Jatmozen

“Alle beetjes helpen”, zei de mug en ze piste in de zee.

Ik was in de groenteafdeling van Colruyt en begaf me naar de plek waar aardbeien naar me lagen te lonken. Het zijn en blijven mijn favoriete fruitjes, vooral als ze uit de volle grond geboren zijn.

In nog niet zo lang vervlogen tijden kocht ik mijn aardbeien altijd op strompelafstand van mijn woning, meer bepaald in de hofstede van de abdij van Zevenkerken in Sint Andries bij Brugge, maar daar kwam een brutaal einde aan toen de teler ervan door een tragisch ongeval schielijk naar de Elysese velden afreisde. Naar verluidt wilden de vrome paters ─ benedictijnen ─ daarna hun akkers niet meer ter beschikking stellen van leken en zelf waren ze kennelijk te lui om te boeren, dus bleven die braak liggen en stierf ook de aardbeienverkoop aldaar na meer dan zestig jaar een schielijke dood, hetgeen ik en velen met mij ten zeerste betreur.

Ik dwaal echter af en keer nu gezwind terug naar de groenteafdeling van Colruyt, waar zich voor mijn ogen een merkwaardig tafereel ontvouwde. Een morsig vrouwmens, die zich zo te zien aan de verkeerde kant van de middelbare leeftijd bevond, eigende zich een bakje aardbeien toe en vulde de inhoud ervan aan met een viertal vruchten die ze doodgemoedereerd uit andere bakjes ontvreemdde.
“Krijg nu tieten!” mompelde ik binnensmonds en ik was nog niet helemaal van mijn verbazing bekomen, toen een andere vrouw op het toneel verscheen.

Die tilde de bovenste twee kratten op, koos een bakje uit het derde exemplaar, plaatste dat ter controle in de weegschaal die daar hing te hangen en vervolgens in haar winkelkar. Toen ze zag dat ik haar gadesloeg, haalde ze de schouders op en zei:
“Als je ‘t niet zo doet, krijg je geen waar voor je geld. Ze roven die bovenste krat leeg als waren ze merels en spreeuwen.”

Het spreekt vanzelf dat ik, gierig pietje-precies dat ik ben, haar voorbeeld volgde. De weegschaal verklapte dat ik iets meer dan vijfhonderd gram meenam naar de kassa, dus kreeg ik waar ik recht op had en waar voor mijn in het zweet mijns aanschijns en derhalve zuurverdiende centen.