Tag: rampen

Het had erger gekund

We zitten (liggen, hangen, staan etc.) volop in de hondsdagen ─ de warmste, indien al niet de heetste dagen van het jaar tussen 19 juli en 18 augustus ─ al valt daar in Belgenland en de belendende percelen vooralsnog bitter weinig van te merken. Ik had het plan opgevat om gisteren samen met mijn spitsbroeder, Reinhold, een uitstap te maken, maar het was zulk bedremmeld weer dat we besloten thuis te blijven.

We keken naar het middagjournaal en zagen dramatische beelden van bosbranden in het diepste zuiden van Frankrijk, meer bepaald in het departement Var. Kampeerders waren ijlings op de vlucht gegaan, om achteraf te ontdekken dat hun hele hebben en houden aan de vlammen ten prooi gevallen was. Ze zaten compleet uit het veld geslagen op een bank in de zon en aanschouwden de ravage met lede ogen.
“Ze hebben er wel mooi weer bij”, stelde Reinhold flegmatiek vast.

Ik beleefde daar monumentaal veel plezier aan. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren.

Zouden er ook sprinkhennen bestaan?

Egypte wordt geteisterd door een sprinkhanenplaag. In dichte drommen zijn naar schatting dertig miljoen van die griezels tijdens het voorbije weekend in de buurt van Caïro neergestreken. Het Egyptische ministerie van Landbouw heeft vanzelfsprekend de grote middelen ingezet om het hoofd te bieden aan deze invasie en het duurde dan ook niet lang of ze kwamen met een geruststellende mededeling.

sprinkhanen

Ik heb daar toch een paar opmerkingen bij:

1. 17.452 gesneuvelden op een totaal van 30.000.000 mansch… eh … sprinkhaanschappen vind ik allerminst een resultaat waarmee men kan uitpakken.
2. Hoe kunnen ze het aantal slachtoffers zo nauwkeurig bepalen?
3. “Nearly 17.452”, beweren ze. Wat is dat nu voor nonsens? Als je een precies getal opgeeft, hoort daar geen ‘bijna’ of ‘ongeveer’ bij, want dat sorteert een onnozel effect. Bijna en ongeveer gebruikt men enkel bij een rond getal dat het werkelijke aantal benadert: in dit geval dus bijna 17.460 of ongeveer 17.400).

Zo! Ik heb mijn portie muggenziften weer gehad en kan me nu met opgewekt gemoed aan de dagtaak wijden.

Geef haar eens ongelijk!

vliegtuigcrashIk heb eindelijk uitsluitsel gekregen omtrent een kwestie die de mensheid al ruim een eeuw en mij in het bijzonder al jaren bezighoudt:

Waar zit je het best om een vliegtuigcrash te overleven?

Zelfs het rijkelijk van allerhande weetjes gestoffeerde internet vermag daar geen afdoend antwoord op te geven.

De vraag kwam gisteren aan bod tijdens een televisiequiz, waarin al eens gelachen mag worden. De aan de beurt zijnde kandidate hoefde niet eens lang na te denken om ons met haar antwoord te verrassen.
─”Thuis!” zei ze op een toon die geen tegenspraak zou dulden.

Als een vliegtuig niet op de gebruikelijke manier op de begane grond afstevent, kun je inderdaad beter thuis zitten, op voorwaarde dat het neerstortende gevaarte niet op het dak van jouw thuis terechtkomt natuurlijk, maar dat zou een aan het ongelofelijke grenzende tref zijn.

Koudwatervrees

asteroideVanmorgen joeg een als krantenkop vermomde onheilstijding me de koude koorts op het lijf: A giant asteroid is set to buzz Earth next week.

De asteroïde Toutatis, die op een reusachtige pinda lijkt en zomaar eventjes 4,46 kilometer lang en 2,5 kilometer breed is, zal naar verluidt volgende week ─ meer bepaald op 12 december ─ rakelings langs onze aardkloot scheren. Deze mare haalde een lelijke streep door mijn rekening. Volgens de Maya’s zou de wereld het nog tot 21 december uitzingen, maar nu wilde een vermaledijde en overmaatse pinda ons van die laatste week beroven. Er stak een licht onbehagen in me op, want ik heb nog zoveel te doen.

Ik las verder en vernam zodoende dat het feitelijk zo’n vaart niet zou lopen. Toutatis zal ons tot op ongeveer 6,9 miljoen kilometer benaderen en dat is meer dan 18 keer de afstand van de aarde naar de maan. Dat noemen astronomen rakelings scheren. Het zal eenieder duidelijk zijn dat zij de dingen nogal groots zien en bovendien licht ten prooi vallen aan overdrijving.

Zo, en nu nog even het appeltje van die Maya’s schillen.

Het waaide opwindend

sandy

Sandy beheerst al een paar dagen het nieuws. Zij is een baldadige orkaan die aan de overkant van de oceaan wind zaait en storm oogst.

De televisie toonde gisteren beelden van hoe men zich daarginds op haar komst voorbereidde. Zo zagen we een huis waarvan alle vensters op vakkundige wijze gebarricadeerd waren. Het borstelde een glimlach op mijn gezicht. In weerwil van de dramatische omstandigheden had men het immers bestaan om de houten schutten van een aan Sandy gerichte boodschap te voorzien. “Go away, Sandy!” stond er in niet mis te verstane oorlogsletters en zelfs het uitroepingsteken was niet vergeten, al had het kennelijk niet veel gescheeld.

Volgens de laatste berichten heeft Sandy zich niets van die vermaning aangetrokken. Ze is haar eigengereide gang gegaan en liet een spoor van dood en vernieling in haar kielzog achter.

Sandy is ondertussen al enigszins bekoeld. Ze is geen orkaan meer, maar een ordinaire storm die eerlang de oceaan zal oversteken. Het zou me niet verbazen als ze niettegenstaande haar aftakeling binnen afzienbare tijd in onze contreien alsnog wat stof doet opwaaien. En bladeren. Vooral bladeren.

Oude koeien?

Hoewel ik absoluut geen hypochonder en al evenmin een ingebeelde zieke ben, maakte ik me vanmorgen bij het ontwaken toch zorgen. Ik had namelijk erge koppijn en meteen flitste een bijzonder onaangename gedachte door mijn hoofd: ik zal toch zeker niet met een hersentumor opgezadeld zitten?

Ik zou me ‘s morgens vroeg liever aangenamere dingen voorstellen, zoals bijvoorbeeld schaars geklede, van wulpse lichaamsdelen voorziene … ach, verzinnen jullie zelf maar iets waar jullie met plezier aan denken. Smaken en voorkeuren verschillen nu eenmaal. In mijn geval horen kwaadaardige gezwellen daar zeer zeker niet bij. Mijn migraine verschrompelde na een kop koffie, maar die hersentumor liet me nog niet los. Ik zal jullie vertellen hoe dat komt.

Er is bij ons in het dorp onlangs een man overleden. Dertig jaar was hij, of daaromtrent. Hij blaakte van gezondheid en levenslust, maar op een dag merkte zijn echtgenote dat hij zich verward gedroeg en vreemde zinnen uitkraamde. Een etmaal later herkende hij al niemand meer en nog geen twee weken na die eerste symptomen is hij gestorven aan een hersentumor. Denk nu niet dat ik er lustig op los fantaseer, want dat doe ik niet. Ik heb deze onverkwikkelijke historie van dichtbij meegemaakt en ik doe de waarheid werkelijk geen geweld aan.

Toen ik me gisteren in de dorpskroeg vertoonde, informeerde men naar de gezondheidstoestand van een vriend van me die nu spoedig het gevecht met pancreascarcinoom zal verliezen. Omdat hij bijna alle bezoek weigert — ik behoor tot de uitzonderingen — verkeert men in het ongewisse omtrent zijn toestand. Tumoren en kankers vormden een wijle het onderwerp van gesprek. Christene zielen! Ik kan me toch heus wel een aangenamere conversatie voorstellen, maar je houdt het niet tegen.

─”Dat hebben we allemaal aan Tsjernobyl te danken”, zei een heer die een verstandige bril op zijn neus had staan. “We hebben toen wat over ons heengekregen!”
─”Da’s twintig jaar geleden”, opperde iemand.
─”En nu begint het pas”, voorspelde de onheilsprofeet. “De overheid heeft er alles aan gedaan om de ernst van de zaak te verhullen en in de doofpot te stoppen. In Nederland hadden ze nog een graasverbod om besmetting van de melk te voorkomen en was het verkopen van bladgroente verboden. In België deden ze alsof hun neus bloedde. Wie toen bijvoorbeeld sla gegeten heeft, zal daar nu binnenkort de gevolgen van ondervinden. De hemel weet wat Fukushima voor ons in petto heeft.”

Zou ik zesentwintig jaar geleden sla gegeten hebben? Da’k het niet weet en ik kan het ook niet meer aan mijn moeder vragen, want die is gestorven … bezweken aan de schade die kanker ijverig in haar had aangericht. Ik heb de hele avond zitten piekeren en daar heb ik koppijn van gekregen. Of zou er zich toch een hersentumor aankondigen?

Sodom, Gomorra en Pompeji

C’est une fête toute napolitaine, Monseigneur, nous dansons sur un volcan.
Narcisse-Achille de Salvandy

Samen met een Argentijnse vriend en reisgezel heb ik ooit met ware doodsverachting de Vesuvius beklommen … eh … bedwongen. Men bedwingt een berg. Als dat dan ook nog een vuurspuwende berg is, moet men zowel de berg als zijn angst bedwingen, want dat zijn lang geen ongevaarlijke toestanden waarin men zich begeeft. In ons geval liep het waagstuk goed af: we daalden zonder kleerscheuren of brandwonden en in heelhuidse gesteldheid van dat ventiel van Moeder Aarde neer. We hadden de begane grond nog niet helemaal bereikt of er lag reeds een andere bezienswaardigheid op ons te wachten: de overblijfselen van het eens zo florissante en o zo decadente Pompeji.

In het begin van onze jaartelling was dit stadje de zomerverblijfplaats en het lustoord van de rijke Romeinen … een Italiaans Knokke-Zoute met andere woorden. Er heerste daar een zeer ongedwongen, ja zelfs ronduit losbandig sfeertje. Onkuisheid en ontucht dat er daar bedreven werd! Hohoho! Daar hebben jullie werkelijk geen idee van en ik evenmin, maar we proberen het ons toch een beetje voor te stellen, nietwaar?

Op 24 augustus 79, om elf uur in de morgen, weerklonk opeens een buitengewoon luide knal. De top van de Vesuvius vloog de lucht in en de aarde spuwde haar ingewanden uit. Gedurende twee dagen regende het stenen en allerhande troep op Pompeji, dat allengs bedolven raakte, en wie probeerde te vluchten werd door giftige dampen ingehaald en geveld. Van de naar schatting vijfentwintigduizend inwoners heeft wellicht niemand de woede-uitbarsting van de vulkaan overleefd en de stad verdween van de aardbodem, want plots zat die eronder. Pompeji voegde zich bij de Bijbelse steden Sodom en Gomorra, die vanwege hun verdorvenheid met zwavel en vuur verwoest werden.

Zestienhonderd jaar later kwam er tijdens grondwerken plots een beeld aan de oppervlakte. Opgravingen begonnen en als men dat doet, legt men meestal iets bloot. Soms leg ik iets bloot dat ik helemaal niet opgegraven heb, waarschijnlijk omdat ik kan toveren, maar dat doet hier verder niets ter zake. Aldus verrees Pompeji als het ware uit zijn graf en vandaag de dag gaan we er in groten getale naar kijken.

Nu zal ik nooit in laaiend enthousiasme ontsteken bij het aanschouwen van ietwat mistroostige ruïnes en dat deed ik in Pompeji dus ook niet. Ik ben meer een natuurmens. Met een fraai landschapje of een bekijkenswaardig fenomeen kun je me altijd plezieren. Samen met mijn vriend dwaalde ik door de straatjes, bezocht ik Romeinse villa’s of wat er van overbleef en verlustigde me enigszins aan de soms schunnige muurschilderingen en mozaïeken, die verrieden welke perversiteiten daar allemaal moeten plaatsgevonden hebben naast de gewonere dadelijkheden van de seksuele bedrijvigheid.

Toen kwam er opeens een bewaker of iets dergelijks naar ons toe. Hij droeg in alle geval een kepie en een indrukwekkende sleutelbos. In ruil voor een fooi kon hij ons het ‘verboden Pompeji’ laten zien, deelde hij ons in moeizaam Engels mee, maar wij begrepen het en grote nieuwsgierigheid maakte zich van ons meester. Enkele bankbiljetten wisselden van eigenaar en hij bracht ons tot bij een gifgroene deur, die hij met een kanjer van een sleutel ontsloot.

Het was alsof wij een seksboetiek betraden. We werden omringd door tientallen beelden van mannen met enorme fallussen, vrouwen in wel zeer uitdagende poses en afbeeldingen van ongeveer alle copulatiestandjes die het menselijk brein ooit verzon. Het was me het museumpje wel. Gelachen dat we hebben.

Ja, als ik tweeduizend jaar geleden geleefd had, zou ik wat graag in Pompeji gewoond hebben. Natuurlijk zou ik net op reis geweest zijn toen de Vesuvius ontplofte.

Rampspoed … nu ja, spoed?

Met groeiend afgrijzen nam ik kennis van de jobstijding: het sterrenstelsel Andromeda stevent met een splijtende vaart van 400.000 kilometer per uur op onze Melkweg af en zal er frontaal mee in botsing komen. Deze gewelddadige confrontatie zal helaas niet zonder gevolgen blijven. De mogelijkheid bestaat immers dat de zon ─ onze steun en toeverlaat ─ uit haar baan wordt geslingerd naar een plaats waar ze ons niet meer kan bereiken, hetgeen het einde van alle leven op aarde zou betekenen en derhalve allesbehalve een prettig vooruitzicht is.

Nu hoeven jullie niet meteen paniekerig naar reisbureaus te hollen of voorbereidingen te treffen om per openbare raket naar een belendend galactisch stelsel uit te wijken, want de rampzalige gebeurtenis zal nog wel even op zich laten wachten …

… naar schatting vier miljard (4.000.000.000) jaar.

Tegen die tijd dragen de koeien een broek en kunnen de vissen fietsen.

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme