Tag: recreatie

De natuur zal ooit eens wraak nemen

De koekoek roept, de merel fluit,
de mus tsjilpt opgetogen.
Sa, jongen, wipt de nesten uit,
de velden ingevlogen.

We schrijven mei en de natuur wurmt zich uit zijn winterverpakking. Bomen en struiken tonen trots hun pril gebladerte; bloemen maken reclame om insecten aan te trekken; vogels repeteren eindeloos; kikkers concerteren luidruchtig …

Ik zat op een bank van al dat glorieuze fraais te genieten toen plots twee dames in mijn blikveld opdoemden, gehuld in roekeloos strakke broeken en tietse borstrokjes, die berekend waren om indruk te maken, want uitgevoerd in opzichtig fluoroze en fluogeel en voorzien van panoramische halsuitsnijdingen, waarin je met een smak omlaag stortte, indien al niet kopje-onder ging.

Niettegenstaande hun uitmonstering gaven ze zich geen van beiden aan sportieve activiteiten over. Wat ze deden, kon je zelfs bezwaarlijk wandelen noemen. Ze kwamen aandweilen als luizen op een teerton en hadden volstrekt geen oog voor de wonderlijke landschappen rondom, want ze staarden onafgebroken naar de schermpjes van de slimfoons die ze in hun hand hielden en tokkelden als bezetenen op de ruitjes ervan. Ze bestonden het zelfs om me voorbij te lopen en me volkomen te negeren, hoewel ik toch een wezen ben waar de Schepper extra aandacht aan besteedde. Eigen lof stinkt, ik weet het, maar als ik mezelf niet kietel, lach ik nooit.

Kijk, als ik Moeder Natuur was en ten prooi viel aan zoveel onverschilligheid zou ik die dames met bliksems bestoken, ze de oren ontredderen met gedonder als kanongebulder, snoeiharde regen op ze laten neergutsen, stormwinden laten waaien, vulkanen laten uitbarsten, de aarde laten beven, tsunami’s op ze afsturen …

Hu paard, je staat te schuimbekken!

De tekst boven dit stukje is van Ferdinand Vercnocke en werd op muziek gezet door Maurits Veremans. Als jullie de onbedwingbare behoefte gevoelen om dit lied te aanhoren, of zelfs te beluisteren, kunnen jullie door het aanklikken van de hiernavolgende link jullie verlangen bevredigen: Als de winden vrij

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ‘t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden, hoor. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

Beet! (2)

De hengelaar zat bij de oever van de vliet, enigszins verscholen in hoogbenig riet, zoals de karekiet kiet kiet uit het bekende lied lied lied.

Zoals het een door de wol geverfde hengelaar betaamt, gooide hij met veel panache, om niet te zeggen bravoure, zijn hengel uit. Hij zwaaide de roede achterwaarts, om die vervolgens met een ruk naar voren te zwiepen, zodat de haak en de dobber met een keizerlijke zwaai op ruime afstand in het water neerdaalden …

… edoch dat gebeurde niet. Ons loze vissertje was kennelijk vergeten dat er een pad achter hem langs liep. Zijn haak vatte de wandelaar, die daar uitgerekend op dat moment voorbijstapte, letterlijk bij de kraag, om zich vervolgens brutaal los te rukken en een joekel van een winkelhaak in het kledingstuk van het slachtoffer achter te laten. De man was daar hoegenaamd niet blij mee, al mocht hij eigenlijk nog van geluk spreken. Voor hetzelfde geld had hij dat ding in zijn lip of zijn oog gekregen. Er ontstond dan ook een heftige discussie tussen beide partijen, maar ik heb niet op de uitkomst ervan gewacht.

Zodoende weet ik nu hoe ik iemand aan de haak moet slaan, om die vervolgens de kleren van het lijf te sleuren. Het kan haast niet anders of daar moet seks van komen en dat is mooi meegenomen.

Opgeruimd

Plassendale

Op de plek waar de kanalen Gent-Oostende en Oudenburg-Nieuwpoort zich verenigen, vind je het sluizencomplex Plassendale, dat een beschermd dorpsgezicht is. Men ─ het stadje Oudenburg ─ heeft er een idyllische pleisterplaats ingericht met een half dozijn robuuste picknicktafels. Het is er heerlijk toeven aan de rand van het water, behalve tijdens de weekends. Dan krioelt het er immers van veelal luidruchtige wielerterroristen en van galeislaven in roeiboten, die vanaf de oever bijgestaan worden door fietsende trainers met roeptoeters die een herrie als een oordeel maken.

Op weekdagen is deze plek echter een oase van rust. Af en toe spartelt er een boot door het water; eenden spelevaren; vogels repeteren eindeloos; vissers zitten te vissen … en heel soms verschijnt er plots een vuilniswagen. Dat gebeurde gisterenmorgen toen ik daar zat. Een bemanningslid van dat voertuig bekommerde zich om de vier tjokvolle, overlopende bakken die daar opgesteld stonden, maar hetgeen op de grond lag liet hij ongemoeid.

Ik was daaromtrent in niet geringe mate verbaasd en diepte mijn cameraatje op, om deze aanfluiting van beroepsijver vast te leggen. Terwijl ik de opname maakte, kwam er een dame met een labrador aangewandeld. Of was het een labrador met een dame? Wie zal het zeggen? Ze begon de boel op te ruimen.
─”Dat ze dat niet meenemen!” gaf ik lucht aan mijn verwondering.
─”Daar worden ze niet voor betaald”, zei ze. “In hun contract staat dat ze die bakjes moeten leegmaken, maar niet dat ze het zwerfvuil dienen op te ruimen, dus doen ze dat ook niet.”
─”Heb je van je leven!” schuddekopte ik.
─”En daar!” vervolgde ze en ze wees naar een van de gebouwen. “Daar zitten vijf van die sluiswachters godganse dagen met hun tenen te spelen en met hun duimen te draaien, want veel bootverkeer is er hier niet, maar even naar hier komen om de boel netjes te houden … Vergeet het!”

Waarna we samen het zwerfvuil opruimden en opgeruimd onze weg vervolgden.

Plassendale2

Ik vond het een genot, hoor!

Het restaurant waar ik regelmatig aanlegde om de inwendige mens te versterken ─ ik heb er hier nog geen jaar geleden het wierookvat voor bovengehaald ─ is ter ziele gegaan. Ik heb het volstrekt niet zien aankomen en ik betreur het ten zeerste. Ik dien dus noodgedwongen op zoek te gaan naar een nieuwe pleisterplaats.

Tot nu toe heeft mijn queeste twee etablissementen opgeleverd, waar het goed toeven en aanschikken is, en waar ik derhalve wellicht vaker mes en vork in stelling zal brengen.

In het rustige polderdorp Stalhille liet ik me verleiden door het praat- en eetcafé ‘t Hoekske, dat zoals de naam al doet vermoeden gelegen is op de hoek van de hoofdstraat, de Cathilleweg, en de Spanjaardstraat, rechtover de kerk. Ik verorberde er onder meer de huisbereide rijstschotel met zalm in een ‘Stalhilnoisesausje’. Dat was ongegeneerd lekker en het sausje met de rare naam was zo melodieus dat ik er bijna lyrisch van werd. Ik kan jullie het gerecht dan ook van harte aanbevelen.

In Wijnendale, aan de rand van het fameuze wandel- en fietspad Groene 62, heeft in het voormalige stationsgebouw de Tearoom-Brasserie Wijnendale Station onlangs de deuren geopend. Ik ben er verleden week neergestreken en ik heb er onder meer de scampi van het huis verorberd: een bezigheid die zeer zeker voor herhaling vatbaar is en die ik dan ook graag een aanprijzing meegeef.

In beide gelegenheden zul je een kraakzindelijk en gezellig interieur aantreffen. Je betaalt er een schappelijke prijs voor uitstekend voedsel. Het personeel bezit er het geheim om precies het juiste midden te bewaren tussen professionele afstand en menselijke warmte.

Meer moet dat volgens mij niet zijn. Allen daarheen!

Hoe sla je een modderfiguur?

Niet zo ver bij me vandaan ─ een fikse boogscheut moet volstaan ─ slingert er zich een brutale fietsweg doorheen het bos. In het jargon heet dat ding een mountainbikepad, maar daar doe ik niet aan mee, want jullie weten inmiddels dat ik een gloeiende siroophekel aan Engelstalige benamingen heb. Er is daar trouwens in geen velden of wegen een berg te bespeuren, laat staan een mountain. De MTB-route (MounTainBikeroute) is wel voorzien van andere geografische ongemakken, zoals bijvoorbeeld een ondiepe kuil, waarvan de zompige bodem bezaaid is met putten vol modder, tot groot jolijt van de beoefenaars van het bergfietsen ─ of zullen we het terreinfietsen noemen? ─ die graag hun kunstjes aan de wereld willen tonen.

Toen ik daar kwam, dook net een jongeman, die nogal wat wind maakte, met veel bravoure de kuil in. Hij slaagde erin heelhuids de overkant te bereiken. Zijn gezellin sloeg zijn prestatie op een afstand gade en bereidde zich vervolgens voor om hem te volgen.
“Als je in een van die putten terechtkomt,” instrueerde hij, “moet je onmiddellijk naar een lagere versnelling schakelen en trappelen, trappelen, trappelen …”
Ze nam een aanloop en suisde de kuil in. Ze kwam in zo’n put terecht, of wat hadden jullie gedacht? Ze schakelde naar een lagere versnelling. Ze trappelde en trappelde en trappelde zich ongeveer het leplazarus, maar ze bleef desalniettemin steken. Ze kapseisde voortvarend en plofte bijna statig in het slijk. Flotsj! Haar instructeur barstte uit in een lachsalvo dat men vermoedelijk op de schaal van Richter kon waarnemen, waardoor ze vierkant uit haar dak ging en in een vlaag van mooie razernij haar metgezel met handvollen modder bekogelde.    

Ik heb eveneens hartelijk gelachen, al heb ik daar wijselijk mee gewacht tot ze me niet meer kon zien of horen. Ik ben in de eerste plaats keurig netjes opgevoed en in de tweede plaats wilde ik niet het risico lopen dat ze me ook met smurrie bestookte. De hel is niets vergeleken met een vrouw die op wraak zint.

Kuip-door-sluip-doorroutes

Ik heb tijdens het voorbije jaar zomaar eventjes 12429 km gefietst ─ da’s een eind, hoor! ─ hoofdzakelijk in West-Vlaanderen, met enkele uitschieters naar Oost- en Zeeuws-Vlaanderen. Ik ging eigenlijk voor het elegante rekenkundige rijtje 12345, maar daarvoor moet je goed kunnen mikken en dat kan ik dus niet. Ik zit er 84 km naast. Ziehier mijn bevindingen:

De infrastructuur voor wielrijders laat zeer te wensen over. De fietspaden, als die er al zijn, bevinden zich heel vaak in een uitermate erbarmelijke toestand. Putten, kuilen, opdringerige boomwortels, overhangende takken, opgehoopte smurrie, glasscherven … ik heb het allemaal gezien en meegemaakt. Op dat gebied kunnen we alleszins nog veel van Nederland leren, want daar is fietsen een echt plezier.

Het zwerf- en grofvuil blijft in toenemende mate de bermen en sloten ontsieren. Deze nestbevuiling zal ons nog eens zuur opbreken en ik vrees dat de goeden het met de kwaden zullen bekopen.

Ook het aantal gesneuvelde dieren stemt tot nadenken. Ik wil niet direct van een slagveld gewagen, maar het scheelt toch niet veel.

Vlaanderen, en zeker West-Vlaanderen, is kennelijk de kweekvijver van de onhoffelijkste chauffeurs die men zich kan voorstellen. Claxonnades, opgestoken middelvingers, scheldpartijen, ja zelfs regelrechte bedreigingen vallen er je als fietser te beurt. Eerlijkheidshalve dien ik toe te geven dat de onbeschoftste exemplaren zich ook per fiets verplaatsen en zich wielertoeristen noemen. Ik kan ze niet allemaal over dezelfde kam scheren natuurlijk, maar er zitten daar toch echte bullebakken tussen. Gelukkig heb ik af en toe ook een fijngemanierde en voorkomende weggebruiker ontmoet en dat is een heuse verademing.

Om toch op een ietwat positieve noot te eindigen som ik even op wat ik tijdens mijn zwerftochten allemaal gevonden heb:
– 72,05 euro (een biljet van € 50 en een van € 20, muntstukken van € 2 en 5 cent)
– een rugzak met inhoud (die ik aan de rechtmatige eigenaar kon terugbezorgen)
– een dure verrekijker
– een schroevendraaierset van een goed merk
– een oplaadbare zaklantaarn
– ik had ook talloze kledingstukken kunnen verwerven, maar daar waag ik me niet aan. Het blijft me in hoge mate verbazen wat mensen onderweg allemaal aan textiel, ja zelfs aan ondergoed kwijtspelen. Wat gebeurt er toch allemaal langs Vlaamse wegen en in Vlaamse velden?

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme