Tag: Vlaanderen

Boerenbedrog

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik boven Vlaamse velden plotsklaps een roofvogel van niet geringe afmetingen aanschouwde, die daar hing te bidden, want zo heet die bijna roerloze activiteit. Onderstaande foto die ik van deze waarneming nam, is een beetje wazig. Ik diende immers op ruime afstand te blijven en flink in te zoomen, want het vogeltje dat in mijn camera huist ─ kijk eens naar het vogeltje! ─ was nogal bang van zijn grote soortgenoot.

roofvogel

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik even later ontdekte dat de roofvogel in kwestie aan een buigzame stok bleek vast te hangen en dat het dus eigenlijk een namaaksel betrof en niet meer dan een mobiele vogelverschrikker was.

roofvogel2

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik in Vlaamse velden plotsklaps een rosse gedaante ontwaarde, die daar een eigenlijk niet thuishoorde …

vos

… en bij nader toezien een vos bleek te zijn die mij aan het besluipen was…

vos2

… en zich bij nog nader toezien tot een plastieken geval ontpopte dat daar neergepoot was om ik weet niet wie of wat af te schrikken.

vos3

Die boeren! Ze worden met de dag vindingrijker.

“Niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt”, schreef de Utrechtse auteur C.C.S. Crone in lang vervlogen tijden. Hij had nog gelijk ook.

Opgeruimd

Plassendale

Op de plek waar de kanalen Gent-Oostende en Oudenburg-Nieuwpoort zich verenigen, vind je het sluizencomplex Plassendale, dat een beschermd dorpsgezicht is. Men ─ het stadje Oudenburg ─ heeft er een idyllische pleisterplaats ingericht met een half dozijn robuuste picknicktafels. Het is er heerlijk toeven aan de rand van het water, behalve tijdens de weekends. Dan krioelt het er immers van veelal luidruchtige wielerterroristen en van galeislaven in roeiboten, die vanaf de oever bijgestaan worden door fietsende trainers met roeptoeters die een herrie als een oordeel maken.

Op weekdagen is deze plek echter een oase van rust. Af en toe spartelt er een boot door het water; eenden spelevaren; vogels repeteren eindeloos; vissers zitten te vissen … en heel soms verschijnt er plots een vuilniswagen. Dat gebeurde gisterenmorgen toen ik daar zat. Een bemanningslid van dat voertuig bekommerde zich om de vier tjokvolle, overlopende bakken die daar opgesteld stonden, maar hetgeen op de grond lag liet hij ongemoeid.

Ik was daaromtrent in niet geringe mate verbaasd en diepte mijn cameraatje op, om deze aanfluiting van beroepsijver vast te leggen. Terwijl ik de opname maakte, kwam er een dame met een labrador aangewandeld. Of was het een labrador met een dame? Wie zal het zeggen? Ze begon de boel op te ruimen.
─”Dat ze dat niet meenemen!” gaf ik lucht aan mijn verwondering.
─”Daar worden ze niet voor betaald”, zei ze. “In hun contract staat dat ze die bakjes moeten leegmaken, maar niet dat ze het zwerfvuil dienen op te ruimen, dus doen ze dat ook niet.”
─”Heb je van je leven!” schuddekopte ik.
─”En daar!” vervolgde ze en ze wees naar een van de gebouwen. “Daar zitten vijf van die sluiswachters godganse dagen met hun tenen te spelen en met hun duimen te draaien, want veel bootverkeer is er hier niet, maar even naar hier komen om de boel netjes te houden … Vergeet het!”

Waarna we samen het zwerfvuil opruimden en opgeruimd onze weg vervolgden.

Plassendale2

Gebakken lucht?

In het stadje Oudenburg viel mijn oog op het uithangbord van een friettent met een originele naam: Hakuna Patata.

HakunaPatata

De bedenker ervan heeft zich waarschijnlijk laten inspireren door de titel van het beroemde lied, Hakuna Matata, uit de tekenfilm De Leeuwenkoning van Walt Disney Pictures. Daarbij heeft hij evenwel de betekenis ervan over het hoofd gezien. Hakuna Matata is Swahili en betekent letterlijk: er is/er zijn geen problemen. Als men die matata door patata vervangt, krijgt men dus: er is geen patat/er zijn geen frieten.

Dat zal vermoedelijk niet de bedoeling zijn, want een friettent zonder frieten is net zo erg als een café zonder bier.

Losse flodders

Tijdens mijn wandel- en fietstochten laat ik mijn gedachten de vrije loop en die gaan me daar toch een gang! Je leven zo niet! Om niets verloren te laten gaan van mijn als steekvlammen oplaaiende hersenarbeid heb ik altijd een digitaal dicteerapparaatje op zak en zodoende ook binnen handbereik, waaraan ik al mijn zielenroerselen toevertrouw, om die na afloop thuis te ziften en wat ervan overblijft als aantekeningen te bewaren voor als die ooit eens te pas komen.

Laten we even kijken wat ik verleden zondag zoal geoogst heb. Eos, de rozenvingerige dageraad ─ ja, ik dweep nog steeds met Homerus en andere oude Grieken ─ liet er geen twijfel over bestaan dat er een weldadige decembermorgen op til was, dus begaf ik me per benenwagen op weg om baldadig door herfstblaren te stappen, door weilanden te soppen en dartel in de natuur rond te raggen. 

Onderweg registreerde ik hetgeen volgt:

1.
Het valt me op dat er dit jaar bijzonder weinig kerstversierde tuinen, bomen en huizen te zien zijn. Zelfs de adventskransen op de voordeuren ontbreken. Ik sprak met een man die zich gewoonlijk aan buitenissige decoratie pleegt over te geven, maar nu geen aanstalten maakt om ook maar iets op te tuigen. Hij verklaarde ronduit dat hij bang is dat religieuze fanatiekelingen, die Kerstmis als een aanfluiting beschouwen, zich aan zijn eigendom zullen vergrijpen. Bij een vriend van hem hadden zulke onverlaten immers een zich buitenshuis bevindende kerststal vernield en tevens een ruit van zijn woning ingegooid. Is het werkelijk al zover gekomen?

2.
Waarom vertonen de meeste fietsers zo’n afgezakt smoel en een getourmenteerde gelaatsuitdrukking? Ruiken ze iets smerigs of zo? Ze moeten van mij niet onbedaarlijk veel plezier in het leven hebben, maar ze mogen toch best wat vrolijker kijken.

3.
Als mijn fiets een raar geluidje produceert, kan ik me daar verschrikkelijk over opwinden en moet dat meteen verholpen worden. Sommige mensen verplaatsen zich echter op ongegeneerd piepende, tikkende, kreunende en jammerende rijwielen en storen zich daar blijkbaar niet aan. Ik zou er het spetterend van krijgen.

4.
De meeste wegen brengen je langs keurige woningen met verzorgde voortuintjes. Fiets- en wandelpaden daarentegen voeren je soms langs de achterkant van diezelfde huizen. Je kunt je eigen haast niet indenken wat je daar allemaal aantreft aan rare bouwsels, afvalbergen en hopen schroot. Volgens mij staan er trouwens meer badkuipen in Vlaamse weiden en achtertuinen dan in Vlaamse badkamers.

De klapbloem en de korenroos

korenbloemen klaproos

Ik heb last van mijn geheugen. Niet dat ik dingen vergeet of zo. Wel integendeel! Ik onthoud veel te veel en meestal volslagen onbelangrijke zaken. Als ik bijvoorbeeld klaprozen opmerk, leggen mijn hersens onmiddellijk een verband met korenbloemen. In een ver verleden heb ik wellicht een gedicht, een lied of een prozatekst aan mijn geheugen toevertrouwd, waarvan alleen de titel ‘De klaproos en de korenbloem’ is blijven hangen. Ik ben te rade gegaan bij internet en heb daar ontdekt dat ene Remi Ghesquiere in lang vervlogen tijden inderdaad een lied met die titel geschreven heeft, maar omtrent de inhoud van dat meesterwerk laat men me in het ongewisse, hetgeen mij ten zeerste ergert, want als ik wat zoek, wil ik dat ook graag vinden.

Het ontbreekt Vlaanderen alleszins niet aan klaprozen. De Canadese dichter, John Mc Crae, had in 1915, tijdens De Groote Oorlog, al in de gaten hoe weelderig de poppies in Flanders fields blowden en dat is sindsdien niet veranderd. Wel zie je ze bijna nooit meer in het gezelschap van de veel zeldzamere korenbloemen, wat vroeger wel het geval was, meen ik me te herinneren. Tijdens mijn ongebreidelde wandel- en fietstochten speur ik nochtans vrijwel onafgebroken de ruige ruimte der natuur af, op zoek naar een plek waar die veldbloemen samenhokken, maar dat bleef zonder resultaat, tot ik ze anderhalve week geleden bij elkaar aantrof en vreugdevol hun samenzijn vereeuwigde. O, wat was ik blij! Een klein uur later werd ik aangereden door een motorfiets en belandde ik op krukken. O, wat was ik ongelukkig!

Ondertussen loop ik nog steeds op krukken, maar zodra ik weer goed ter been ben, ga ik op zoek naar bronsgroen eikenhout, waarin een nachtegaaltje zingt, en naar een mals korenveld, waarover het lied des leeuweriks klinkt. Ik denk dat ik me daarvoor naar Limburg zal moeten begeven. En terwijl ik toch bezig ben: ik zoek me al jaren het ongans naar de tekst van een moderne bewerking van een fabel ‘Le rat de ville et le rat des champs’ van Jean de La Fontaine. Ik herinner me enkel de beginregels en die klinken zo:
Je me lève. Je me frotte les yeux. Puis je regarde par la fenêtre. Quelle belle journée! Si j’en profitais pour aller voir mon cousin, le rat des champs …

Meer herinner ik me niet, maar die zinnen blijven dusdanig door mijn kop malen, dat ik graag het vervolg wil kennen. Ik houd me aanbevolen en ben bereikbaar via het contactformulier.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme