Tag: armoede

Van liefde verstoken

Ik kom bijna dagelijks voorbij een woning, waarin naar verluidt een vrijgezel huist. Hoewel ik de man niet persoonlijk ken, heb ik al veel over hem vernomen, want hij duikt regelmatig op in de gesprekken die men in de lokale neringen voert. Zo gaat dat immers in een dorpje dat nog net niet dood is en waar zelden wereldschokkende dingen gebeuren.

Op een keer, toen ik bij de groenteboer mijn beurt afwachtte, waren twee klapeksters onomwonden bezig zijn doodzonden van de bomen te schudden. Volgens hun zeggen leek zijn huis op een ommuurde vuilnisbelt en was hij dom, en achterbaks, en brutaal, en … Plots mengde de man die voor me stond zich in het onderhunsje. Hij zei op geërgerde toon:
─”Zijn jullie zeker dat jullie niets vergeten? Een alcoholprobleem of zo?”
Het was een nogal drieste en niet geheel ongevaarlijke aanpak, maar hij snoerde ze er wel de mond mee en oogstte mijn stille bewondering voor zijn dapperheid.

Aan het huis kan je eigenlijk niet zien dat een vrijgezel er hoofdkwartier houdt. Nu ja, de ruiten zijn nogal smoezelig en de berookte vitrage heeft niet de juiste afmetingen, maar daar kan men geen conclusies aan vergooien. Onlangs prijkte er zelfs een appetijtelijke fruitmand op de vensterbank.
─”Zie je wel dat het zo’n vaart niet loopt!”, dacht ik bij mezelf. “Een vrijgezel die gezonde vruchten in huis haalt, heeft besloten om te zwemmen en niet gewoon met het leven mee te drijven.”

Inmiddels zijn we drie weken later en de fruitmand staat nog steeds onaangeroerd op die vensterbank, al biedt de inhoud ervan niet meer zo’n fraaie aanblik. De bananen zijn vrijwel helemaal vergaan en ook bij de andere vruchten is de aftakeling duidelijk zichtbaar. Volgens mij kan het daarbinnen toch niet bijzonder fris ruiken, maar ieder zijn meug natuurlijk. Ik heb me daar niet mee te bemoeien.

Hij zal daar toch niet dood liggen, wel?

Weggooimens

De man heet Kurt. Hij is veertig of daaromtrent en vrijgezel. Hij werkt bij een klussenbedrijf, waar men hem voor schop en bezem gebruikt. Kurt is een stille in den lande, of eigenlijk meer een ingeknepen ziel. Hij kampeert op de pechstrook van de samenleving. Zelfs in het café, waar hij af en toe een pilsje drinkt, behandelen we hem als iets dat onder onze schoenzool overleden is. We proberen ons zo min mogelijk met hem te bemoeien. Kurt spoort immers niet helemaal en als je hem durft aan te spreken, laat hij je niet meer met rust en zeurt hij je de kop gek, dus laten we hem liever links liggen.

Vandaag echter is Kurt het gespreksonderwerp in het dorp en eigenlijk moet ik op de alinea hierboven de verleden tijd toepassen. Enkele uren geleden heeft men hem immers gevonden. Hij lag naast zijn fiets in een berm en hij was dood. Waarschijnlijk is zijn hart lang genoeg eenzaam geweest en heeft het er de brui aan gegeven. Er was toch geen beterschap in zicht.

Neem het ons niet kwalijk, Kurt, dat wij je stelselmatig uit onze verhalen schrapten, tot op het moment dat er een einde kwam aan je oponthoud op onze planeet, tot jij een punt zette achter een leven in de luwte en uit een voorgoed mislukt bestaan stapte. We hebben allemaal boter op ons hoofd,