Tag: vogels

Op zoek naar de dodo

Jullie zullen ongetwijfeld gedacht hebben dat ik van de aardbodem verdwenen was, maar niets is minder waar, want hier ben ik weer! Onkruid vergaat niet.

Als ik vooraf niet aangekondigd heb dat ik er even tussenuit zou knijpen, dan was dat om te vermijden dat ongewenst bezoek zich tijdens mijn afwezigheid toegang tot mijn woning zou verschaffen, om zich op wederrechtelijke wijze mijn schamele bezittingen toe te eigenen.

Ik heb mezelf gedurende een paar weken zoekgemaakt op wat men in de wandeling een paradijselijke plek pleegt te noemen. In mijn geval was dat het eiland Mauritius, dat zich in de Indische Oceaan boven de zeespiegel verheft: een stuk van de hemel dat op aarde gevallen is en eigenlijk geen spek voor mijn bek, want wie daar wil verblijven, moet zich schreeuwend dure opwellingen kunnen veroorloven.

Mij is echter het geluk beschoren dat ik daarginds sinds jaar en dag een beroep kan doen op een vriend. Hij heet Hurrynarain, hetgeen zo’n ingewikkelde naam is dat we – zijn echtgenote en ikzelf – hem meestal Gyan noemen. Dat bekt lekkerder.

Als ik derhalve naar Mauritius reis, en dat heb ik inmiddels twee keer gedaan, hoef ik enkel een vliegbiljet aan te schaffen, want logies en voedsel worden me gratis verstrekt en dat scheelt vanzelfsprekend een slok op een borrel.

Ik dwaalde er door de botanische tuinen van Pamplemousses, bezocht het droomeiland Ile aux Cerfs en de watervallen van Chamarel, genoot van de bruisende hoofdstad Port Louis, vermeide me op waarlijk sprookjesachtige stranden en ging ook op zoek naar de fameuze dodovogel …

… maar die bleek uitgestorven te zijn. Dat is misschien maar goed ook, want de wereld heeft nooit een lelijkere vogel voortgebracht.

534867707

Anders

Het jaar 2016 geeft er vannacht de brui aan en de intrede van 2017 zal ongetwijfeld weer gepaard gaan met het gebruikelijke feestgedruis, waaronder het zeer door mij verfoeide vuurwerk. Mijn afkeer is niet gestoeld op een persoonlijke weerzin, maar op het besef dat zowel de huisdieren, als de wilde beesten en de vogels danig in paniek raken door dergelijk spektakel. Ze zullen ooit wel eens wraak nemen.

Ik stel dus voor dat we de rotjes, de luchthuilers en de gillende keukenmeiden laten voor wat ze zijn en in plaats daarvan voor een rustiger klank-en-lichtspel zorgen. Ik zal vanavond de vlam in wat kaarsjes jagen, enkele wierookstokjes opstoken en om middernacht een paar knallende scheten laten.

Ik wens jullie een even aangename jaarwisseling. 

In Vlaamse velden … 15

Ik passeerde een uitgestrekt tarweveld, in het midden waarvan ik een man ontwaarde, die zich wadend door de korenaren voortbewoog. Dat zou op zich niet het vermelden waard zijn, ware het niet dat hij onophoudelijk applaudisseerde. Ik vroeg me vanzelfsprekend af waarom hij dat deed en dat vraag ik me nog steeds af, want hoewel ik hem geruime tijd gadesloeg, maakte hij geen aanstalten om mijn richting uit te komen. Wel integendeel! Hij liep steeds verder van me weg en ik heb dus nog steeds het raden naar de reden van zijn niet te stuiten ovatie.

Iemand vertelde me dat hij waarschijnlijk van plan was om te oogsten, maar eerst de bewoners van het tarweveld, zoals akkervogels en hazen, wilde verjagen teneinde ze voor de nietsontziende maaidorser te behoeden. Het zou kunnen, al heb ik daar toch mijn twijfels over, maar waarom doet hij het dan wel? Wie het weet, mag het me zeggen.

Waar de meeuwen schreeuwen

Ik ga als dierenvriend in hart en nieren door het leven, al begin ik nu toch stilaan een hekel aan meeuwen te krijgen. Het zijn fraaie vogels, daar niet van, maar tot mijn grote ergernis vergrijpen ze zich telkens weer aan mijn vuilniszakken en hun gekrijs ─ kliauwen heet dat in het jargon ─ dringt door merg en been en is vermoedelijk schadelijk voor mijn trommelvliezen.  

Ooit heb ik een Franse perifrase aangaande meeuwen gelezen die me toentertijd kennelijk wel beviel, want ik heb er nota van genomen en kan die derhalve aan jullie opdissen, al vind ik nergens terug wie er de auteur van is:

Les mouettes sont des prophètes déguisés en oiseaux avec une allure angélique et une voix semblable à du gravier que l’on sort d’une tombe.

Meeuwen zijn als vogels vermomde profeten met een engelachtige allure en een stem die klinkt als grint dat men uit een graf opdelft.

Het heeft nog steeds iets, vind ik, al lijkt het opdelven van kiezels uit een graf me tegenwoordig enigszins vergezocht en toch zeker geen bezigheid die een gewone sterveling pleegt te verrichten of te beluisteren.

Sinds vanmorgen hebben meeuwen het compleet bij me verkorven. Ik wandelde naar het dorp toen boven me een klucht van die luidruchtige vogels  verscheen.
“Oed hiedre e kiè ollemolle juldre baheule!” riep ik in mijn platste West-Vlaams, wat men in het algemener Nederlands van De Fabeltjeskrant kan vertalen als: “Snaveltjes dicht!”
Ze sloegen geen acht op mijn woorden en bleven hun snavels roeren. Meer zelfs: een van die druktemakers voelde zich geroepen om in volle vlucht zijn gevoeg te doen en hetgeen hij uit zijn engelachtige lijfje perste, belandde met een pletsend geluidje op mijn schouder. Ik vloekte een aantal duivels uit de hel, spuwde in mijn zakdoek, wreef, poetste, boende geconcentreerd … en liep zodoende kledder tegen een verkeersbord aan, dat men neergepoot had als waarschuwing voor een put die men daar recentelijk gegraven had.

Dientengevolge ben ik vandaag alleen met een afstandsbediening te benaderen. Schijtende vogels en botsingen met obstakels horen thuis in filmpjes die men ter jolijt des mensen op internet aanbiedt, niet in het echte leven en zeker niet in mijn handel en wandel. Ik mag me nog gelukkig prijzen dat ik niet in die put gekukeld ben, want dan had ik misschien in het echt het geluid gehoord van grint dat men uit een graf opdelft. Ik moet er niet aan denken.  

Verzamelen geblazen

zwaluwen

Het is welhaast een eeuwigheid geleden dat ik dit tafereel nog aanschouwde: zwaluwen die zich kwetterend op draden verzamelen en aanstalten maken om naar het zuiden te vertrekken. Ook de exemplaren die zich onder mijn dakgoot gevestigd hebben, zijn duidelijk voorbereidingen aan het treffen. Dat ze dit al op de laatste dag van augustus doen, terwijl dat meestal pas in de tweede helft van september gebeurt, voorspelt volgens mij niet veel goeds. Zou er zich een vroege en/of strenge winter aankondigen?

Waar zijn mijn ski’s, dat ik ze inwax? O ja, ik kan niet skiën. En schaatsen ook al niet.

Vanmorgen vloog hij nog

Ik fietste net zo min als een vliegende reetscheet als met een slakkengang door de uitbundige bossen van het groendomein Beisbroek, een boogscheut ten zuiden van Brugge. En toen gebeurde het …

Uit het struikgewas aan mijn rechterzijde schoot plots een merel tevoorschijn. Hij merkte me te laat op, maar probeerde toch nog onbesuisd zijn voorrang van rechts te nemen en – hoe is het godsterwereld mogelijk!? – dwars doorheen mijn voorwiel te vliegen. De spaken produceerden een zingend geluid, veren dartelden in het rond als distelpluizen en de vermetele vogel stortte morsdood neer op het pad.

Ik was niet alleen erg geschrokken, maar ook ten zeerste ontdaan, dus hield ik iets verderop halt bij de brasserie Mary Tudor, om er enigszins van de doorstane emoties te bekomen.

MaryTudor

Deze door bossen omsingelde pleisterplaats beschikt volgens mij over een van de fraaist gelegen terrassen die men in de omgeving van Brugge kan vinden.

BrugseZotAan een belendend tafeltje hadden twee dames op leeftijd plaatsgenomen, die geheel uit voortreffelijkheid opgetrokken waren en klasse uitademden. Ze hielden een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande en dronken braafjes koffie tijdens dat onderhunsje, maar opeens besloten ze aan de flep te gaan en een biertje te likken. Ze wenkten de ober, bestelden elk een Brugse Zot en deden dat op samenzweerderige wijze, alsof ze zich voorgenomen hadden om een zonde te bedrijven en dan nog niet eens een dagelijkse zonde, maar meteen het betere werk: een doodzonde.

De Brugse Zotten verschenen prompt.
“Me goan e kè tikk’n”, zei een van hen en haar ogen flonkerden ondeugend.
Terwijl ze tikten, plooide ik een glimlach, want ik herinnerde me plots een bejaard stel dat enkele jaren geleden mijn levenspad kruiste en dat ik toen beschreven heb in Lief schroothoopje van me.

Me goan e kè tikk’n … Ik blijf het een hartverwarmend gebruik vinden.

Kanttekeningen ─ 4

Ik lees dat men in Knokke-Heist van plan is om het huisvuil eerlang ’s nachts op te halen, teneinde te verhinderen dat meeuwen de vuilniszakken openscheuren. Het valt me trouwens op dat meeuwen zich vandaag de dag veel dieper en in groteren getale in het binnenland ophouden dan vroeger het geval was, want ik heb ze al tientallen kilometer van de kust vandaan met vuilniszakken bezig gezien. Ook kan ik me niet van de indruk ontdoen dat vogels racistisch zijn, of in alle geval de segregatie toepassen. In krijsend groepsverband troepen de witte meeuwen samen in een weide, terwijl de al even luidruchtige, zwarte kauwen de weide aan de overkant van de straat inpalmen.   

Ik vernam dat de wielerzesdaagse van Zürich slechts vier dagen duurde. De sportjournalist die deze merkwaardigheid aan de televisiekijkers mededeelde, vond dat opvallend. Ik vind dat idioot.

Tijdens het veldrijden in Hamme vroeg een verslaggever naar de mening van een coach. “De laatste ronde zal beslissend zijn”, zei die met grote stelligheid. Tja, dat lijkt me niet meer dan logisch. De laatste ronde is volgens mij altijd beslissend.

Als er een woord is waar ik een absolute hekel aan heb en dat mij doet kippenvellen als ik het lees of hoor, dan is dat ‘overheerlijk’. Ik krijg er echt waar de riebels van!

De zanger Luc De Vos is gestorven. Zelf ben ik daar hoegenaamd niet ondersteboven van, maar talloze anderen wel en op de sociale media maken ze daar melding van. Op facebook zorgt dat voor een nogal vreemd fenomeen:

facebook

Is er oorlog in ‘t spel?

Ik mende mijn stalen ros … herstel … mijn aluminium ros door de zonnige zondag en genoot in niet geringe mate van wat ik aan het doen was. Ik legde aan bij een door de horeca geëxploiteerd boerderijtje, waar de pot onder meer scampi diabolique schafte: een gerecht dat ik ─ hoe zou het anders kunnen? ─ ‘duivels’ lekker vind. Vervolgens fietste ik vervuld van tevredenheid doorheen een landschap dat verten aaneenreeg. Geen geluid bezeerde de stilte … tot opeens:

veldkanon

Ik schrok me haast letterlijk een ongeluk van die enorme knal, want het scheelde echt niet veel of ik stuurde me van de weeromstuit bijna de sloot in. Wel godverdomme hier en gunter! Ik mocht wel denken dat veldkanonnen inmiddels verboden waren. Dat blijkt dus niet overal het geval te zijn. Van mij mogen ze daar dan dringend werk van maken. Die rustverstoorders zijn niet alleen buitengewoon hinderlijk, maar ongetwijfeld ook schadelijk voor de gezondheid. Ze sorteren overigens nauwelijks effect: bij ieder schot vliegen de vogels weliswaar even op, maar meteen daarna strijken ze opnieuw neer.

Doe mij maar van die ouderwetse vogelverschrikkers.

Niet meer normaal!

Ik vulde een boodschappentas met flessen en bokalen ─ die natuurlijk leeg waren ─ en begaf me op weg naar de glasbol. Die bleek echter verdwenen en luidens de aanwijzing op een bord had men het gevaarte helemaal aan de andere kant van het dorp neergepoot. Het moet gezegd dat ik niet bepaald met opgetogenheid kennis van die mededeling nam, want ik was per benenwagen onderweg.

Van een gemeentelijke plantsoenschoffelaar die ik even later ontmoette, vernam ik dat de verhuis plaatsgevonden had op vraag van eigenaar van het enige huis in de buurt van de container. Hij was namelijk een fervent beoefenaar van de duivensport en zijn gevederde atleten raakten geheel overstuur door het lawaai van vallend en brekend glas. Dientengevolge bracht men de glasbol dan maar naar de rand van een pleintje, waarrond zich wel twintig huizen bevinden, met allemaal bewoners bij wie de herrie van vallend en brekend glas als muziek in de oren klinkt.

Kom daar nu eens om!

Hongerwinter

kauwenZe zijn met belachelijk veel, de kauwen die door het zwerk klieven. Zwerk is een ouderwets en enigszins literair aandoend woord dat in onbruik dreigt te raken en dat ik daarom in zijn eer wil herstellen. Ik mag graag een lans breken voor bedreigde diersoorten, dus kan ik het net zo goed opnemen voor in het nauw gedreven woorden zoals zwerk, dat hemel betekent, of uitspansel. Maar ik dwaal af, zij het niet met tegenzin.

Ik blijf me verbazen over het grote aantal kauwen dat zich in ons luchtruim ophoudt. Zelf heb ik heb daar allerminst bezwaar tegen, hoewel ik me soms over hun luidruchtigheid opwind, maar toch maakt enige bezorgdheid zich van me meester. Zullen die tijdens de komende winter allemaal voldoende mondvoor… eh … bekvoorraad vinden? Ik vrees van niet. Kauwen zijn bovendien niet echt wat je sympathieke vogels kunt noemen. Veel mensen zien liever hun hielen dan hun tenen, al ben ik er eigenlijk niet helemaal zeker van dat deze beeldspraak overeind blijft, want ik denk dat onze gevederde vrienden niet over hielen beschikken. Of toch? Wat ik probeer duidelijk te maken is dat weinigen bereid zijn om voedsel aan die inhalige veelvraten te verstrekken en dientengevolge de eetgelegenheden zo inrichten dat die ontoegankelijk zijn voor die nogal opdringerige spring-in-‘t-velden.

Ik vrees dat veel kauwen tijdens de komende maanden ─ ik kan de verleiding niet weerstaan om even een koddige woordspeling te gebruiken ─ niet veel te kauwen zullen hebben en gedoemd zijn om de hongerdood te sterven. Dat vind ik absoluut geen opwekkende gedachte. Het is eigenlijk te treurig voor woorden, dus hul ik me nu maar in een nimbus van peinzend zwijgen.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme