Tag: milieu

Wat zwemt daar door het struikgewas?

Ik ben er me terdege van bewust dat ik in herhaling val als ik sikkeneur dat ik langzamerhand goed balen krijg van het oprukkende zwerfvuil. Het blijft aanmodderen en het wordt alleen maar erger, heb ik de indruk. De noodzakelijke mentaliteitsverandering komt er niet. Sommige mensen kun je prikken met een speld; voor anderen heb je een hooivork nodig.

Ik lees dat het opruimen van de overtolligheden die we klakkelings weggooien jaarlijks zestig miljoen euro kost, hetzij tien euro per inwoner van Belgenland. Is hier geen taak weggelegd voor de asielzoekende medemens en bij uitbreiding voor alle leefloners en werklozen die gezond van lijf en leden zijn? In ruil voor het geld dat ze ontvangen mag je toch zeker een tegenprestatie van ze verwachten. Of niet soms?

Verleden week zag ik onder veel meer een bureaustoel en een heggenschaar in de berm liggen. Dan denk je dat je alles hebt gehad, maar vanmorgen viel me toch de bek open bij het aanschouwen van wat ik aantrof naast het pad dat naar mijn woning voert. Ga even zitten, want dit is niet mis: naar schatting ongeveer twintig kilo grijze noordzeegarnalen, die nog gepeld waren ook. Wie gooit nu zoiets weg? En wat moet ik er in vredesnaam mee aanvangen? Zullen de dieren der aarde en de vogelen der luchten die verorberen? 

Of kan ik iemand plezieren met een crevettenkroketje? Of anders misschien met een rijkelijk gemeubileerde tomaat garnaal?

Met de Franse slag

Zoals eerder gemeld laboreer ik aan een verkoudheid die bijzonder slepend blijkt te zijn. Ik raak die maar niet kwijt. Vanwege de ermee gepaard gaande lichamelijke ongemakken heb ik me tijdens de voorbije weken nauwelijks buitenshuis gewaagd, maar vanmorgen diende ik me voor een dringende aangelegenheid naar de bewoonde wereld te begeven. Ik maakte daarvan gebruik om wat proviand in te slaan en aangezien het middaguur naakte, besloot ik aan te schikken in de nieuwste aanwinst van het dorp: een op Amerikaanse leest geschoeide diner (daajner), zeg maar een vette haptent. De glazen deuren van het etablissement schrokken zo van mijn verschijning dat ze vanzelf opengingen.

De gooi- en smijtschotel die ik voor mijn melik kreeg, zag eruit als geboetseerd slachtafval, of eigenlijk nog meer als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en ik zat met lange tanden te fletcheren, toen opeens mijn oren dichtslibden. De meeste mensen hebben daar enkel last van als ze in het hooggebergte evolueren, maar bij mij treedt dat verschijnsel ook op als ik verkouden ben en ik vind het verre van aangenaam. Die sluier op mijn trommelvlies blijkt immers ook mijn papillen te beïnvloeden, waardoor er kraak noch smaak zit aan hetgeen ik verorber. Ik schoof misnoegd mijn bord opzij en tuurde meewarig door het raam.

Ik volgde de werkzaamheden van de witte vuilniswagen die de straat verontrustte, of beter gezegd die van het oranje mannetje dat blauwe pmd-zakken en stapels papier en karton in de voerkleppen van het gevaarte stouwde. Hij wist niet van ophouden. De muilen raakten overvol.
“Dit kan nooit goed gaan”, mompelde ik toen hij veel te laat het persmechanisme aanzette.
Ik kreeg nog gelijk ook. Er weerklonken een paar knallen van ontploffende zakken en een dertigtal plastic flessen en drankblikjes ontsnapten. Ze kwamen samen met flarden van kranten op het asfalt terecht. Het oranje mannetje getroostte zich niet eens de moeite om die op te rapen, liet alles liggen waar het lag en vervolgde doodgemoedereerd zijn weg.

“Bedankt, u hebt weer fantastisch gesorteerd”, prijkte er in precieuze schoonschriftletters op de flank van de vuilniswagen. Jazeker, wij sorteren fantastisch en we betalen ons blauw aan allerhande milieutaksen, terwijl de vuilnisophalers het laten sloffen, er de kantjes aflopen en eigenhandig zwerfvuil rondstrooien.

Op het slagveld

De fiets brengt me af en toe op het traject van de eeuwenoude, want door de Romeinen aangelegde heirweg tussen het Franse Cassel en Brugge.

Wie beschrijft mijn aan verbijstering grenzende verbazing toen ik daar, ter hoogte van de vroegere militaire kazerne in Zedelgem – tegenwoordig het Provinciaal Opleidingscentrum voor Veiligheidsdiensten – een ware ravage aantrof, alsof daar kort voordien een niets ontziende windhoos huisgehouden had. Vele tientallen populieren waren gesneuveld en lagen neergeveld in de bermen een troosteloze aanblik te bieden. Het was te treurig voor woorden en in mijn hoedanigheid van natuurvriend raakte ik dan ook in grote droefenis.

Het spreekt vanzelf dat ik me binnen de kortste keren tot bevoegde diensten wendde, teneinde mijn ongenoegen te uiten en om tekst en uitleg te vragen omtrent de slachtpartij. Ik vernam dat de bomen naar schatting zestig jaar oud waren, hetgeen betekende dat ze meer dan kaprijp waren en uit veiligheidsredenen effectief dienden geveld te worden. Men voorzag eerlang een aanplant van streekeigen hoogstambomen.

Ik heb inderdaad een paar exemplaren met stamrot opgemerkt, maar het overgrote deel van de slachtoffers vertoonde geen enkel mankement en zag eruit als op het fotootje rechtsonder.

Tja, wie ben ik dat ik boomdokters zou tegenspreken? Ik blijf het wel heel erg jammer vinden. Ze waren zo mooi …

heirweg

Kanttekeningen ─ 3

1.
Er gaan stemmen op om paal en perk te stellen aan het afsteken van vuurwerk ter gelegenheid van de jaarwisseling. Voor mij niet gelaten! Ook mijn katten, en ongetwijfeld alle dieren die in onze contreien hetzij buiten of binnen hoofdkwartier houden, zouden dat toejuichen. Nu komen sommigen echter met het niet bepaald lumineuze idee op de proppen om het eindejaarsgedruis te vervangen door het massaal oplaten van ballonnen, die voorzien zijn van stichtende tekstboodschappen op aan koordjes bevestigde kaartjes. Ballonnen zijn evenwel bijzonder slecht voor het milieu. Ze vergaan tergend langzaam en ze veroorzaken de dood van talloze dieren, die deze vaak opzichtig gekleurde objecten als voedsel beschouwen, of verstrikt raken in de frutsels waarmee die ze toegerust zijn. Het is nog maar van verleden week geleden dat ik een eekhoorn zag met een ballon in zijn kielzog. Vroeg of laat komt dat beestje vast te zitten met alleen de hongerdood in het vooruitzicht.

2.
Ik heb het bestaan om helemaal in mijn eentje korte metten te maken met de nochtans onvermurwbare wet van Murphy. Toen ik vanmorgen een geroosterd sneetje van een flinke lik boter voorzag, glipte dat gevalletje uit mijn handen en viel op de vloer met de besmeerde kant … bovenaan! Wie doet het me na?

In Vlaamse velden … 2

Terwijl de natuur treuzelig aan de herfst begint, is de maïs bezig tot volle wasdom te komen. Het valt me op dat de landbouwers zich in deze contreien in toenemende mate toeleggen op het telen van dit gewas. Het is, ik vertel jullie geen nieuws, een hoogbenige plant die ik persoonlijk nogal eens in de weg vind staan, zoals dat bijvoorbeeld op de onderstaande foto het geval is.

mais

Vanaf deze idyllische picknickplaats op de Ruidenberg kun je normaliter van magnifieke vergezichten genieten, die tot diep in West-Vlaanderen reiken. Nu zit je daar op een maïsmuur te kijken en ik kan jullie verzekeren dat men daar vrij snel op uitgekeken raakt.

mais02

De ranke stengels torsen forse kolven, waardoor ze op frêle mannetjes lijken die met buitensporige erecties pronken, al zal die vergelijking wel weer aan mijn verdorven geest ontspruiten.

mais03

Maïs is niet enkel een hinderlijk groeisel, maar ook een bron van vertier. Men kan er bijvoorbeeld makkelijk in verdwalen, wat sommige snuggerlingen ertoe aangezet heeft om er heuse doolhoven in aan te leggen. Zelf waag ik me daar niet in. Ik beschik namelijk over een bijzonder slecht oriëntatievermogen. Men heeft me ooit eens uit een labyrint moeten ontzetten: een akkefietje dat allerminst een aanbeveling is, maar dat ik hier in een vlaag van verstandsverbijstering toch heb beschreven in ‘s Levens kronkelpaden .

mais04

Bovendien vermoed ik dat er in maïsvelden veel ongedierte huist, zoals bijvoorbeeld tarantula’s en zwarte weduwen, of boa constrictors, anaconda’s, of misschien zelfs de uiterst giftige cobra die onlangs in Nederland het … eh … hazenpad koos.

mais05

Weinigen zullen maïs een fraaie, laat staan een decoratieve plant vinden, maar zo nu en dan levert het gewas toch een mooi plaatje op, bijvoorbeeld als de statige, in slagorde opgestelde falanxen een rustiek kasseienstraatje mogen flankeren …

mais06

… of als een jonge spring-in-‘t-veld (letterlijk dan) aan de kudde poogt te ontsnappen …

mais07

… maar dan is er altijd weer de mens, die zich vanwege het hoge gewas onbespied waant en van die gelegenheid misbruik maakt om zich van zijn overtolligheden te ontdoen.

Slobberspul

Toen ik in de badkamer een kraan openzwengelde, proestte die het uit. Met horten en stoten, gesis en gepruttel, vergastte ze me vervolgens op gulpen modderige vloeistof in een bonte mix van ontlastingskleuren.

Dat bleef duren en twee uur later raakte ik dusdanig geagiteerd dat ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met de leverantie van leidingwater bemoeit. Ten prooi aan groeiende ergernis worstelde ik me doorheen het inmiddels onvermijdelijke en tijdrovende keuzemenu, hetgeen tot overmaat van ramp dan ook nog met pokkenmuziek gepaard gaat, tot ik uiteindelijk bij een persoon terechtkwam die me wist te vertellen dat men op de hoogte was van het probleem, dat door een ernstig lek veroorzaakt werd en nog wel eventjes kon aanslepen. Dat ‘eventjes aanslepen’ nam nog ruim acht uur in beslag, maar in de late middag kon ik opnieuw over deugdelijk water beschikken.

Nu heb ik daar toch een bedenking bij. Ik pleeg ‘s morgens vroeg, meestal in het halfduister, mijn koffiezetter te vullen. Stel dat ik niet zou merken dat er wat loos is en doodgemoedereerd begin te slurpen van een ochtendlijk bakje leut, dat ik met zulk vies water toebereid heb, waardoor ik niet veel later het hoekje omga, vermoedelijk om zeep …

Kan dat allemaal zomaar? Waarom eigenlijk, zo vraag ik me af, draait men de kraan niet helemaal dicht als er … eh … stront aan de knikker is?

Verwaarloosbaar ondergoed

Ik heb mij hier al bijna tot vervelens toe druk gemaakt over het zwerfvuil, dat overal te lande rondslingert. Vandaag wil ik het over een onderdeel daarvan hebben, met name over textiel en aanverwante stoffen.

Ik ben hogelijk verbaasd over de kledingstukken en accessoires die mensen al dan niet moedwillig in de natuur achterlaten. Ik heb het over zakdoeken, handdoeken, stropdassen, bretels, riemen, sokken en kousen, mutsen en petten, handschoenen, slipjes, onderbroeken, shorts … het hele assortiment met andere woorden.

Gisteren fietste ik langs het jaagpad van een kanaal en daar trof ik zelfs een soutien … eh … een beha aan: een hartstochtelijk rood en sexy bustelijfje met heel veel kant. Nu vraag ik me toch werkelijk af hoe men zoiets kan kwijtraken. Daar zijn op zijn minst toch een aantal vrij ingewikkelde manipulaties voor nodig, dacht ik zo. Of vergis ik me?

Hoewel het waarschijnlijk een behoorlijk dure balconette betrof – ja, ik ben een beetje een kenner – heb ik het luchtig niemendalletje niet opgeraapt. Ik heb namelijk geen tieten … correctie … ik heb wel tieten, maar dat zijn zulke kleintjes dat ik ze niet met een dessousartikel hoef te ondersteunen.

Wakker aan de slag

In al mijn ijver om opulentie te verwerven, of toch zeker smakken geld binnen te rijven ─ een mens krabt zich waar hij kan ─ durf ik weleens te veel hooi op mijn vork te nemen. Dat is ook nu weer het geval. Hoewel ik het al druk zat had, moest en zou ik toch nog een vrij dringende en bewerkelijke vertaalopdracht aanvaarden, waardoor ik nu de verf van de muren moet werken en er nauwelijks tijd overblijft voor andere bezigheden, zoals bijvoorbeeld mijn blog met een nieuw pennenvruchtje spekken. Nog even aangorden dus en dan valt alles ongetwijfeld opnieuw in de plooi.

Ik heb inmiddels balen tabak van het zwerfvuil dat in toenemende mate onze velden en wegen ontsiert. Het zal nog eens zo gaan dat men statiegeld zal berekenen voor blikjes en andere drankverpakkingen. Misschien is dat niet eens zo’n slecht idee: voor een grove kwast heeft men een scherpe bijl nodig. Mijn wandeling van vanmorgen confronteerde me met een falanx flessen die naast een glasbol opgesteld stonden. Dat gebeurt natuurlijk vaker en het zou op zich niet de moeite van het vermelden waard zijn, ware het niet dat de flessen in kwestie ─ Bacardi Breezers in diverse smaken en wijnen met ronkende namen en van een goed jaar ─ nimmer geopend of ontkurkt waren.

Toen ik een halfuurtje later opnieuw bij die plek kwam, was het drankvoorraadje al verdwenen. De hondendrol die ik iets verderop aangetroffen en ontweken had, lag er nog steeds. 

glasbol

Stilte alstublieft!

Het valt me op dat men in Vlaanderen, en alleszins in de regio waar ik hoofdkwartier houd, zoveel vastgoed te koop of te huur aanbiedt, dat men het aan de straatstenen niet kwijt kan. Desalniettemin verrijzen er vrijwel in ieder dorp een aantal ranke, torenhoge kranen die vaak uitgestrekte bouwterreinen bedienen.

Het optrekken van die huizenblokken, flatgebouwen en opslagruimten voor bejaarden of hulpbehoevenden gaat steevast gepaard met het gebruik van allerhande uiterst lawaaierige voertuigen en machines. Alsof dat op zich niet volstaat, zul je op ieder werf ook een of meerdere radio’s aantreffen, die de schaarse stiltemomenten opvullen met van bonkende bassen voorziene scheldmuziek. Moet je van ‘s morgens tot ‘s avonds die pokkeherrie horen! Je zult maar in de buurt van zo’n bouwplaats wonen. Daar wordt een mens toch hoorndol en stapelgek van.
─ “Doe mij maar een half kilootje stilte alstublieft!” riep ik naar de slager, die vlak tegenover zo’n werf gehuisvest is.
─ “Mag het ook een beetje meer zijn?” brulde hij me toe.

Effen is kwaad treffen

West-Vlaanderen is een winderige provincie: een echt tochtgat aan de Noordzee. Er staat hier vrijwel altijd een kwistige bries en als het een keertje niet of nauwelijks waait, zoals gisteren en eergisteren bijvoorbeeld, nestelen er zich meteen hoge concentraties fijn stof in de atmosfeer en dat is naar verluidt niet goed voor ons algemene welbevinden.

Ik beschouw fietsen als een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, vooral als ik het in de luwte kan doen. Ik negeerde derhalve het smogalarm en verkende pedalerend wat men de groene gordel rond Brugge noemt. Nu ja, echt groen was die gordel nog niet, maar wat niet is, kan komen … en ik ben er zelfs van overtuigd dat het zal komen. Vogels repeteerden eindeloos, zwanen beschilderden een vijver met witte sier, in een weilandje liepen wat eenden te waggelen, eekhoorntjes dartelden over de boomstammen en op mijn pad ontdekte ik achtereenvolgens de rottende krengen van een duif, een haas, een kat en een rat. Vermoedelijk waren zij geen slachtoffers van het fijn stof dat in de lucht woekerde, maar wel van de niets ontziende gevaarten die men auto’s noemt.

Ik passeerde het vrij zeldzame verkeersteken dat voor overstekende padden waarschuwt. Iets verderop was de berm over een afstand van honderden meters van een gaasafsluiting voorzien en had men hier en daar emmers ingegraven.

paddenoversteek

In de emmer die hierboven met een groene pijl aangeduid is, trof ik inderdaad een pad aan. Hoewel ik een beetje vies van die beesten ben, viste ik het exemplaar op en bracht het gezwind naar de overkant. Vervolgens keerde ik op mijn stappen terug om de pancarte te lezen die men daar neergepoot had.

KijkPuit

Ik ben nog gaan zoeken, maar ik heb het door mij overgezette springtuig natuurlijk niet meer kunnen opsporen. Sorry hoor, mensen van de Brugse groendienst. Het moeten er dus 138 zijn. Ik zal het nooit meer doen.