Tag: senioren

Uitgeblust

Ik had bij de bakker een paar appelflappen gekocht en wilde me met verlekkerde spoed naar huis begeven om die op te vreten, maar ik ontmoette een man die nu oud en der dagen zat was, maar in lang vervlogen tijden vaak met mijn vader zaliger optrok, waardoor ik me beleefdheidshalve genoodzaakt zag een gesprek met hem aan te knopen.

Zoals jullie hierboven zien, weet ik nog steeds de weg in volzinnen en mag ik er me graag aan bezondigen, ook al hebben leraren me op schoolbanken ingeprent dat ik me beter van korte, krachtige bewoordingen kan bedienen. Ik was en ben het nog steeds niet met ze eens, dus kan hun raad me aan de reet roesten.

Het gesprek dat ik in die frase vermeld, was eigenlijk geen gesprek, want zelfs de koetjes en de kalfjes bleven onaangeroerd, omdat de man zich uitputte in een jeremiade over het ouder worden, dat volgens hem gelijkstond aan een ramp die steeds weer toesloeg.
─”Ach,” sprak ik troostend, “zolang je nog ergens kunt komen en dingen kunt doen …”
Dingen kunt doen?! Laten we wel wezen: dat was ook niet bepaald een vooruitzicht waarmee je iemand kon opmonteren.
─”Ik kan nog veel dingen doen,” zei hij en hij haalde de schouders op, “maar ik doe niks meer.”
Dan ben je gauw uitgepraat natuurlijk.

Tja, ik kan er hier geen smartelijk boek over schrijven. Er rest me niets meer dan de weinig historische woorden ‘zo, dat heb ik ook weer gehad’ neer te pennen …

… maar desalniettemin waren die appelflappen verdomd lekker. Ik denk dat ik er nog twee haal.

Laat je niet kennen!

Ze was zo bejaard dat ze de Dode Zee nog gekend had toen die nog leefde, maar ze glunderde haar ouderdom weg. Haar gezicht vertoonde wellicht meer rimpels dan dat van een Egyptische mummie, maar die had ze vakkundig onder make-up bedolven. Ze stapte het restaurant binnen, begaf zich met resolute tred naar een tafeltje, installeerde zich en bestelde op kordate wijze een mojito, al vergiste ze zich wel even in de benaming van dat drankje, door de j als j en niet als g te gebruiken.

Even later maakte ze kenbaar dat haar keuze op mosselen in witte wijn gevallen was. Ze kreeg er een volle pot van, die vergezeld was van frieten, een slaatje en een karaf huiswijn. Ze bediende zich van een aantal frieten, wat sla, enkele schijfjes tomaat en een flinke klodder mosselsaus, maar merkte niet dat ze het zootje naast het bord op het tafellaken deponeerde. Een wit bord op een ondergrond van wit damast is geen ideale combinatie als je ogen je in de steek laten.

De kelner hielp haar uit de brand, maar even later stootte ze haar glas om en de inhoud ervan kwam in haar schoot terecht. Wrijvend, deppend en bettend probeerde ze zich te fatsoeneren. Hoewel ze het vervolgens op een geweldig eten zette, slaagde ze er niet in om de mosselpot leeg te ratsen, dus informeerde ze of ze wat overbleef mee kon nemen. Dat kon. Een emmertje met deksel bood uitkomst. Ze was zelfs heel blij met dat emmertje, want dat kon ze achteraf meenemen als ze haar man bezocht op het kerkhof.
“Ik ben nogal ‘kerkhofachtig'”, glimlachte ze verontschuldigend. “Zo’n emmertje is handig om de bloemen op het graf te begieten, maar de beschikbare emmertjes verdwijnen daar als sneeuw voor de zon.”

Ze vertrok met het optimisme van een missiepater, zij het met een iets onvastere tred dan bij het binnenkomen. Een mojito en een halve liter wijn ─ min één glas ─ kunnen dat teweegbrengen, maar ze hield zich kranig. Niet versagen, mevrouw!

Niet versagen!

Het restaurant waar ik zo nu en dan mes en vork in stelling breng, behelsde slechts vijf mensen: de ‘patron’, een kelner, twee heren die voortdurend in zakelijke gesprekken verwikkeld raakten en jullie nederige dienaar. Opeens echter zwaaide de deur open en er dobberde een schriele zestiger binnen, op onzekere benen en een stok.

Met enig gestommel nam hij plaats aan een tafeltje in mijn gezichtsveld en hij bestelde het menu van de dag. Prompt kreeg hij de daarbij horende kom soep voorgezet. Hoewel de man dapper lepelde, slaagde hij er nauwelijks in soep tot bij zijn mond te brengen. Parkinson bemoeide zich immers met zijn handen en hij spreidde een niet te onderschatten tremor tentoon, waardoor hij bijna letterlijk op zijn honger bleef zitten. Na veel gemors en geklieder vatte hij de kom tussen beide handen en dronk die leeg.

Ook de rundertong in maderasaus en de puree struikelden voortdurend van zijn vork, maar de man zette door met engelengeduld, of was het de moed der wanhoop?
“Laat je niet kennen!” moedigde ik hem binnensmonds aan, al had ik het eerlijk gezegd wel met hem te doen.

De koffie ging vergezeld van een glaasje advocaat en hij gaf te kennen dat hij geen alcohol mocht gebruiken, waarop de kelner hem op eigen initiatief een gebakje bezorgde, wat ik wel fideel van hem vond. De man begon het taartje te verorberen … nu ja, dat probeerde hij althans, want jullie hebben ongetwijfeld al begrepen wat er gebeurde.

Ik smeek de goden op mijn blote knieën dat ze me behoeden voor Parkinson en terwijl ze toch bezig zijn ook voor opa Alzheimer en oma Dementieva.

Jongensachtig verzet

Helemaal aan het begin van deze weldadige nazomerdag nam ik mijn kuierstokken en wandelde doorheen het bos en de dichte mist naar het dorp. De bomen gooiden me allerhande troep naar het hoofd: bladeren, eikels, beukennootjes en vaak nog in gemene bolsters verpakte kastanjes. Vlak voor me hield een vrachtwagen halt. Achter de voorruit ervan prijkte een bordje met de volgende mededeling:

jeugd

Het portier zwaaide open en uit de stuurcabine stuntelde een man tevoorschijn, die zo oud was dat hij wellicht de Dode Zee gekend had toen die nog leefde. Ik verwachtte dat hij ook nog een stok of zelfs een looprek zou opduikelen, maar dat bleek niet het geval.

Tja, jeugdsentiment is doorgaans de eerste ouderdomskwaal.

Een onvoltooid magnum opus

puzzelstukjeTijdens een digestieve avondwandeling werd mijn oog getroffen door een onderdeeltje van een legpuzzel, dat ooit veelkleurig was geweest, maar zich nu ietwat verfletst en ten prooi aan grote eenzaamheid op het asfalt neergevlijd had.
“Ach”, zei ik en ik loosde een ietwat meewarige zucht.

Jullie zullen het ongetwijfeld onnozel van me vinden dat ik bij zoiets stilsta, me de moeite getroost om daar een foto van te nemen en er nu zelfs een pennenvruchtje aan wijd. Ik kan het ook niet helpen dat zo’n kleine kleinigheid me in het gemoed grijpt. Het is een soort aanlegstoornis van me. Ik dacht namelijk meteen aan de persoon – opa Alzheimer of oma Dementieva – die met engelengeduld, heel veel enthousiasme en de moeite die eigen is aan de ouderdom een puzzel van wel honderd miljoen miljard stukjes probeerde ineen te flansen, om pas helemaal op het eind vast te stellen dat er een stukje ontbrak. Als afknapper kan dat tellen.

“Jouw inlevingsvermogen is te groot”, beweerde mijn moeder altijd. “Dat zal je nog vaak vies tegenvallen.”
Ze had nog gelijk ook, maar dat kan ik haar helaas niet meer zeggen.

Weten jullie wat ik me nu ook nog zit af te vragen? Waarom denk ik bij een puzzel eigenlijk nooit aan kinderen?

Bemoei je met je eigen bemoeisels!

Niet zonder omzichtigheid haalde ik een hoogbejaarde dame in die, fietsend op de rand van evenwichtsverlies, slechts moeizaam haar elektrisch aangedreven fiets in bedwang kon houden. Ze zwalpte als een herhaaldelijk aangeslagen bokser.

Iets later waren ook enkele recreatieve fietsers aan de beurt om haar voorbij te rijden.
─”De klep van je fietstas staat open!” hoorde ik een van hen roepen.
─”Ik weet het!” krijste ze.

Daarna duurde het niet lang voor de sportievelingen mij te grazen namen. De laatste in de rij keek me recht in het gezicht.
─”Je vrouw is achteropgeraakt!” wauwelde hij in het bijna onverstaanbaars, want hij had net een halve banaan in zijn mond gepropt.
Ik schoot in de lach en maakte aanstalten om hem van antwoord te dienen met: “Heeft men je niet geleerd dat je niet mag spreken met een volle mond?”
Ik slikte die riposte echter in. Veel wielertoeristen hebben namelijk een heel kort lontje. Dat weet ik uit ondervinding. Vandaag de dag heb je voor je ‘t weet verkeersagressie uitgelokt.

Bij de pinken

denksportEen wachtzaal vol mensen die de tijd proberen te doden. Naast me zit een man die de leeftijd van de zeer sterken bereikt heeft en toch nog goed bij zijn hoofd is, want hij worstelt met een kruiswoordraadsel.
“Vijf sterren”, zegt hij fier en hij glundert eventjes zijn ouderdom weg.
Om te bewijzen dat hij de waarheid spreekt toont hij me de omslag van zijn boekje, waarop ik inderdaad het cijfer 5 met een asterisk opmerk.

Dan kijken we beiden naar een slankgegorde reuzin die ons op zeer hoge, in loeistrakke jeans en laarzen geprangde poten voorbijstapt. Mijn buurman stoot mij aan.
“Vraag haar even of het koud is boven”, fluistert hij grinnikend.
Met een knorrend keelgeluid betuig ik instemming, laat ik blijken dat ik hem weliswaar niet veel, maar toch een beetje grappig vind. Ondertussen stapt het kingsize vrouwmens naar een geheimzinnige deur, waarachter zich luidens het opschrift de Commissie voor Ethiek ophoudt. Ze plooit zich ongeveer dubbel, om even door het minuscule luikje naast de kruk te loeren, waarna ze haar weg vervolgt.

Nauwelijks vijf minuten later herhaalt een andere vrouw deze procedure en vrijwel meteen daarna daagt er een struise boerenmeid op, die zich eveneens aan dat spieden bezondigt. Ik schiet in de lach, want ik vind het op zijn minst een rare, om niet te zeggen onnozele bedoening. Mijn buurman deelt in mijn vreugde. Hij buigt zich naar me toe en zegt:
“Er mag dan wel commissie voor ethiek op die deur staan, maar dat bespioneren vind ik toch niet echt een schoolvoorbeeld van ethisch gedrag.”
Opnieuw geef ik gnuivend blijk van mijn instemming.

Die puzzelaar mag dan misschien oud en der dagen zat zijn, maar hij is alleszins jong en lenig van geest gebleven. Misschien dat het oplossen van kruiswoordraadsels daarbij helpt. Weten jullie wat?  Ik zal straks zo’n vijfsterrenboekje kopen.

Rustverstoorders

Het liep tegen de middag en ik wandelde naar de abdij van Zevenkerken. Nee, ik was hoegenaamd niet van plan om me als postulant aan te melden, want ik leid een zondig leven, maar het klooster bevindt zich op strompelafstand van mijn woning en je kunt er heerlijk ronddwalen in de uitgestrekte bossen die tot het domein behoren. Er is een tijd geweest dat je er de prinsen Filip en Laurent kon ontmoeten, want die hebben daar op school gezeten. Het prestigieuze internaat biedt nog steeds onderdak aan kinderen uit erg gegoede kringen.

Er is ook een cafetaria, annex bistro, waar je ‘s middags tegen een democratische prijs een dagschotel kunt nuttigen. Gisteren was dat bijvoorbeeld een vispannetje met aardappelpuree of frieten. Aangezien ik wel honger had, maar geen zin om te koken, besloot ik van dat aanbod gebruik te maken. Het moet gezegd: het is er prachtig zitten, zowel op het grote terras als in de weidse boomgaard. Toen ik er arriveerde, kwam ik nog in een oase van rust terecht …

zevenkerken

… maar toen verschenen er plots wel dertig luidruchtige fietsers ten tonele, die luidens opschriften op hun kleding lid waren van Okra, hetgeen ─ ik heb het even moeten opzoeken ─ een ouderenvereniging is. Ze stalden hun rijwielen niet in de daarvoor bestemde rekken, maar klakkelings tegen bomen en ieder beschikbaar muurtje. Een paar van die luiden sleurden hun elektrisch aangedreven vervoermiddel zelfs het terras op, om via de daar aanwezige stopcontacten hun batterijen bij te laden. Dat werd ze verboden door de uitbaatster van de bistro, maar de senioren sloegen haar weigering doodgemoedereerd in de wind.

─”Kun je misschien even naar een ander tafeltje verhuizen, zodat wij onze fietsen kunnen opladen?” vroeg een van de ‘dames’ aan een zestiger, die in de buurt van de stopcontacten neergestreken was en net als ik een vispannetje verorberde.
─”Nee”, weigerde hij. “Ik zit hier te eten.”
Daarop begon de ‘dame’, bijgestaan door nog twee van die trutten van Troje, de stoelen rond zijn tafeltje weg te halen, om er hun fietsen onder te brengen. De man protesteerde fel ─ onbeschofte boerentrienen! ─ maar ze sloegen geen acht op zijn woorden en dreven zelfs de spot met hem.

Ik wou me met de zaak bemoeien met de mededeling dat zelfs wrattenzwijnen betere manieren hadden, maar toen verscheen de uitbaatster opnieuw en op een toon die geen tegenspraak zou dulden verbande ze alle fietsen naar de rekken. Het bevel werd haar niet in dank afgenomen, maar men gehoorzaamde.
─”Jullie zijn hier bij de paters”, hoorde ik iemand zeggen, “en hier gedragen we ons fatsoenlijk.”

De supporter

Ik vergezelde een vriend van me naar de opslagruimte voor bejaarden, waar zijn opa al enige tijd verblijft. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom keutelde de voorvader met ons mee naar de cafetaria, om er zich met welhaast kinderlijke gretigheid over een pater te ontfermen. Ik bedoel natuurlijk een trappistenbier, in dit geval van Westmalle. Hij glunderde als het ware zijn leeftijd weg toen hij het grote, onhandige glas naar de lippen bracht … en zich morsend benatte, omdat de man aan het belendende tafeltje uitgerekend op dat moment een soort oorlogskreet slaakte.
“Mascarpone!” riep hij krijgshaftig.

Opa depte per zakdoek het bier van zijn borst en ondernam een tweede poging, die ook bijna faliekant afliep, omdat onze buurman zich opnieuw luidkeels liet gelden.
“Orang-oetan!” schreeuwde hij.
“Camiel, het is nu welletjes geweest!” vermaande de barvrouw hem en even later kwam ze naar ons toe om ons tekst en uitleg te verstrekken.

Op een televisietoestel iets verderop voltrok zich een rit van de Ronde van Italië, waaraan ook de renners Scarponi en Urán deelnamen. Telkens als een van hen in beeld verscheen, voelde Camiel kennelijk de onweerstaanbare neiging om met luider stemme hun namen te vermassacreren.

Het was zijn jongensachtig verzet tegen de ouderdom en dat lijkt me nog altijd beter dan in een rolstoel zitten kwijlen.

Zet er je tanden in

Ik pleeg af en toe iets te gaan administreren bij een dame, die in lang vervlogen dagen bevriend was met mijn grootmoeder. Ze is derhalve oud en der dagen zat, maar ze glundert haar leeftijd weg en gedraagt zich nog steeds als een pittige, bij de pinken zijnde tante. Hoewel …
─”Ik heb verse soep gemaakt”, zei ze tegen me. “Op de ouderwetse manier nog wel, met soepvlees en een paar mergpijpen. Dat plakt aan de ribben. Bedien je maar als je trek hebt.”

soeptandenIk had trek, dus begaf ik me naar de keuken en roerde niet zonder enthousiasme in de robuuste ketel, die dampend op het fornuis stond. Terwijl ik dat deed, dook er een mergpijp aan de oppervlakte op. Hoewel het ding slechts een heel kort moment zichtbaar was, wekte het toch mijn argwaan, zodat ik het met de pollepel probeerde te vangen en tot mijn afgrijzen ontdekte dat ik het valse bovengebit van de gastvrouw opviste.

Op slag verging de trek me en ik diende inderhaast een allergietje voor te wenden om aan het eten van soep te ontkomen. De tanden heb ik open en bloot op het aanrecht achtergelaten, zodat ze haar meteen in het oog zullen springen als ze de keuken betreedt. Zou ze zich afvragen hoe die daar terechtgekomen zijn?

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme