Tag: dieren

Des winters als het regent

Er bestaat een wijdverbreide opvatting dat een paard een nobel dier is, dat daarom aanspraak mag maken op het bezit van een hoofd en vier benen, in plaats van een kop en vier poten. Hoewel ik me als een vriend van paarden beschouw en zelfs de kunst versta om ze met enige behendigheid te berijden, blijf ik de mening toegedaan dat ze met een kop en poten toegerust zijn, net als alle andere dieren. Enkel mensen hebben hoofden en in de meeste gevallen ook benen.
  
Bestaat er, zo vroeg ik me onlangs af, een dramatischer tafereel dan de onzegbare droefheid van een paard dat zielsalleen in een weide staat te somberen, de kop enigszins neerwaarts geneigd en een van de achterpoten lichtjes opgetrokken? Neen, dacht ik, er bestaat geen aangrijpender, hartverscheurender of zelfs zieliger schouwspel.

Als ik in mijn geschriften een bedremmeld persoon opvoer, gebruik ik soms de uitdrukking ‘hij/zij stond daar als een paard in de regen’, zonder eigenlijk te weten waar ik die opgevist heb. Het is voorwaar heel goed mogelijk dat ik er zelf de bedenker van ben ─ soms sprankel ik ─ want als je dat zinnetje aan Google voorlegt, verwijst die je steevast naar Uilenvlucht. Ik stond nooit eerder stil bij de draagwijdte van dat beeld, tot vanmorgen. Een uur of wat geleden aanschouwde ik een paard dat in de regen stond. Het was te treurig voor woorden en het greep me dan ook in het gemoed. Ik zie me dus genoodzaakt om de tweede alinea van dit stukje te herschrijven.

Bestaat er, zo vroeg ik me onlangs af, een dramatischer tafereel dan de onzegbare droefheid van een paard dat zielsalleen in een weide staat te somberen, de kop enigszins neerwaarts geneigd en een van de achterpoten lichtjes opgetrokken? Ja, er bestaat wel degelijk een aangrijpender, hartverscheurender en zelfs zieliger schouwspel: een paard in de regen.

paarden

De dag van de loslopende dieren

Op het jaagpad langs het kanaal, in de buurt van Stalhillebrug, stormden plots drie koeien op me af, waardoor ik van de fiets moest om me achter een boom in de berm te verschansen. Ze waren blijkbaar ontsnapt en leken vast van plan om ten volle van de verworven vrijheid te genieten. Ze draafden me huppelend voorbij, met vrolijk heen en weer klotsende uiers en zwiepende staarten. Ik meende zelfs een triomfantelijke glimlach op hun muil te ontwaren, maar dat heb ik me vast ingebeeld, want deze uiting van vreugde is naar verluidt voorbehouden aan La Vache Qui Rit.

Tien kilometer later, in de bossen van het Vloethemveld, galoppeerde er plots een paard naar me toe: een schuimbekkende en ongezadelde schimmel, waarin ik het ros van Sinterklaas meende te herkennen, maar ook dat zal wellicht inbeelding van me geweest zijn, want volgens de kalender is zowel de goedheilig man als zijn vervoermiddel al naar Spanje teruggekeerd. Omdat zo’n op hol geslagen dier zich niet aan verkeersregels pleegt te houden diende ik me opnieuw achter een boom op te stellen.

Nog eens drie kilometer later stond er plots een loebas van een hond voor me in het midden van de weg. Ik kon bezwaarlijk van hem verwachten dat hij een vin zou verroeren, aangezien hij niet over zo’n orgaan beschikte, maar hij leek me ook niet van plan om een poot uit te steken, dus stapte ik ten derde male van mijn fiets, om hem uiterst behoedzaam te passeren. Hij zette weliswaar een smoel op alsof hij iets smerigs rook, maar hij liet me gelukkig ongemoeid.

Zou het vandaag de dag van de loslopende dieren zijn?

Daarna zag ik ook nog een sportieve fietser ─ nu ja, sportief? ─ die zich als loslopend wild, meer bepaald als een gefrustreerd konijn, gedroeg. Hij slingerde een autobestuurster op jaren, die zich nochtans aan geen enkele overtreding schuldig maakte, allerlei verwijten naar het hoofd omdat ze Zijne Doorluchtigheid enigszins hinderde. Waarschijnlijk wilde hij zich laten gelden omdat hij zich door het leven tekortgedaan voelde en slechts over een heel klein lulletje beschikte. De loeistrakke uitmonstering die hij voor het uitoefenen van zijn hobby meende te moeten dragen, verried immers wat hij in huis had en bij hem was dat alleszins niet veel zaaks.

De griet en de griezel

In al de jaren dat ik op deze aardkloot ronddobber, heb ik heel veel honden mogen aanschouwen, maar het exemplaar dat vanmorgen mijn pad kruiste, had het absoluut niet met zichzelf getroffen: het was zonder enige concurrentie het lelijkste mormel dat ik ooit heb waargenomen. God van de hoge hemel, wat was dat een ontzettende krates! Je kunt het je eigen haast niet indenken en dat gedrocht tartte zelfs elke beschrijving.

Men beweert soms dat een huisdier op zijn baas lijkt, of vice versa, maar dat was hier geenszins het geval, want het meisje dat deze aanfluiting van een viervoeter aan de lijn hield, zag er lang niet slecht uit. Wat zeg ik?! Ze was door een genie bedacht, met een schaartje geknipt en een plezier om naar te kijken.

Haar hond … of wat daarvoor doorging … besnuffelde geruime tijd een boomstam en het meisje raakte haar geduld kwijt.
“Allez vooruit, Beau!” zei ze en ze snokte aan de lijn. “Schiet eens een beetje op!”

Beau!? Die griezel was versierd met de naam Beau. Als wensdenken kon dat tellen. Tja, zoals Shakespeare al schreef: What’s in a name?

We blijven hoffelijk

Een van de dingen waarover ik me omstandig kan opwinden ─ en dat is hoegenaamd niet bevorderlijk voor mijn algehele welbevinden ─ is de nonchalance van sommige hondenbezitters, die het niet nodig vinden om hun viervoeter aan te lijnen als ze zich op de openbare weg begeven.

Op een pad dat enkel voetgangers en fietsers duldde, stond ik op het punt om een moeder met dochter in te halen toen uit de tegenovergestelde richting opeens een loslopende hond verscheen, van een model waarop een zadel niet zou misstaan. De eigenaar ervan volgde op vijftig meter.

Het meisje bleek een mongooltje te zijn. Naar verluidt hoort een weldenkend mens het woord ‘mongooltje’ niet meer te gebruiken, maar dat vind ik net zo’n flauwekul als het taboe dat vandaag de dag op neger en op Zwarte Piet rust. Mijn zusje ─ zij ruste in vrede ─ was een mongooltje en zo hebben mijn ouders en ik haar ‘afwijking’ altijd genoemd. Ik weet dus uit ondervinding dat veel mongooltjes een heilige schrik voor honden hebben. Dat was ook het geval met het meisje in kwestie. Ze sloeg in paniek en begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing. Het kostte de moeder alle moeite van de wereld om haar tot bedaren te brengen.

─”Misschien kunt u toch beter die hond aanlijnen”, vermaande ik de eigenaar van dat beest, niet eens op onvriendelijke toon.
─”Ge ligt gie oak nie vaste, zeveroare!” riep de man. (Jij ligt ook niet vast, zeveraar!)

Tja, waar bemoei ik me eigenlijk mee?

Nauwelijks vijfhonderd meter verderop stond ik plots oog in oog met tien ingespannen sledehonden, die bij gebrek aan zowel sneeuw als aan een slede in razende vaart een bemand tuig met wielen over het smalle pad sleurden en zodoende alle andere weggebruikers in de bermen joegen. De verwijten waren niet uit de lucht, want het gevaarte hoorde daar absoluut niet thuis en veroorzaakte ronduit gevaarlijke toestanden, maar de menner stoorde zich absoluut niet aan die protesten. Hij bleef die honden aanvuren en de hele breedte van het pad in beslag nemen.

Tja, waar bemoeiden wij ons eigenlijk mee?

Ik hoop dat de moeder en haar dochtertje de ontmoeting met deze schuimbekkende husky’s zonder al te veel misère overleefd hebben.

hondenspan - kopie

Borst vooruit!

De windhozen hebben mijn woning links laten liggen; de gretig graaiende bliksems beschouwden me niet als doelwit; het overvloedige hemelwater zorgde niet voor overlast.

Vanmorgen rolde er zowaar een schuchtere zon naar boven, dus haalde ik snel mijn fiets van stal om een tocht te maken. Ik constateerde dat de natuur inmiddels treuzelig aan de herfst begonnen is, hoewel we nog drie weken zomer voor de boeg hebben. Nu ja, de herfst vind ik anders ook best te pruimen. Het is zelfs mijn favoriete seizoen, tenminste zolang het niet al te hard waait.

Vervolgens besteedde ik wat aandacht aan de runderen die ik langs mijn weg ontmoette. Vraag me vooral niet waarom, maar ik heb wat met die beesten. Ik durf zelfs met ze te praten. Vandaag echter viel het me plots op dat koeien tegenwoordig geen hoorns meer dragen, hetgeen me zeer verbaasde. De koeien uit mijn jeugd voerden allemaal hoorns. Of vergiste ik me? Nee toch. Waar zou anders de uitdrukking ‘de koe bij de hoorns vatten’ vandaan komen? Daar moest en zou ik tekst en uitleg over krijgen, dus hield ik halt bij de eerste de beste landbouwer die ik op mijn weg ontmoette. Dat bleek evenwel een leraar op rust te zijn, die als hobby de ornithologie beoefende en laarzen aangetrokken had om over modderige akkers te ploeteren en door drassige weiden te zompvoeten. Vervolgens sprak ik een echte boer aan en die wist me te vertellen dat de hoorns dusdanig voor problemen zorgden in de moderne stallen, dat de dierenarts die al kort na de geboorte van het kalf verwijderde. En maar mens toch! Waar bemoeien wij ons eigenlijk mee? 

Gelukkig fietste ik even verder langs een weide met een dozijn ouderwetse koeien, die nog wel hoorns droegen.

Een kennis van me is onderwijzer in Brussel. Enige tijd geleden gaf hij zijn pupillen de opdracht dieren van de boerderij te tekenen. Een van hen schetste een koe met alles erop en eraan, hoewel …

koeienuier

Ik zou het goed gerekend hebben. Als sommige vrouwen hier te lande hun melkfabriekje op hun buik mogen dragen, krijgen de koeien van mij toestemming om de uier aan hun borst te hangen.