Tag: hygiëne

Slobberspul

Toen ik in de badkamer een kraan openzwengelde, proestte die het uit. Met horten en stoten, gesis en gepruttel, vergastte ze me vervolgens op gulpen modderige vloeistof in een bonte mix van ontlastingskleuren.

Dat bleef duren en twee uur later raakte ik dusdanig geagiteerd dat ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met de leverantie van leidingwater bemoeit. Ten prooi aan groeiende ergernis worstelde ik me doorheen het inmiddels onvermijdelijke en tijdrovende keuzemenu, hetgeen tot overmaat van ramp dan ook nog met pokkenmuziek gepaard gaat, tot ik uiteindelijk bij een persoon terechtkwam die me wist te vertellen dat men op de hoogte was van het probleem, dat door een ernstig lek veroorzaakt werd en nog wel eventjes kon aanslepen. Dat ‘eventjes aanslepen’ nam nog ruim acht uur in beslag, maar in de late middag kon ik opnieuw over deugdelijk water beschikken.

Nu heb ik daar toch een bedenking bij. Ik pleeg ‘s morgens vroeg, meestal in het halfduister, mijn koffiezetter te vullen. Stel dat ik niet zou merken dat er wat loos is en doodgemoedereerd begin te slurpen van een ochtendlijk bakje leut, dat ik met zulk vies water toebereid heb, waardoor ik niet veel later het hoekje omga, vermoedelijk om zeep …

Kan dat allemaal zomaar? Waarom eigenlijk, zo vraag ik me af, draait men de kraan niet helemaal dicht als er … eh … stront aan de knikker is?

Frisse jongens

waarschuwingWat ik hieronder beschrijf, is niet bestemd voor tere zielen of mensen met een delicate maag. Ik kan het weten, want ik behoor zelf tot beide categorieën. Zeg dus niet dat ik jullie niet gewaarschuwd heb.

De maand mei beantwoordt hoegenaamd niet aan wat ik er me in al mijn poëtisch gemijmer van voorgesteld heb. Het miezerige weer en de ongezellige temperaturen veroorzaken bij mij een humeur dat me naar een drankhol kan drijven en dat is wat ik gisteravond dan ook deed. Daar luisterde ik naar een gesprek dat zich tussen twee op pils lopende mannen ontspon.

De ene had nog niet zo lang geleden een hevig rochelende passagier naast zich in de auto gehad. Toen die er op een gegeven moment in slaagde om een fluim aan de oppervlakte te brengen, spuwde hij die gezwind de ruige ruimte van de natuur in. Hij had echter veronachtzaamd om de ruit neer te laten en … De man maakte aanstalten om in detail te beschrijven wat er toen gebeurde, maar de kastelein snoerde hem gelukkig de mond.   

Zoals dat in kroegen gebruikelijk is, probeerde zijn metgezel hem af te bluffen met een nog sterker verhaal. Hij had eveneens een reutelend persoon vervoerd en toen die zich van een opgehoeste kwalster wilde ontdoen, was die met de wind terug naar binnen gefloept en hem midden in het gezicht gepletst …

Nu mogen jullie zelf kiezen welke anekdote jullie het appetijtelijkst vinden.

Beroepsrisico

tandartsNog niet zo lang geleden is er een tandarts tot mijn kennissenkring doorgedrongen. Als ik hem ontmoet, probeert hij me altijd zijn wedervaren te vertellen, maar dan snoer ik hem meestal snel de mond, want ik heb echt geen affiniteit met beslagen tongen, al dan niet voortijdig verkrotte tanden, afgebrande kerkhoven, als rampgebied erkende gebitten en mensen die zo voortvarend uit hun das kegelen, dat enkel een in hun mondhoek opgehangen blokje toiletontgeurder ertegen opgewassen is.

Laatst was ik een beetje verstrooid, zodat ik hem niet tijdig het zwijgen oplegde. Toen het tot me doordrong dat hij opnieuw zijn stokpaardje bereed, had zijn relaas al the point of no return bereikt: het stadium waarop het van verregaande onbeleefdheid zou getuigen als ik hem alsnog onderbrak. In zijn stoel had een kwikzilverige deugniet plaatsgenomen, wiens tanden zo ver vooruit stonden dat ze zich in een andere tijdzone bevonden. Terwijl hij daar wat aan probeerde te doen, had die schobbejak moedwillig zijn bek dichtgeklapt en hem meedogenloos gebeten.

Men hoort niet te lachen met andermans ongeluk, maar ik deed het toch en zelfs van ganser harte.

Tjonge, wat heb jij mooie tanden! Hebben ze die ook in het wit?

Sensatie in de poepdoos

Onlangs zat ik me te vergapen aan een nogal hysterisch gemonteerd reclamefilmpje van Harpic Power Plus: een product waarmee men naar verluidt op onnavolgbare wijze toiletpotten kan schoonmaken. Ik aanschouwde hoe dat in zijn werk ging en de mannelijke commentaarstem op de achtergrond mat zich een bijna jubelende toon aan toen hij mededeelde dat de gel onder water van kleur veranderde, alsof er zich op dat moment een soort wereldwonder voltrok.

Nu ben ik een nogal kritische consument, dus vroeg ik me af wat voor nut deze kameleontische eigenschap wel kon hebben, want daaromtrent gaf de enthousiaste man in het filmpje geen uitsluitsel. Door een ongelofelijk toeval ontmoette ik korte tijd later een persoon die in connectie stond met Reckitt Benckiser: het bedrijf dat onder veel meer ook Harpic onder zijn vleugels heeft. Die wist me te vertellen dat de kleurverandering eigenlijk geen enkel nuttig effect heeft en louter bedoeld is als lokkertje.
“De mensen willen graag van iets magisch dromen”, verduidelijkte hij. “Ufo’s, het monster van Loch Ness, de Yeti … en een wc-gel die als bij toverkracht verkleurt. Daar kunnen ze mee uitpakken, dus willen ze ‘t hebben.”

Men moet tegenwoordig inderdaad aan alles een kleurtje geven, want anders krijgt men geen hond achter zich aan.

Ik heb helaas enkel de Engelstalige clip op internet aangetroffen en die verschuilt zich onder deze link.

Een knijpbriefje afvaardigen

neighboursIk zette de televisie aan om naar het nieuws van zes uur te kijken, maar dat zou nog bijna een halfuur op zich laten wachten. Om de tijd te doden vergastte men me op een aflevering van de Australische serie Neighbours. De omroepster gaf een beknopte samenvatting van hetgeen er stond te gebeuren. “Susan krijgt van alle kanten steun, nu bekend is dat zij en Carl gaan schijten”, zei ze.

Daar viel me toch de bek van open. Ik ben er me terdege van bewust dat we in vrijwel taboeloze tijden leven, maar daarom hoef je nog niet van de daken te schreeuwen dat je van plan bent om een bout uit te draaien. Er zijn grenzen. Ik besloot te kijken, niet omdat ik last heb van scatologie, want dat is geenszins het geval, maar omdat ik wilde weten waarom die Susan steun behoefde bij de intieme bezigheid die een bruine trui breien toch is, ook al doet ze dat kennelijk samen met ene Carl.

Jullie raden het al. Er was in heel die aflevering nergens een porseleinen pony te bespeuren, laat staan dat ik Susan en Carl hun ruggengraat zag verlengen. Omdat bleek dat ze van plan waren om te scheiden, vermoed ik dat de omroepster over haar tong gekakt had, om even bij het onderwerp te blijven. Ze zal zich wellicht versproken hebben, want ik weet heel zeker dat ze schijten zei.

Tja, de omroepsters zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.

Smeuïg

Mijn moeder had het culinaire equivalent van groene vingers. Ze kookte meeslepend. Zelf laat ik me ook niet onbetuigd. Ik kan nogal wat samengooien en net als mijn ma gebruik ik uitsluitend echte boter. Naar verluidt is dat niet goed voor mijn closetrol … eh … mijn cholesterol, maar daar zit ik niet zo mee. Een knispervers broodje, knapperig van korst, soepel en rul van kruim, met een flinke lik zilte boter en een plakje belegen Goudse kaas, of een sneetje zijig zachte Parmaham … Ja, doet u me daar nog maar een van. Dat is mijn kostje hoor.

Ik koop mijn boter in een hoeve, nauwelijks twee kilometer bij me vandaan, waar men die nog op ambachtelijke wijze bereidt. Nu ja, ambachtelijk … Het karnen gebeurt allicht niet meer met de hand, want er bestaan tegenwoordig machines die zich van die bewerkelijke taak kwijten, maar een smakelijker product heb ik tot op heden nergens aangetroffen.

Toen ik vanmorgen aan de ontbijttafel aanschikte, bleek het vlootje leeg te zijn. Ik diende me tot de koelkast te wenden, die ik van pakje vrij harde en derhalve onsmeerbare boter beroofde. Per microgolfoven probeerde ik dat op te lossen, maar ik ben een klunshark met zulke wonderlijke toestellen, zodat ik even later aan ‘t kliederen ging met het vloeibare vet dat ik eruit opdiepte.

Enkele maanden geleden bevond ik me in een op een adembenemende hoogte gelegen stulpje in het Andesgebergte. Daar zag ik hoe een moeder, die zich liefdevol aan het vieruurtje voor haar kroost wijdde en eveneens met te hard smeersel worstelde, telkens een klont boter in haar mond propte, die tot zachtheid kauwde en vervolgens op de voor haar kinderen bestemde boterhammen uitspuwde. Ik mocht mee-eten, maar daar heb ik beleefd voor bedankt.

Smakelijk!

Als liefde verwatert

Twee dames ─ vermoedelijk moeder en dochter ─ streken neer op een terras aan de rand van het plein. In hun kielzog dobberde een man ─ allicht de echtgenoot en vader ─ die ze waarschijnlijk zeer tegen zijn zin op sleeptouw hadden genomen tijdens hun eindeloze strooptocht door straten vol opgefokte consumptiewinkels en die bezig was de pijn van het zijn in zweet te verdrinken. Zijn hemd vertoonde indrukwekkende okselvijvers en in zijn pantalon kon men zowaar een reetriviertje ontwaren. Hij deelde het gezelschap mee dat hij eerst overtollig en hoogst opdringerig vocht uit zijn lichaam diende te verwijderen en verdween, op meewarige wijze nagestaard door vrouw en kroost.

De moeder zuchtte grondeloos diep en afficheerde toen onomwonden:
“Het is een regelrechte afknapper als je tot de ontdekking komt dat de persoon die je zo hartstochtelijk beminde voor ruim 70% uit water bestaat.”

Ik trok gelijk mijn zakboekje om haar bevinding te noteren, teneinde die vandaag met jullie te delen.

Een droogje en een natje

Ik was met vrienden op Walcheren in Zeeland. Je zult het nooit anders zien: we kregen honger en dienden noodgedwongen een restaurant binnen te treden, teneinde de inwendige mens te versterken.

Wie hier vaker komt lezen, zal inmiddels weten dat ik een haat-liefdeverhouding met voedselverstrekkende bedrijven heb. Ik kom er graag, omdat ik veel van de knap houd en van nature een nogal verwend verhemelte heb, maar meestal raak ik er ook in iets onverkwikkelijks verwikkeld, wat dan weer een domper op de eetvreugde zet.

We kwamen terecht in de grandeur van een door de horeca geëxploiteerd kasteel, waar uit de loog geborstelde kelners in een entourage van nostalgie en romantiek tussen met roze damast opgesmukte tafels laveerden en als het ware een ballet opvoerden. Er was daar alleszins op geen miljoentje gekeken. Het voedsel dat men ons voorzette, was overigens ook aan de lekkere kant.

Ik verwijderde me even om wat hygiënische handelingen te verrichten en toen gebeurde het. De wastafel was voorzien van een bijzonder fraaie en wellicht zeer antieke kraan. Ik draaide die open en terwijl ik in de spiegel naar mijn tanden grijnsde, kletterde de uitloopbek op de vloer en geiserde het water omhoog als de Old Faithful in het Amerikaanse Yellowstone Park.

Pas minuten later durfde ik naar het restaurant terug te keren, met een kop als een boei en een pantalon die de indruk wekte dat ik me flink had staan bezeiken. Ik had veel bekijks.

Blijven plakken

Mijn lezers van het eerste uur zullen zich misschien het wedervaren met treurige afloop van Filomeentje herinneren. Om jullie geheugen wat op te frissen, maar ook om niemand in het ongewisse te laten omtrent de laatste levensdagen van dat gezelschapsdiertje, citeer ik hieronder even wat ik daar toen, in Huisgenootje, over geschreven heb:

Onlangs dook er in mijn woonvertrekken plots een vlieg op. Jawel, een ordinaire huisvlieg. Aanvankelijk voelde ik me enkel vereerd dat het taaie insect mijn leefruimte uitgekozen had om te overwinteren, maar allengs raakte ik danig door het beestje gecharmeerd en maakte vertedering zich van me meester. Hoewel ik niet in staat was het geslacht van mijn gevleugelde huisgenootje te achterhalen, bedacht ik haar, of hem, met een welluidende naam: Filomeentje. Ons Filomeentje danste welgemoed door de kamers en streek af en toe neer bij de pantagrueleske maaltijd — een schoteltje met honing en aardbeienjam — die ik speciaal voor haar op de keukentafel neergepoot had. Nee, het ontbrak haar aan niets. Ik speelde zelfs met de gedachte om een leibandje voor haar te kopen, om haar mee uit wandelen te nemen, maar het heeft helaas niet mogen zijn.  Vanmorgen lag Filomeentje dood op de vensterbank. Waarschijnlijk heeft ze zich naar een hartinfarct toegevreten.

Hoewel ik dit jaar vooralsnog weinig last van vliegen heb, schafte ik me in de supermarkt toch een Vaponastrip aan. Dat dacht ik tenminste, want toen ik de verpakking openmaakte, bleek die niet het verwachte gele object te bevatten, maar de moderne versie van de ouderwetse vliegenvanger. Vroeger diende men zo’n bruingeel, uitermate kleverig lint uit een kokertje te trekken. Het ophangen daarvan eindigde meestal in een ontzettende kliederboel. Na een paar weken zag het ding zwart van de vliegenlijkjes en bood het allerminst een appetijtelijke aanblik. Afgrijselijk! In de nieuwste uitvoering is dat een strook met lijm bestreken karton en dat had ik dus gekocht. Als ik het niet gebruikte, kon ik net zo goed geld in de vuilnisbak gooien, dus heb ik het opgehangen … en gisteren heeft zich daar een vlieg op neergezet.

In doodsnood begon dat beestje te zoemen en uren later deed het dat nog steeds. Het was niet om aan te horen. Ik kreeg er wat van en vroeg me af hoe ik zou ik reageren als ik ergens in vastgelijmde toestand van honger en dorst dreigde om te komen. Wat zijn wij, mensen, bijwijlen toch wreedaardige schepsels.

Ik heb die vliegenvanger naar beneden gehaald en mee naar buiten genomen. Ik heb voorzichtig de vlieg losgemaakt en de vrijheid gegeven … en ik heb dat marteltuig gedumpt. Zo!

Weet je wat het is? Mijn inlevingsvermogen is te groot. Mijn moeder heeft voorspeld dat ik daar veel last zou van ondervinden.

WC-madam

Ooit moet ik het ergens gelezen of gehoord hebben: men dient net zoveel kattenbakken in huis te halen als het aantal aanwezige feliene dieren, dat dergelijke ontvangtoestellen als toilet gebruikt. Het weze mij veroorloofd om dat nogal overdreven te vinden. Stel je voor dat ook de mensen allemaal hun eigen pot zouden willen. Dat zou in talloze woningen tot plaatsgebrek leiden, vermoed ik.

Of het een juiste bewering is, weet ik niet, maar ik nam het zekere voor het onzekere en schafte me drie van die bakken aan, omdat — ik vertel geen nieuws — een kattentrio zich verwaardigt me gezelschap te houden. Ze staan strategisch opgesteld, teneinde te verhinderen dat ik er in al mijn onhandigheid voortdurend over struikel, terwijl ze tezelfdertijd toch makkelijk bereikbaar zijn voor een kat die zich eventjes terug wil trekken om … te schij … eh … om zich de handen te wassen, de lippen te stiften of de neus te poederen.

Eigenlijk zijn die bakken te mijnent een overbodige luxe. De dames kunnen zich immers dag en nacht via een kattenluik naar buiten begeven, om ergens in de ruige ruimte van de natuur een boutje uit te draaien of een plasje te plegen … maar nee hoor! Wat hadden jullie gedacht? Na hun uitje komen ze binnen, zo met een air van ‘o, wat hebben we toch weer een lol gehad in de struiken’ en dan stevenen ze regelrecht naar zo’n bak. Altijd en allemaal naar dezelfde!

Ik schat dat ik — in mijn hoedanigheid van WC-madam en pietje-secuur — twintig keer per etmaal hun favoriete toilet reinig en ik kan jullie verzekeren dat ik aangenamere karweitjes vermag te verzinnen. Terwijl ik ermee bezig ben, kan je er bovendien donder op zeggen dat ze net nodig moeten. Dan gaan ze in die andere bakken zitten scharrelen dat het een aard heeft, zodat ik die ook mag schoonmaken … terwijl zij ondertussen alweer in die eerste bak … Zo blijf je bezig natuurlijk. Er is geen aanhalen aan.

Ze doen het om me te sarren. Ik ben er zeker van. Soms zitten ze samen in een hoekje van die rare geluidjes te produceren. Ik vermoed dat ze zich dan vrolijk over me maken en een strategie afspreken om me op stang te jagen. Dolle pret!