Tag: diakect

Uitvaagsel

Jaren geleden, in 2012, promoveerden wij, de bewoners van de kustprovincie, de benaming ‘zurkeltrutte’ tot het mooiste West-Vlaamse woord. Ik heb in mijn leven gelukkig nog maar zelden zurkeltrutten ontmoet, maar gisteren kruiste me daar toch een feeks mijn levenspad, die niet alleen de eigenschappen van een zurkeltrutte ─ belachelijk, dom, naïef vrouwmens ─ belichaamde, maar daar zelfs nog een gemeen schepje bovenop deed.

In bracht namelijk een bezoek aan het ziekenhuis en aan de echtgenote van een vriend. Men had kanker bij haar vastgesteld en een borstamputatie was noodzakelijk gebleken, hetgeen ongetwijfeld een bijzonder ingrijpende ingreep is. Ons gesprek verzandde evenwel voortdurend, want ik raakte een beetje mijn tramontane kwijt omdat zij behoorlijk op slot zat en zich telkens in een nimbus van peinzend zwijgen hulde.

Gelukkig verscheen toen haar man en even later ook hun buurvrouw, een onderwijzeres nota bene, die binnen de kortste keren bewees wat voor gruwel van een mens ze was. Ze bestond het namelijk om aan mijn vriend te vragen of hij voortaan een knuffel mee naar bed zou nemen, aangezien hij een van zijn gebruikelijke speeltjes zou moeten missen. Ik flikkerde bijna van mijn stoel af. De zeven paarden die haar uit de klei getrokken hadden, stond daarvan nog na te hijgen. Ik zag dat mijn vriend en zijn vrouw zich daar ook zeer onbehaaglijk bij voelden. Het kostte me heel wat moeite om mijn kiezen op elkaar te houden, maar het ene woord zou ongetwijfeld het andere uitgehaald hebben en ik vond dat het zo al welletjes geweest was.

Wat staan sommige mensen toch ongehoord bot in het leven. Ik heb die lompe boerentrien moedwillig geen hand gegeven toen ik vertrok. Ik ben me daar een haartje betoeterd!

Chihuahua

Er breken drukke tijden voor me aan, want er zijn examens op til. Studenten van beiderlei kunne schieten plots wakker, om te ontdekken dat hun bagage ontoereikend is om het schooljaar met goed gevolg af te sluiten, dus doen ze nog snel even een beroep op mijn inmiddels vermaarde talenknobbel, om hun kennis wat bij te spijkeren.

Ik mag graag bijlessen verstrekken en ik verdien er ook wat mee, maar het is niet mijn favoriete bezigheid. Wat ik het liefste doe, is anderstaligen het Nederlands bijbrengen, al moet je dat vooral niet onderschatten. Het vergt wat van een mens: engelengeduld vooral en een flinke dosis doorzettingsvermogen … zowel van mijn kant als van die van de pupil. Woorden leren, werkwoorden verbuigen, zinnen bouwen … En laten we wel wezen: het Nederlands is niet bepaald een makkelijke taal.

Het verloopt allemaal heel stroef in het begin, maar plots komt het moment waarop je met de ander een soortement gesprekje in het Nederlands kunt voeren. Dan voel ik me iedere keer weer zo gelukkig als een kermiskind en ben ik heel even mijn eigen geschenk uit de hemel. Ik haal me er echt aan op.

Ik ontmoet nog vaak oud-leerlingen van me en dat gaat meestal met grote vreugde gepaard. Gisteren kreeg ik onverwacht bezoek van mijn allereerste pupil ooit: een jongen die als zeventienjarige vluchteling in Belgenland terechtkwam, Nederlandse lessen bij me volgde en over enkele maanden het diploma van doctor in de medicijnen zal verwerven. Toen we elkaar de eerste keer zagen, konden we wegens de taalbarriere geen woord met elkaar wisselen. Het falen van de menselijke communicatie … Gisteren hielden we een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande, omstrengelden we elkaar met flonkerende zinnen en haalden we herinneringen op, want dat hoort bij een weerzien:
─“Weet je ‘t nog van die chihuahua?” vroeg hij monkelend.
─“Ja hoor!”, gnuifde ik.

Ik had hem ooit wijsgemaakt dat preutelikkertje het correcte Nederlandse woord voor een schoothondje was, hoewel dat eigenlijk het Vlaamse equivalent is van het als vulgair geboekstaafd staande kutlikkertje. Het zijn van die dingen die men beter niet kan doen, want toen ik op een keer met hem op wandel was en we een deftige mevrouw met zo’n mormeltje ontmoetten, stapte hij naar haar toe om haar ongefilterd mede te delen dat ze zo’n leuk preutelikkertje had en te vragen of het zich liet strelen. De dame in kwestie was niet bepaald opgetogen met zijn lovende woorden en nog minder met zijn verzoek.

Pistekieten

Hoewel ik jaarlijks ongeveer tienduizend kilometer – ja, jullie lezen het goed – met mijn Harley Trapson afhaspel, durf ik mezelf allerminst de allure van sportief fietser aanmeten. Ik verplaats me trouwens met een heel gewone fiets, die voorzien is van een computertje, een gps, slechts vijf versnellingen en twee ruime fietstassen, waarin ik ongeveer mijn hele hebben en houden onderbreng.

Omdat ik in hoge mate van de mij omringende natuur wil genieten, laat ik me niet haasten en slof ik aan een gezapig tempo doorheen de landschappen die ik op mijn weg ontmoet. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik regelmatig ingehaald word door dames en heren die wel sportieve ambities koesteren. Daarbij valt het me op ─ het zal wel geen inbeelding van me zijn ─ dat steeds meer mannen toegerust zijn met massieve, ja zelfs mastodontische kuiten.

Laatst maakte ik een fietstocht in het gezelschap van mijn zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die met een plastische babbel gesierd is en soms zelfs gespierde kazernetaal in de aanbieding heeft.
─”Wat hebben veel mannen tegenwoordig echte ballonkuiten”, liet ik me ontvallen.
─”Ja, ze hebben ferme stampers onder hun zeikbak”, monkelde Reinhold.
Ik moest daar zo om lachen dat ik bijna in een sloot kukelde.
─”Je hoort me niet beweren dat die van mij er als ranke cipressen uitzien,” opperde ik, “maar het scheelt toch niet veel.”
─”Ranke cipressen!” riep mijn gezel. “Jij hebt pistekieten!”

Pistekieten. Ik blijf het een verrukkelijk West-Vlaams woord vinden en laten we wel wezen: eigenlijk ben ik best tevreden met mijn pistekieten.