Tag: winter

Niet versagen!

Hoewel het kwik vanmorgen het vriespunt besnuffelde, ben ik toch naar het dorp gefietst, al had ik daar eigenlijk niets dringends te zoeken of te verrichten. Toegegeven: de kou overviel me een beetje.
“Hard zijn!” sprak ik klappertandend tot mezelf.
Mijn tepels gehoorzaamden meteen.

Waar is mijn wollen muts nu?

Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit
Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit
Ik kon het niet geloven, maar voor de vensterruit
Viel zacht naar beneden, de eerste sneeuw

M’n mama kwam naar boven, ‘t is tijd om op te staan
M’n mama kwam naar boven, kom trek je kleren aan
Mama, lieve mama, kijk eens naar benee
Ga je met me mee, in de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw

Waar is m’n wollen muts nu, waar is m’n dikke sjaal
Waar is m’n wollen muts nu, waar is m’n dikke sjaal
En ergens in de kelder ligt toch nog die slee
Papa moet me duwen door de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw

Nu twintig jaren later, heb ik geen zin om op te staan
Nu twintig jaren later, kijk ik weer uit het raam
M’n mama zal niet komen, m’n mama is lang dood
Ze ligt al lang beneden, in de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw
In de eerste sneeuw

Hongerwinter

kauwenZe zijn met belachelijk veel, de kauwen die door het zwerk klieven. Zwerk is een ouderwets en enigszins literair aandoend woord dat in onbruik dreigt te raken en dat ik daarom in zijn eer wil herstellen. Ik mag graag een lans breken voor bedreigde diersoorten, dus kan ik het net zo goed opnemen voor in het nauw gedreven woorden zoals zwerk, dat hemel betekent, of uitspansel. Maar ik dwaal af, zij het niet met tegenzin.

Ik blijf me verbazen over het grote aantal kauwen dat zich in ons luchtruim ophoudt. Zelf heb ik heb daar allerminst bezwaar tegen, hoewel ik me soms over hun luidruchtigheid opwind, maar toch maakt enige bezorgdheid zich van me meester. Zullen die tijdens de komende winter allemaal voldoende mondvoor… eh … bekvoorraad vinden? Ik vrees van niet. Kauwen zijn bovendien niet echt wat je sympathieke vogels kunt noemen. Veel mensen zien liever hun hielen dan hun tenen, al ben ik er eigenlijk niet helemaal zeker van dat deze beeldspraak overeind blijft, want ik denk dat onze gevederde vrienden niet over hielen beschikken. Of toch? Wat ik probeer duidelijk te maken is dat weinigen bereid zijn om voedsel aan die inhalige veelvraten te verstrekken en dientengevolge de eetgelegenheden zo inrichten dat die ontoegankelijk zijn voor die nogal opdringerige spring-in-‘t-velden.

Ik vrees dat veel kauwen tijdens de komende maanden ─ ik kan de verleiding niet weerstaan om even een koddige woordspeling te gebruiken ─ niet veel te kauwen zullen hebben en gedoemd zijn om de hongerdood te sterven. Dat vind ik absoluut geen opwekkende gedachte. Het is eigenlijk te treurig voor woorden, dus hul ik me nu maar in een nimbus van peinzend zwijgen.

Overmaat schaadt

Toen ik vanmorgen het ledikant ontsteeg … Pfff! Ik stel de zaken veel mooier voor dan ze waren. Er was namelijk geen sprake van ontstijgen. Ik vrees zelfs dat er geen geschikt werkwoord bestaat voor de niet bepaald atletische of sierlijke wijze waarop ik mijn bed verliet.
 
Herstel! Ik gooi het noodgedwongen over een andere boeg. 

Toen ik vanmorgen opstond, voelde ik meteen dat dit een speciale zondag zou worden, al wist ik toen nog niet in wat voor opzicht. Ondertussen weet ik dat wel. Dit is een speciale zondag, want er zitten te veel uren in.

Ik ben dus eigenlijk een uur te vroeg uit de korf gekropen. 

En dan nog dit:

liefde

Tombe la neige

Ik heb zo van die bevliegingen …

Vanmorgen kreeg ik plots zin in knisperverse croissants met een lik boter en een kwak honing. De boter en de honing had ik in huis, maar die croissants niet, dus nam ik de kuierstokken en begaf me op weg naar het dorp en de aldaar gehuisveste bakker. Het duurde niet lang of het begon gemoedelijk te sneeuwen, waardoor er ras een lied in me opwelde: Leise rieselt der Schnee. Ik zette het op een zingen, weliswaar niet uit volle borsten     … eh … borst, want ik wilde niet voor gek lopen, maar eerder neuriënd en bijna net zo zacht als de leise rieselende Schneeflöckchen.

daklawineIn het dorp stuitte ik op een met een vlotte babbel gesierde kennis en terwijl hij me met woorden omstrengelde, ging het sneeuwpak op het dak dat zich boven ons uitstrekte onverhoeds aan het schuiven, om vervolgens gezwind het dak te verlaten en neer te storten op … Kunnen jullie het raden? Dan hebben jullie waarschijnlijk verkeerd geraden, want niet ik, maar mijn kennis was het slachtoffer. Ik deelde slechts in heel geringe mate in de brokken.

Desalniettemin zette dit ongelukje me aan het denken. Verslingerd als ik ben op in sneeuw gedompelde bergdorpen was ik van plan om eerlang naar het Zwitserse Engelberg te reizen. Ik kan daar namelijk gratis en voor niks logeren, hetgeen vanzelfsprekend mooi meegenomen is voor een spaarzaam, om niet te zeggen gierig mens. Bij nadere beschouwing zou ik dat echter beter niet doen. Het kan haast niet anders of ik zal daar onder een lawine terechtkomen. Ik kan wel wat leukers verzinnen. Zo is het in mijn geboorteland nu volop zomer … Ook daar kan ik gratis en voor niks logeren. Zou ik?

Op de tast

Als iemand het me vertelde, zou ik het slechts met moeite kunnen geloven. Ik ben er echter met eigen ogen getuige van geweest. Aangezien ik niet onder de invloed was van krasse vloeistoffen, verdovende substanties of ontgrenzende middelen en er al evenmin pillen in mijn lichaam werkzaam waren, durf ik er een eed op doen en er mijn hand voor in het vuur te steken dat het ook werkelijk gebeurd is.

kijkgatVanmorgen werd ik bijna van de sokken gereden door een auto, waarvan alle ruiten dusdanig bevroren waren dat ze geen enkel doorzicht boden. Alleen vooraan had de chauffeur een opening in het ijs gekapt, of veeleer een gat uit het ijs gekrabd, dat hem evenwel tot kokerkijken noopte. Wellicht had hij me daardoor niet gezien. Hij scheerde akelig dicht langs me heen en vervolgde doodgemoedereerd zijn weg, zich onbewust van de bloemlezing vloeken en verwensingen die ik hem nastuurde.

Iets verderop diende hij een voorrangsweg over te steken. Hij hield halt, opende het portier, stapte uit, keek links en rechts om er zich van te vergewissen dat de kust veilig was, dook toen snel zijn auto in, zette het op een rijden … en ramde de fietser die hij kennelijk niet opgemerkt had. Dat bleef gelukkig zonder ernstige gevolgen.

Van zulke mensen krijg ik het behoorlijk op mijn teringtietjes. Daar pleeg ik normaliter geen toegeeflijkheid aan te vergooien.
─”Ze moesten je een prent geven!” dacht ik.
Ik sprak die gedachte evenwel niet uit, om vooral geen golven te maken, ook al voelde ik me daar onbehaaglijk bij. Ik kon aan zijn gezicht zien dat hij het kokerkijken ook in het dagelijkse leven beoefende. Hij was het soort gast dat je beter niet snijdt op de autoweg.

Al op eenen nacht …

kerstkaart

Al op eenen nacht lag de wereld witgesneeuwd. De sneeuw, de lucht zat er vol van. Omhoog uit den grijzen hemel runselden en wervelden de vlokken als donkere kruimels, krieuwelden daar rond als een muggenzwerm; maar beneden was ‘t een spelen en wentelen als van dartele, witte vlinders, zacht, wattige brokken die gruisdikke dooreen draaiden, robbelden op en neer; of in schuinen val van overdweersch wevende draden, grondewaards schoten en daar stil, geruischloos, dood gingen liggen op de dikke, donzige, witte vacht …
Stijn Streuvels

In mijn hoedanigheid van groot boekenliefhebber ben ik nog er niet zo lang geleden in geslaagd om een eerste druk uit 1911 van Het Kerstekind van Stijn Streuvels bij mijn verzameling te voegen. Het eerste zinnetje ervan ─ Al op eenen nacht lag de wereld witgesneeuwd ─ heeft zich ooit in mijn hersens genesteld en is daar blijven wonen, om telkens op te duiken als ik in een witte winterwereld ontwaak. Vanmorgen was dat dus het geval.

Het is alsof ik met mijn hele hebben en houden op een ouderwetse kerstkaart terechtgekomen ben. Met de klaarte dartelde ik naar buiten, om met volle teugen van het schouwspel te genieten. Opeens echter ontdekte ik de voetsporen op de oprijlaan. Toen ik die volgde kwam ik eerst bij mijn voordeur terecht en vervolgens op mijn terras. Vannacht heeft er iemand rond mijn woning gescharreld. Wie? En met welke bedoelingen?

Nee, ik ben er absoluut niet gerust op. Dat krijg je dan als je nodig kluizenaartje wil spelen.

Al op eenen nacht lag den eenzaat in eenen grooten plasch bloed …