Tag: horror

Nachthengsten

Ik slaap – lang – twee à drie uur – dan komt er een droom – nee – een beklemmende nachtmerrie. Ik voel goed dat ik in bed lig en dat ik slaap … Ik voel het en ik weet het … en ik voel ook dat iemand op me afkomt, naar me kijkt, me betast, op mijn bed klimt, op mijn borst knielt, mijn hals tussen zijn handen neemt en knijpt … uit alle macht knijpt om me te wurgen.
Ik verdedig me, maar die afschuwelijke onmacht die ons in onze dromen verlamt, houdt me vast; ik wil roepen – ik kan het niet – ik wil bewegen – ik kan het niet – uit alle macht, hijgend, probeer ik me om te draaien, dat wezen dat me verplettert en verstikt van me af te werpen – ik kan het niet!
En plotseling word ik wakker, vertwijfeld, badend in het zweet. Ik steek een kaars aan. Ik ben alleen.
Na die crisis die elke nacht terugkeert, slaap ik eindelijk rustig tot de ochtend.
Guy de Maupassant

In februari van dit jaar verscheen hier het pennenvruchtje: Ik droomde dat ik sliep. Daarin maakte ik melding van een hoogst merkwaardig fenomeen, waardoor ik ‘s nachts schijnbaar ontwaakte, me bedreigd voelde door een onmiskenbaar kwaadaardige aanwezigheid in mijn kamer, maar geen vin kon verroeren en dus weerloos overgeleverd was aan de moordzuchtige demon, tot ik er ten prooi aan levensgrote paniek in slaagde om mijn lichaam het bed uit te schuiven en te ontwaken toen ik met een smak op de vloer terechtkwam.

Het is helaas niet bij die ene keer gebleven. Wel integendeel! Ik heb sindsdien steeds vaker last van dergelijke nachtmerries. Wat zeg ik?! Dat zijn geen nachtmerries meer, dat zijn regelrechte nachthengsten. Ik begeef me iedere avond met tegenzin naar bed, bang voor wat er misschien aan zit te komen, en ik zie me genoodzaakt om het ledikant met kussens te omringen, zodat ik in voorkomende gevallen minder brutaal te gronde ga.

Ik heb er met mijn dokter over gesproken. Tot mijn verbazing wist hij meteen waar ik het over had en hij kon het fenomeen zelfs benoemen met een geleerde naam, slaapparalyse, en met het Nederlandse equivalent ervan: slaapverlamming. Hij bazelde ook nog wat over hallucinaties en hypnagogische waarnemingsstoornissen, maar verklapte toen opeens dat hij er eveneens last van had. Hoewel het verschijnsel al sinds mensenheugenis bestaat, is het nog relatief onbekend. Men weet vooralsnog niet wat de oorzaak ervan is, of hoe men het kan onderdrukken. Hij gaf me de raad mee om vooral niet in paniek te raken als het gebeurde, maar rustig te proberen om eerst één vinger te bewegen, vervolgens de hele hand, daarna de arm … enzovoorts en zo verder.

Ik vond dat een nogal onnozele remedie en ik had er dan ook bedenkingen bij, maar tijdens de voorbije nacht kon ik die aan de praktijk toetsen en het is me warempel nog gelukt ook: ik ben ontwaakt zonder uit mijn bed te vallen.

Raymond en het spookhuis

Op 7 november van verleden jaar publiceerde ik hier, in Het spookhuis, een drietal foto’s van een vermeend spookhuis dat ik tijdens een fietstocht op mijn weg ontmoette. Enkele dagen later, op 11 november, wijdde ik een schrijfsel ─ Ju! ─ aan de betreurenswaardige lotgevallen van een boer, Raymond Declerck, die in de buurt van dat spookhuis onder zijn eigen kar terechtkwam, dientengevolge schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselde en voor wie men op de plaats van het onheil een soortement gedenkteken heeft opgericht. Ik fantaseerde er toen lustig op los over de manier waarop er een einde aan zijn leven kwam.

Vandaag kan ik jullie uitsluitsel geven omtrent de juiste toedracht van zowel de lugubere woning als het verscheiden van Raymond. Ik kwam onlangs immers opnieuw op die plek terecht, waar de eigenaar van het griezelhuis uitgerekend op dat moment bezig was de ramen te lappen. Ik kneep de remmen dicht, hield halt, verontschuldigde me voor het storen en vroeg vriendelijk om tekst en uitleg.

Zijn optrekje bleek hoegenaamd geen spoken of geesten te huisvesten. Het bordje ‘haunted house’ was daar indertijd neergepoot door een niet nader genoemde vereniging, toen die ter gelegenheid van Halloween een ijzingwekkende zoektocht organiseerde. Ik verborg meesterlijk mijn teleurstelling en vroeg of hij me meer kon vertellen over de arme Raymond, die vijftig meter verderop in lang vervlogen tijden aan zijn droevige eind kwam. Dat kon hij. Raymond was inderdaad starnakelzat geweest toen hij van de molen in Klemskerke terugkeerde, maar er was geen meelzak van zijn kar gevallen. Nee, Raymond was zelf met zijn dronken kloten (sic) van zijn voertuig getuimeld en onder de wielen terechtgekomen, met alle gevolgen van dien.  

Ik vond dat Raymond deze rechtzetting verdiende, al kan ik niet ontkennen dat ik mijn versie van zijn ongeluk leuker vond. Nu ja, leuker …

Die neergedaald is ter helle …

Een vraag die vrijwel iedere dag tijdens de ochtenduren door mijn schedel waart, is: Wat zal ik vanmiddag eens eten? Meestal heb ik er geen moeite mee om een keuze te maken, want ik ben met weinig tevreden. Ik nam me voor om me vandaag aan een frietje met stoofvlees en met mayonaise gefatigeerd witlof te verlustigen.

Toen de frituurpan aangaf dat ze er klaar voor was en ik aanstalten maakte om er mijn patatjes aan toe te vertrouwen, daalde er uit de afzuigkap plots een grote trilspin neer en dat stupide mormeltje dook regelrecht de hete olie in, hetgeen niet meer dan een nauwelijks hoorbaar sisgeluidje teweegbracht. Ik stond erbij en ik keek ernaar.

Ik heb vanmiddag derhalve geen frieten gegeten. In plaats daarvan heb ik enkele aardappelen gekookt. Straks zal ik de olie verversen. Het valt met geen woorden te beschrijven welke gloeiende siroophekel ik aan dat klusje heb. Bah, wat een gekleuter, om van het geklieder nog te zwijgen.

Volgens een hardnekkig broodjeaapverhaal zou ieder mens jaarlijks vier tot acht spinnen verorberen tijdens zijn slaap. Doe mij dan maar een gefrituurd exemplaar.

Ik droomde dat ik sliep

Ik werd wakker en kwam vrijwel meteen tot de akelige ontdekking dat er zich iets of iemand, mens of dier, in de duisternis van mijn slaapvertrek ophield.

Ik verlamde letterlijk van schrik. Ik slaagde er maar niet in om een vin te verroeren, wat ik ook probeerde. Ik was weerloos en compleet overgeleverd aan de grillen van de indringer. Paniek maakte zich van me meester. Boven me hoorde ik de ademhaling van mijn belager en met een laatste krachtsinspanning …

Toen ontwaakte ik in het echt. Ik lag naast mijn bed op de vloer, waarop ik met een onzachte bons terechtgekomen was. Had ik me nog flink bezeerd ook. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik me ‘s nachts in een vrij laag ledikant terugtrek en niet op zo’n moderne boxspring vertoef, want die zijn aanzienlijk hoger en als je daar onverhoeds van neerdaalt, is het risico op lichamelijk letsel veel groter.

Het lijk in het maisveld

Ik wil me niet met akkerbouw en veldarbeid bemoeien, want dat is mijn fort niet en ik zou bij wijze van spreken onder distels en doornen zaaien. Desalniettemin ben ik van oordeel dat men in onze contreien veel te veel mais teelt. Dat hoogbenig gewas belemmert vaak het uitzicht op kruispunten en in scherpe bochten, wat soms voor gevaarlijke toestanden zorgt … en meer heb ik daarover niet te zeggen.

De titel van dit schrijfsel zou door Agatha Christie bedacht kunnen zijn, maar ik heb die helemaal zelf verzonnen en ik zal jullie vertellen hoe dat zo komt.

Tijdens een fietstocht gaf mijn gps er de brui aan, dus bracht ik mijn fiets tot stilstand op een weggetje dat zich als een aal in doodsnood tussen maisvelden kronkelde. Terwijl ik bezig was orde op zaken te stellen, weerklonk plots het belsignaal van een telefoon, hetgeen me zeer bevreemdde, want ik bevond me in Nergenshuizen en er viel in geen velden of wegen iemand te bespeuren. Het geluid hield op, om luttele seconden later opnieuw van zich te laten horen.
“Is hier iemand in de buurt?” riep ik in de richting van de plek waar het gerinkel vandaan kwam.
Ik kreeg geen antwoord.

Ik maakte aanstalten om tussen de maisstengels op zoek te gaan naar de oorsprong van dat signaal, want vermoedelijk lag daar ergens een mobieltje, maar ik voegde de daad niet bij de gedachte. Hoe was dat ding daar in vredesnaam terechtgekomen? Het is een vraag die me blijft bezighouden en ondertussen bedenkt mijn lenige, ja zelfs ongebreidelde fantasie daar zelfs een afrekening in het milieu bij, met een lijk dat men in het maisveld gedumpt heeft, om er vanaf te zijn.

Het zijn wrede tijden.

Het had erger gekund

We zitten (liggen, hangen, staan etc.) volop in de hondsdagen ─ de warmste, indien al niet de heetste dagen van het jaar tussen 19 juli en 18 augustus ─ al valt daar in Belgenland en de belendende percelen vooralsnog bitter weinig van te merken. Ik had het plan opgevat om gisteren samen met mijn spitsbroeder, Reinhold, een uitstap te maken, maar het was zulk bedremmeld weer dat we besloten thuis te blijven.

We keken naar het middagjournaal en zagen dramatische beelden van bosbranden in het diepste zuiden van Frankrijk, meer bepaald in het departement Var. Kampeerders waren ijlings op de vlucht gegaan, om achteraf te ontdekken dat hun hele hebben en houden aan de vlammen ten prooi gevallen was. Ze zaten compleet uit het veld geslagen op een bank in de zon en aanschouwden de ravage met lede ogen.
“Ze hebben er wel mooi weer bij”, stelde Reinhold flegmatiek vast.

Ik beleefde daar monumentaal veel plezier aan. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren.

Spannend!

Ik bevond me in krekengebied en ging voor anker op een bank, die men ten behoeve van natuurvrienden op een terp neergepoot had en waarvandaan men de wijde omgeving kon overschouwen. Eenden spelevaarden op het water en gaven zich, beschut door rietkragen, over aan met luidruchtig gesnater gepaard gaande stoeipartijen en vermoedelijk ook aan seksuele omgang. Een reiger streek zwierig neer, een klucht ganzen zocht heil in de vlucht en een karekiet gaf ‘m van jetje. Het kan ook een andere vogel geweest zijn, want ik ben geen ornitholoog en een zanger in het riet is voor mij automatisch een karekiet, vanwege het lied waar ik als kind mee doodgegooid ben: karekiet, kiet, kiet, in het riet, riet, riet.

Toen zag ik opeens … ja, wat zag ik eigenlijk? Ik dook in mijn fietstassen, diepte ras een kijker op, waarmee ik het rozekleurige object dat in de verte tussen lisdodden dobberde naderbij haalde en … Ik versteende. Mijn adem stokte. Mijn hart miste een paar slagen en repte zich toen om de achterstand in te halen. Wat daar dreef, was een bloot mensenlichaam. Terwijl ik bedacht wat me te doen stond, kon men mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken. Ik trok mijn mobieltje, zette voor alle zekerheid nog eens de verrekijker aan mijn ogen en zag hoe het hoofd van de deinende drenkeling tussen de plantenstengels opdook, met de starre blik, de wijd opengesperde mond en de hartstochtelijk rode lippen van … een opblaaspop.

Ik heb toen maar mijn mobieltje opgeborgen, blij dat ik het niet gebruikt had. Je zult de hulpdiensten maar mobiliseren voor een door een flauwe grappenmaker achtergelaten opblaaspop.