Tag: rariteiten

Kabouter Spillebeens zitmeubeltjes

Ik ben er als kind ongeveer mee doodgegooid en de kleuters van vandaag de dag krijgen het ook nog voortdurend op hun bord. Ik heb het over het kinderlied, waarin kabouter Spillebeen zit te wiebelen op een rode paddenstoel met witte stippen.

Ik heb in mijn hele leven nog nooit zo’n paddenstoel ─ die eigenlijk vliegenzwam heet ─ in het echt gezien. Hoe is het godsterwereld mogelijk?! Ik begon zowaar te geloven dat die vegetatie aan de hersens van personen met een lenige fantasie ontsproten was.

Nu zijn er op nauwelijks dertig meter van mijn woning twee zulke groeisels uit de grond gekropen. Je houdt het niet voor mogelijk! Ik stond er vanmorgen met ogen als vleugeldeuren naar te kijken.

O, wat ben ik fier! Vooral dat kleintje vervult me met grote vertedering. Is het geen schatje?

vliegenzwam

Boerenbedrog

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik boven Vlaamse velden plotsklaps een roofvogel van niet geringe afmetingen aanschouwde, die daar hing te bidden, want zo heet die bijna roerloze activiteit. Onderstaande foto die ik van deze waarneming nam, is een beetje wazig. Ik diende immers op ruime afstand te blijven en flink in te zoomen, want het vogeltje dat in mijn camera huist ─ kijk eens naar het vogeltje! ─ was nogal bang van zijn grote soortgenoot.

roofvogel

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik even later ontdekte dat de roofvogel in kwestie aan een buigzame stok bleek vast te hangen en dat het dus eigenlijk een namaaksel betrof en niet meer dan een mobiele vogelverschrikker was.

roofvogel2

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik in Vlaamse velden plotsklaps een rosse gedaante ontwaarde, die daar een eigenlijk niet thuishoorde …

vos

… en bij nader toezien een vos bleek te zijn die mij aan het besluipen was…

vos2

… en zich bij nog nader toezien tot een plastieken geval ontpopte dat daar neergepoot was om ik weet niet wie of wat af te schrikken.

vos3

Die boeren! Ze worden met de dag vindingrijker.

“Niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt”, schreef de Utrechtse auteur C.C.S. Crone in lang vervlogen tijden. Hij had nog gelijk ook.

Waarom weet ik dit?

grashalmWe zijn met velen die met volle teugen genieten van de geur die opstijgt uit een pas gemaaid gazon of grasveld. Nu blijkt dat aangename aroma echter afkomstig te zijn van sneuvelende grassprietjes, die het luchtje uitstoten als waarschuwingssignaal voor hun soortgenoten, teneinde die ervan te verwittigen dat er gevaar dreigt. Wat we ruiken is dus eigenlijk de geur van paniek en angst.

Dit wetende, zal ik wellicht nooit meer met dezelfde onbevangenheid kunnen genieten van de geur die opstijgt uit een pas geschoren grasveld.

En jullie? 

Rare kwibussen

1.
Ik zat op een bank in de Brugse stationshal, wachtend op Godot … eh … op een kennis van me, die me graag een bezoek wilde brengen, maar niet over een vervoermiddel beschikte dat hem tot bij mijn woning kon brengen. 

Terwijl ik mijn tijd vermorste, zwaaide plots een deur open en op de drempel daarvan verscheen een wezen, dat ingeduffeld was alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Hij droeg een gebreide pomponmuts, een gewatteerde jas, een wollen sjaal van niet geringe omvang, een uitgelubberde drollenvanger en schaterrode kousen. Bovendien verplaatste hij zich op ski’s, waardoor hij zich met een nogal hanige en alleszins luid klabetterende tred voortbewoog, richting loketten. Daar merkte hij dat de latten onder zijn voeten hem verhinderden om bij de spreekopening te komen, dus draaide hij zich een kwartslag en benaderde zijdelings het ruitje. Het geroezemoes in de hal was volledig stilgevallen, omdat allen daar aanwezig hem in stomme verbazing aangaapten.

“Een retourtje Kitzbühel!” sprak hij met een declamatorische galm in zijn stem. Ik zag de bediende iets zeggen, maar kon hem niet horen. “Jij je zin!” schokschouderde de sportieveling. “Dan ga ik wel bij de concurrentie.” Hij schoof zich moeizaam naar het naastliggende loket en herhaalde zijn verzoek, maar ook daar ving hij bot. “Nou, dat schiet lekker op!” foeterde hij. “Wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Uit jullie neus te vreten?”

Hij schudde veelbetekenend het hoofd, draaide zich om, hoskloste naar de uitgang en verdween.

2.
Iedere zondagmorgen verschijnt op het marktplein van het dorp waar ik woon een reusachtige vrachtwagen, die zich na het openklappen van een der flanken ontpopt tot een kraam, waar men naast allerhande vlotte happen ook aan het spit gebraden kippen kan kopen, die trouwens erg lekker toebereid zijn, zoals ik al herhaaldelijk mocht ondervinden.

Terwijl ik mijn beurt afwachtte, verliet een ietwat versjofelde man een nabijgelegen drenkplaats. Hij was duidelijk behoorlijk aan de vracht, of toch zeker scheef geladen, want hij kwam met improviserende tred naar ons toe. Wankelend als een herhaaldelijk aangeslagen bokser stak hij een hand omhoog.
“Voor mij een goed doorbraden struisvogel!” bralde hij. Hij had zo’n stentorstem, waarmee je wellicht blij bent als je om hulp moet roepen. Hij vernam dat de struisvogels nog niet struis genoeg waren om ze aan een spit te rijgen. “Doe me dan maar een eenvoudig pintje”, matigde hij zich en men overhandigde hem zowaar een blikje bier. Hij kreeg het nog gratis ook!

Wacht maar! Volgende week … 

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.  
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

starnakel

In Vlaamse velden … 15

Ik passeerde een uitgestrekt tarweveld, in het midden waarvan ik een man ontwaarde, die zich wadend door de korenaren voortbewoog. Dat zou op zich niet het vermelden waard zijn, ware het niet dat hij onophoudelijk applaudisseerde. Ik vroeg me vanzelfsprekend af waarom hij dat deed en dat vraag ik me nog steeds af, want hoewel ik hem geruime tijd gadesloeg, maakte hij geen aanstalten om mijn richting uit te komen. Wel integendeel! Hij liep steeds verder van me weg en ik heb dus nog steeds het raden naar de reden van zijn niet te stuiten ovatie.

Iemand vertelde me dat hij waarschijnlijk van plan was om te oogsten, maar eerst de bewoners van het tarweveld, zoals akkervogels en hazen, wilde verjagen teneinde ze voor de nietsontziende maaidorser te behoeden. Het zou kunnen, al heb ik daar toch mijn twijfels over, maar waarom doet hij het dan wel? Wie het weet, mag het me zeggen.

Heb ik een tweede kop gekregen of zo?

Al fietsend kwam ik opnieuw en nog maar eens op een plek terecht waar alleen maar verte te zien was, hetgeen in het pretpark Vlaanderen nochtans geen sinecure is. Nu ja, ik overdrijf eigenlijk een beetje, want er bevonden zich wel degelijk twee woningen op mijn weg.

Bij het eerste huis hoorde een lapje grond, waarop zich een zwarte en uierloze geit ophield, zodat men geredelijk mocht veronderstellen dat het een bok betrof. Toen hij me in de smiezen kreeg, stormde hij op voortvarende en luidruchtige wijze naar me toe, maar werd in zijn vaart gestuit door een afsluiting. Christene zielen! Dat was geen blaten of mekkeren meer wat hij deed, maar ronduit krijsen alsof hij in een mes hing.

Het tweede optrekje, zo’n vijftig meter verderop, bezat een beveiligingsinstallatie van het type Rottweiler. Het beest kon mijn bloed wel drinken, maar aangezien een hekken verhinderde dat hij daartoe overging, zette hij het op een blaffen dat horen en zien verging.

Even later streek ik neer op een bank, om een appeltje te verorberen en een cola tot me te nemen. Talloze fietsers reden me voorbij en opeens viel het me op dat geen van hen enig protest bij de geit of de hond losweekte. Geen geblaf, geen gekrijs. Dat bevreemdde me dermate dat ik, eenmaal gelaafd en gespijsd, op de fiets klom en rechtsomkeer maakte, teneinde beide dieren nog een keer met mijn persoontje te confronteren. Heremijntijd! De hond trakteerde me op een blaffende woede-uitbarsting en de geit op gillende kwaadheid.

Nu vraag ik me natuurlijk af hoe dat zo komt. Waarom maak ik de duivel in die beesten wakker en anderen niet? Straal ik iets vijandigs uit? Heb ik een opjuttende geur? Zou ik soms een zombie zijn?

Nachthengsten

Ik slaap – lang – twee à drie uur – dan komt er een droom – nee – een beklemmende nachtmerrie. Ik voel goed dat ik in bed lig en dat ik slaap … Ik voel het en ik weet het … en ik voel ook dat iemand op me afkomt, naar me kijkt, me betast, op mijn bed klimt, op mijn borst knielt, mijn hals tussen zijn handen neemt en knijpt … uit alle macht knijpt om me te wurgen.
Ik verdedig me, maar die afschuwelijke onmacht die ons in onze dromen verlamt, houdt me vast; ik wil roepen – ik kan het niet – ik wil bewegen – ik kan het niet – uit alle macht, hijgend, probeer ik me om te draaien, dat wezen dat me verplettert en verstikt van me af te werpen – ik kan het niet!
En plotseling word ik wakker, vertwijfeld, badend in het zweet. Ik steek een kaars aan. Ik ben alleen.
Na die crisis die elke nacht terugkeert, slaap ik eindelijk rustig tot de ochtend.
Guy de Maupassant

In februari van dit jaar verscheen hier het pennenvruchtje: Ik droomde dat ik sliep. Daarin maakte ik melding van een hoogst merkwaardig fenomeen, waardoor ik ‘s nachts schijnbaar ontwaakte, me bedreigd voelde door een onmiskenbaar kwaadaardige aanwezigheid in mijn kamer, maar geen vin kon verroeren en dus weerloos overgeleverd was aan de moordzuchtige demon, tot ik er ten prooi aan levensgrote paniek in slaagde om mijn lichaam het bed uit te schuiven en te ontwaken toen ik met een smak op de vloer terechtkwam.

Het is helaas niet bij die ene keer gebleven. Wel integendeel! Ik heb sindsdien steeds vaker last van dergelijke nachtmerries. Wat zeg ik?! Dat zijn geen nachtmerries meer, dat zijn regelrechte nachthengsten. Ik begeef me iedere avond met tegenzin naar bed, bang voor wat er misschien aan zit te komen, en ik zie me genoodzaakt om het ledikant met kussens te omringen, zodat ik in voorkomende gevallen minder brutaal te gronde ga.

Ik heb er met mijn dokter over gesproken. Tot mijn verbazing wist hij meteen waar ik het over had en hij kon het fenomeen zelfs benoemen met een geleerde naam, slaapparalyse, en met het Nederlandse equivalent ervan: slaapverlamming. Hij bazelde ook nog wat over hallucinaties en hypnagogische waarnemingsstoornissen, maar verklapte toen opeens dat hij er eveneens last van had. Hoewel het verschijnsel al sinds mensenheugenis bestaat, is het nog relatief onbekend. Men weet vooralsnog niet wat de oorzaak ervan is, of hoe men het kan onderdrukken. Hij gaf me de raad mee om vooral niet in paniek te raken als het gebeurde, maar rustig te proberen om eerst één vinger te bewegen, vervolgens de hele hand, daarna de arm … enzovoorts en zo verder.

Ik vond dat een nogal onnozele remedie en ik had er dan ook bedenkingen bij, maar tijdens de voorbije nacht kon ik die aan de praktijk toetsen en het is me warempel nog gelukt ook: ik ben ontwaakt zonder uit mijn bed te vallen.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme