Tag: hygiëne

De pijn van het zijn

Ik heb het hier nooit verzwegen dat ik er wat rare aanwensels en idiote hersenkronkels op nahoud, maar die zijn alleen maar bespottelijk en nooit hinderlijk, noch voor mezelf, noch voor anderen. Dat was niet het geval met de vrouw die ik gisteren tijdens mijn bezoek aan de supermarkt in het vizier kreeg en stiekem gadesloeg.

Ze bevond zich in de ruimte waar de boodschappenwagentjes in slagorde op klanten wachten. Uiterst nauwgezet poetste ze de hele stuurstang van het karretje dat ze wilde gebruiken met behulp van een vochtig zakdoekje. Toen ze daarmee klaar was, diepte ze zowaar een tweede zakdoekje op en ze herhaalde de hele procedure. Daarna pas waagde ze het de stang behoedzaam vast te nemen en het wagentje de winkel in te sturen.

En maar mens toch! Die dwangneurose heet smetvrees, geloof ik. Je zult er maar mee behept zijn en maandelijks een fortuin aan vochtige zakdoekjes moeten besteden.

Oorwurmpje

Ik was voor een veranderingetje aan het fietsen toen er zich een insect in mijn gehoororgaan vestigde. Nu is vestigen niet het werkwoord dat de lading dekt, want het beestje drong op nogal brutale wijze mijn schelp binnen, bleef steken in het gangetje dat naar mijn trommelvlies voert en begon daar luidkeels en nijdig te jammeren. God van de hoge hemel! Wat was dat een irritant geluid en dat bleef duren, want ik slaagde er maar niet in om de indringer uit zijn benarde positie te bevrijden, wat ik ook probeerde: peuteren, schudden, poken …

Dat geweeklaag duurde nog ruim tien minuten ─ ik kreeg er bijna letterlijk de hommel in het hoofd van ─ maar toen hield het plots op. Ik herinnerde me een voorval van een aantal jaren geleden ─ lees hieromtrent Allemaal beestjes ─ toen ik een autorit doorheen de laaiend hete Griekse Peloponnesus diende te onderbreken voor een ziekenhuisbezoek, omdat ik een bij of een wesp ingeslikt had, die me en passant een angel in de keel boorde, waardoor ik bijna stikte.

Eenmaal thuis ging ik over tot het reinigen van mijn orgaan. Op aanraden van mijn apotheker doe ik dat sinds enige tijd niet langer met wattenstaafjes of andere piefjes, maar met Audiospray: gefilterd en microbiologisch getest zeewater, dat ik in mijn oor spuit om mezelf als het ware een soortement hersenspoeling te bezorgen. Ik vind het absoluut geen aangename ervaring, want er gaat natuurlijk bijna niets boven het genot dat een wattenstaafje in een oor teweegbrengt. Let op mijn woorden: BIJNA niets.

Het insectenlijkje spoelde samen met het zeewater naar buiten. Het was een minuscuul ongediertje van een mij onbekend ras en dus des te verbazender dat het zulke door merg en been snijdende doodskreten kon slaken.

Ik draag al een helm en een zonnebril tijdens het fietsen. Zal ik me voortaan dan ook maar met oorbeschermers toerusten? Of kan ik beter meteen een gasmasker opzetten?

gasmasker2

Verspilling op het hummetje

closetpapierIk heb er geen idee van waarom het televisiezendertje ‘Vier’ de populaire quiz ‘De slimste mens ter wereld’ na tien uur ‘s avonds programmeert. Het lijkt me alleszins rijkelijk laat voor zij die ‘s morgens om den brode of wegens schoolverplichtingen het huis uit moeten. Ik behoor tot geen van beide categorieën en dat is maar goed ook, want ik ben een trouwe kijker en een nogal enthousiaste liefhebber van het programma. Er mag al eens gelachen worden, de presentator, Erik Van Looy, valt behoorlijk mee in de kook en ik kom iedere avond tot de verheugende vaststelling dat ik eigenlijk behoorlijk veel weet, ook al beperkt die kennis zich meestal tot volstrekt nutteloze zaken.

Zo vernam ik verleden week dat de gemiddelde mens tijdens zijn leven 1 300 000 velletjes toiletpapier verbruikt. Dat leek me zo buitengewoon veel dat ik me even aan het rekenen heb gezet, hoewel het jullie inmiddels bekend zal zijn dat dit een vaardigheid is die ik heel slecht beheers. Vanaf je geboorte tot je tachtigste verjaardag zou je dagelijks 45 van die velletjes naar de vernieling moeten helpen om aan dat cijfer te komen. Heremijntijd, dat haal ik op verre na niet. Ik behoor tot de gelukkigen die slechts één keer per dag op de porseleinen pony dienen plaats te nemen en meer dan tien blaadjes heb ik zelfs in het slechtste geval niet nodig. Vijfenveertig velletjes … dat is meer dan vijf meter closetpapier.

Nu zit ik me af te vragen … zou ik soms iets verkeerd doen?   

Slobberspul

Toen ik in de badkamer een kraan openzwengelde, proestte die het uit. Met horten en stoten, gesis en gepruttel, vergastte ze me vervolgens op gulpen modderige vloeistof in een bonte mix van ontlastingskleuren.

Dat bleef duren en twee uur later raakte ik dusdanig geagiteerd dat ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met de leverantie van leidingwater bemoeit. Ten prooi aan groeiende ergernis worstelde ik me doorheen het inmiddels onvermijdelijke en tijdrovende keuzemenu, hetgeen tot overmaat van ramp dan ook nog met pokkenmuziek gepaard gaat, tot ik uiteindelijk bij een persoon terechtkwam die me wist te vertellen dat men op de hoogte was van het probleem, dat door een ernstig lek veroorzaakt werd en nog wel eventjes kon aanslepen. Dat ‘eventjes aanslepen’ nam nog ruim acht uur in beslag, maar in de late middag kon ik opnieuw over deugdelijk water beschikken.

Nu heb ik daar toch een bedenking bij. Ik pleeg ‘s morgens vroeg, meestal in het halfduister, mijn koffiezetter te vullen. Stel dat ik niet zou merken dat er wat loos is en doodgemoedereerd begin te slurpen van een ochtendlijk bakje leut, dat ik met zulk vies water toebereid heb, waardoor ik niet veel later het hoekje omga, vermoedelijk om zeep …

Kan dat allemaal zomaar? Waarom eigenlijk, zo vraag ik me af, draait men de kraan niet helemaal dicht als er … eh … stront aan de knikker is?

Frisse jongens

waarschuwingWat ik hieronder beschrijf, is niet bestemd voor tere zielen of mensen met een delicate maag. Ik kan het weten, want ik behoor zelf tot beide categorieën. Zeg dus niet dat ik jullie niet gewaarschuwd heb.

De maand mei beantwoordt hoegenaamd niet aan wat ik er me in al mijn poëtisch gemijmer van voorgesteld heb. Het miezerige weer en de ongezellige temperaturen veroorzaken bij mij een humeur dat me naar een drankhol kan drijven en dat is wat ik gisteravond dan ook deed. Daar luisterde ik naar een gesprek dat zich tussen twee op pils lopende mannen ontspon.

De ene had nog niet zo lang geleden een hevig rochelende passagier naast zich in de auto gehad. Toen die er op een gegeven moment in slaagde om een fluim aan de oppervlakte te brengen, spuwde hij die gezwind de ruige ruimte van de natuur in. Hij had echter veronachtzaamd om de ruit neer te laten en … De man maakte aanstalten om in detail te beschrijven wat er toen gebeurde, maar de kastelein snoerde hem gelukkig de mond.   

Zoals dat in kroegen gebruikelijk is, probeerde zijn metgezel hem af te bluffen met een nog sterker verhaal. Hij had eveneens een reutelend persoon vervoerd en toen die zich van een opgehoeste kwalster wilde ontdoen, was die met de wind terug naar binnen gefloept en hem midden in het gezicht gepletst …

Nu mogen jullie zelf kiezen welke anekdote jullie het appetijtelijkst vinden.

Beroepsrisico

tandartsNog niet zo lang geleden is er een tandarts tot mijn kennissenkring doorgedrongen. Als ik hem ontmoet, probeert hij me altijd zijn wedervaren te vertellen, maar dan snoer ik hem meestal snel de mond, want ik heb echt geen affiniteit met beslagen tongen, al dan niet voortijdig verkrotte tanden, afgebrande kerkhoven, als rampgebied erkende gebitten en mensen die zo voortvarend uit hun das kegelen, dat enkel een in hun mondhoek opgehangen blokje toiletontgeurder ertegen opgewassen is.

Laatst was ik een beetje verstrooid, zodat ik hem niet tijdig het zwijgen oplegde. Toen het tot me doordrong dat hij opnieuw zijn stokpaardje bereed, had zijn relaas al the point of no return bereikt: het stadium waarop het van verregaande onbeleefdheid zou getuigen als ik hem alsnog onderbrak. In zijn stoel had een kwikzilverige deugniet plaatsgenomen, wiens tanden zo ver vooruit stonden dat ze zich in een andere tijdzone bevonden. Terwijl hij daar wat aan probeerde te doen, had die schobbejak moedwillig zijn bek dichtgeklapt en hem meedogenloos gebeten.

Men hoort niet te lachen met andermans ongeluk, maar ik deed het toch en zelfs van ganser harte.

Tjonge, wat heb jij mooie tanden! Hebben ze die ook in het wit?

Sensatie in de poepdoos

Onlangs zat ik me te vergapen aan een nogal hysterisch gemonteerd reclamefilmpje van Harpic Power Plus: een product waarmee men naar verluidt op onnavolgbare wijze toiletpotten kan schoonmaken. Ik aanschouwde hoe dat in zijn werk ging en de mannelijke commentaarstem op de achtergrond mat zich een bijna jubelende toon aan toen hij mededeelde dat de gel onder water van kleur veranderde, alsof er zich op dat moment een soort wereldwonder voltrok.

Nu ben ik een nogal kritische consument, dus vroeg ik me af wat voor nut deze kameleontische eigenschap wel kon hebben, want daaromtrent gaf de enthousiaste man in het filmpje geen uitsluitsel. Door een ongelofelijk toeval ontmoette ik korte tijd later een persoon die in connectie stond met Reckitt Benckiser: het bedrijf dat onder veel meer ook Harpic onder zijn vleugels heeft. Die wist me te vertellen dat de kleurverandering eigenlijk geen enkel nuttig effect heeft en louter bedoeld is als lokkertje.
“De mensen willen graag van iets magisch dromen”, verduidelijkte hij. “Ufo’s, het monster van Loch Ness, de Yeti … en een wc-gel die als bij toverkracht verkleurt. Daar kunnen ze mee uitpakken, dus willen ze ‘t hebben.”

Men moet tegenwoordig inderdaad aan alles een kleurtje geven, want anders krijgt men geen hond achter zich aan.

Ik heb helaas enkel de Engelstalige clip op internet aangetroffen en die verschuilt zich onder deze link.

Een knijpbriefje afvaardigen

neighboursIk zette de televisie aan om naar het nieuws van zes uur te kijken, maar dat zou nog bijna een halfuur op zich laten wachten. Om de tijd te doden vergastte men me op een aflevering van de Australische serie Neighbours. De omroepster gaf een beknopte samenvatting van hetgeen er stond te gebeuren. “Susan krijgt van alle kanten steun, nu bekend is dat zij en Carl gaan schijten”, zei ze.

Daar viel me toch de bek van open. Ik ben er me terdege van bewust dat we in vrijwel taboeloze tijden leven, maar daarom hoef je nog niet van de daken te schreeuwen dat je van plan bent om een bout uit te draaien. Er zijn grenzen. Ik besloot te kijken, niet omdat ik last heb van scatologie, want dat is geenszins het geval, maar omdat ik wilde weten waarom die Susan steun behoefde bij de intieme bezigheid die een bruine trui breien toch is, ook al doet ze dat kennelijk samen met ene Carl.

Jullie raden het al. Er was in heel die aflevering nergens een porseleinen pony te bespeuren, laat staan dat ik Susan en Carl hun ruggengraat zag verlengen. Omdat bleek dat ze van plan waren om te scheiden, vermoed ik dat de omroepster over haar tong gekakt had, om even bij het onderwerp te blijven. Ze zal zich wellicht versproken hebben, want ik weet heel zeker dat ze schijten zei.

Tja, de omroepsters zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.

Smeuïg

Mijn moeder had het culinaire equivalent van groene vingers. Ze kookte meeslepend. Zelf laat ik me ook niet onbetuigd. Ik kan nogal wat samengooien en net als mijn ma gebruik ik uitsluitend echte boter. Naar verluidt is dat niet goed voor mijn closetrol … eh … mijn cholesterol, maar daar zit ik niet zo mee. Een knispervers broodje, knapperig van korst, soepel en rul van kruim, met een flinke lik zilte boter en een plakje belegen Goudse kaas, of een sneetje zijig zachte Parmaham … Ja, doet u me daar nog maar een van. Dat is mijn kostje hoor.

Ik koop mijn boter in een hoeve, nauwelijks twee kilometer bij me vandaan, waar men die nog op ambachtelijke wijze bereidt. Nu ja, ambachtelijk … Het karnen gebeurt allicht niet meer met de hand, want er bestaan tegenwoordig machines die zich van die bewerkelijke taak kwijten, maar een smakelijker product heb ik tot op heden nergens aangetroffen.

Toen ik vanmorgen aan de ontbijttafel aanschikte, bleek het vlootje leeg te zijn. Ik diende me tot de koelkast te wenden, die ik van pakje vrij harde en derhalve onsmeerbare boter beroofde. Per microgolfoven probeerde ik dat op te lossen, maar ik ben een klunshark met zulke wonderlijke toestellen, zodat ik even later aan ‘t kliederen ging met het vloeibare vet dat ik eruit opdiepte.

Enkele maanden geleden bevond ik me in een op een adembenemende hoogte gelegen stulpje in het Andesgebergte. Daar zag ik hoe een moeder, die zich liefdevol aan het vieruurtje voor haar kroost wijdde en eveneens met te hard smeersel worstelde, telkens een klont boter in haar mond propte, die tot zachtheid kauwde en vervolgens op de voor haar kinderen bestemde boterhammen uitspuwde. Ik mocht mee-eten, maar daar heb ik beleefd voor bedankt.

Smakelijk!

Als liefde verwatert

Twee dames ─ vermoedelijk moeder en dochter ─ streken neer op een terras aan de rand van het plein. In hun kielzog dobberde een man ─ allicht de echtgenoot en vader ─ die ze waarschijnlijk zeer tegen zijn zin op sleeptouw hadden genomen tijdens hun eindeloze strooptocht door straten vol opgefokte consumptiewinkels en die bezig was de pijn van het zijn in zweet te verdrinken. Zijn hemd vertoonde indrukwekkende okselvijvers en in zijn pantalon kon men zowaar een reetriviertje ontwaren. Hij deelde het gezelschap mee dat hij eerst overtollig en hoogst opdringerig vocht uit zijn lichaam diende te verwijderen en verdween, op meewarige wijze nagestaard door vrouw en kroost.

De moeder zuchtte grondeloos diep en afficheerde toen onomwonden:
“Het is een regelrechte afknapper als je tot de ontdekking komt dat de persoon die je zo hartstochtelijk beminde voor ruim 70% uit water bestaat.”

Ik trok gelijk mijn zakboekje om haar bevinding te noteren, teneinde die vandaag met jullie te delen.