig, schrokkerig, inhalig. Een gorre is een neus, soms ook een mond en bij uitbreiding staat het voor de persoon die eigenaar is van die neus/mond. ‘Gie vroede gorre’ zou je dus kunnen vertalen in “jij met je gulzige muil’.

Het Katholiek Vormingswerk van Landelijke Vrouwen (KVLV) heeft een nieuw kookboek uitgebracht: Van aardappelschil tot wortelloof – No waste cooking. Kijk, daar krijg ik het van op mijn teringtietjes … en niet te min! No waste cooking … is die Engelse bijtitel nu echt nodig? Wat is er fout met koken zonder afval, of koken zonder verspilling? Het meesterwerk kost € 14,95, maar ik zal er alleszins geen geld aan verspillen en ik raad jullie aan om er ook geen money aan te wasten. Dat zal ze leren.

Ik zag een reclamefilmpje voor de nieuwe variant van Coca-Cola, met name Coca-Cola life. Het drankje zou 33% minder suiker bevatten dan zijn originele soortgenoot, want volgens de slogan is het ‘gezoet met ingrediënten van natuurlijke oorsprong’. Tiens, is suiker geen ingrediënt van natuurlijke oorsprong dan? Ik dacht nochtans dat men die uit riet en bieten puurde.

Opvoedkunde

Het begon zo geduldig te miezeren dat ik er nauwelijks wat van merkte en niet eens de moeite nam om mijn paraplu open te klappen. Ik liep langs een afsluiting, waarachter zich zo te horen huishoudelijke, of toch zeker familiale taferelen afspeelden.
– “Het regent een beetje”, hoorde ik een kinderstemmetje zeggen.
– “Regent het een beetje?” verwonderde de vermoedelijke vader zich. “Inderdaad! Het regent en de zon schijnt. Wat zeggen ze dan?” De man liet een vervaarlijk gebrom horen en riep met luider stem: “‘t Is kermesse in d’ helle!”
Het kind zette het op een krijsen, koos het hazenpad en zocht heil bij zijn moeder.
– “Papa is stout!” pruilde het.
– “Tegen wie zeg je het!?” mompelde de moeder, die kennelijk wist wat voor vlees ze in de kuip had.

Eten, drinken en betalen

In het taalgebruik dat gangbaar is in de contreien waarin ik het genoegen heb gehuisvest te zijn, bestaan er ook een aantal uitdrukkingen waarin plaatsnamen voorkomen, al is het verband tussen de betekenis van de uitdrukking en de plaatsnaam in kwestie niet altijd duidelijk.

Zo spreken wij bijvoorbeeld van Schaarbeekse klare om slappe koffie aan te duiden, waar je dus dwars doorheen kunt kijken.
Een Blankenbergse rekening is dan weer de benaming van een rekening met heel veel posten, of een exemplaar waarvan de slotsom hoger is dan men verwachtte.
En als men zegt dat het ergens Koekelare noene is, dan is het daar de gewoonte dat men het middagmaal pas rond de klok van 1 uur gebruikt.

Tot mijn verbazing heb ik gisteren ontdekt dat men zelfs een fietsroute aan het laatste fenomeen gewijd heeft. Jullie mogen drie keer raden waar ik het onderstaande bord aantrof. Nee, niet in Schaarbeek en ook niet in Blankenberge …

fietsroute