Chaperonneren

Ik koos het fietspad dat zich als een aal in doodsnood doorheen een woud kronkelt, om ongeveer twee kilometer verderop opnieuw in de bewoonde wereld terecht te komen. Net voor ik het bos binnendrong, werd ik halt toegeroepen door twee zeer minderjarige schoolmeisjes.
–”Meneer, meneer!” mekkerden ze in koor met de zangerige modulatie die kinderen gebruiken als ze samen spelen.
–”Waarmee kan ik de dames van dienst zijn?” probeerde ik me een air te geven, nadat ik op allesbehalve elegante wijze mijn rijwiel ontstegen was en bijna op mijn bek toeterde.
–”Mogen we met u meerijden naar de overkant?” vroegen ze.
–”Er zitten nochtans geen wolven in het bos …” gnuifde ik, want ik ben niet alleen thuis de grappigste, maar soms ook als ik onderweg ben.
–”… maar wel louche venten”, vernam ik. “We zijn hier gisteren door zo’n ongure makaak achtervolgd en nu durven we niet meer alleen dat bos in.”

Als een onversaagde ridder beklom ik dus mijn stalen ros, nam de twee vermoedelijk nog maagdelijke deernen onder mijn hoede en bracht ze ongerept naar de overkant van het bos.

Waar is de tijd dat we ons met zijn allen onbezorgd in de vrije natuur konden uitleven? We zijn duidelijk niet lekker bezig nu. Hoe zou dat komen? Ik denk dat ik het weet, maar ik mag het niet hardop zeggen.