Tag: prestaties

Sesam open u!

Gisteren was ik dus jarig ─ een heuglijke gebeurtenis die ik recht evenredig met het verstrijken der jaren wat minder heuglijk lijk te vinden ─ en ’s middags kreeg ik onaangekondigd bezoek van een vriend, die me blijkbaar de moeite van een persoonlijke gelukwens waard vond.

Ik heb hem hier al vaker opgevoerd, maar ik heb denkelijk nooit verklapt dat hij van beroep brandkastkraker is … in het nette natuurlijk. Dat beweert hij althans. Mocht hij bij nacht en ontij op strooptocht gaat om kluizen leeg te roven, dan zou hij dat waarschijnlijk niet aan mijn gok hangen. Nee, volgens zijn zeggen beperkt zijn activiteit zich uitsluitend tot het uit de brand en in de brandkast helpen van mensen die dat door een defect of een onachtzaamheid niet meer kunnen.

Aangezien ik een beetje als een kluizenaar leef, beschik ik vanzelfsprekend over een kluis, waarmee ik niet mijn optrekje bedoel, maar een kast met een mechanisch cijferslot en rare sleutels, waarin ik al mijn geheimen en mijn dierbare bezittingen opberg: enorme stapels bankbiljetten, talloze goudstaven, kilo’s edele gesteenten, een dozijn eieren van Fabergé, een Stradivarius, dikke pakken waardepapieren en wat weet ik al niet meer.
“Zou je mijn kluis kunnen openen?” vroeg ik aan mijn gast, de brandkastkraker.
“Binnen de twee minuten”, pochte hij.
“Je meent het!” geloofde ik hem niet.

Laat hij het nu doen ook! Mijn safe is derhalve lang niet zo safe als ik dacht. Met behulp van wat attributen klaarde hij de klus in één minuut en achtendertig seconden. Ik moet hem absoluut te vriend houden. Je weet nooit waar dat goed voor is. 

Klavierleeuw

Ik zit deze week iedere avond aan het ruitje gekluisterd, want daar voltrekt zich de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd, waarin de piano dit jaar de hoofdrol speelt.

VondrácekGisteravond was het de beurt aan de Tsjech, Lukáš Vondráček, die zich aan het aartsmoeilijke concerto n. 3 van Sergej Rachmaninov waagde. Mensen kinderen! Dat was geen tangelen wat die man deed. Wat ik zag en wat hij presteerde, grenst aan het onwaarschijnlijke. Hij speelde zich in het zweet en bijna letterlijk de tong op de hielen. Fenomenaal! Ik heb nooit een betere uitvoering van Rachmaninov 3 meegemaakt.

Hij kreeg dan ook een laaiende en staande ovatie; koningin Mathilde kon haar tranen nauwelijks bedwingen en ik … ik zat compleet perplex op de bank en geloofde amper wat ik gezien en gehoord had.

Van mij mag hij winnen.

Kuip-door-sluip-doorroutes

Ik heb tijdens het voorbije jaar zomaar eventjes 12429 km gefietst ─ da’s een eind, hoor! ─ hoofdzakelijk in West-Vlaanderen, met enkele uitschieters naar Oost- en Zeeuws-Vlaanderen. Ik ging eigenlijk voor het elegante rekenkundige rijtje 12345, maar daarvoor moet je goed kunnen mikken en dat kan ik dus niet. Ik zit er 84 km naast. Ziehier mijn bevindingen:

De infrastructuur voor wielrijders laat zeer te wensen over. De fietspaden, als die er al zijn, bevinden zich heel vaak in een uitermate erbarmelijke toestand. Putten, kuilen, opdringerige boomwortels, overhangende takken, opgehoopte smurrie, glasscherven … ik heb het allemaal gezien en meegemaakt. Op dat gebied kunnen we alleszins nog veel van Nederland leren, want daar is fietsen een echt plezier.

Het zwerf- en grofvuil blijft in toenemende mate de bermen en sloten ontsieren. Deze nestbevuiling zal ons nog eens zuur opbreken en ik vrees dat de goeden het met de kwaden zullen bekopen.

Ook het aantal gesneuvelde dieren stemt tot nadenken. Ik wil niet direct van een slagveld gewagen, maar het scheelt toch niet veel.

Vlaanderen, en zeker West-Vlaanderen, is kennelijk de kweekvijver van de onhoffelijkste chauffeurs die men zich kan voorstellen. Claxonnades, opgestoken middelvingers, scheldpartijen, ja zelfs regelrechte bedreigingen vallen er je als fietser te beurt. Eerlijkheidshalve dien ik toe te geven dat de onbeschoftste exemplaren zich ook per fiets verplaatsen en zich wielertoeristen noemen. Ik kan ze niet allemaal over dezelfde kam scheren natuurlijk, maar er zitten daar toch echte bullebakken tussen. Gelukkig heb ik af en toe ook een fijngemanierde en voorkomende weggebruiker ontmoet en dat is een heuse verademing.

Om toch op een ietwat positieve noot te eindigen som ik even op wat ik tijdens mijn zwerftochten allemaal gevonden heb:
– 72,05 euro (een biljet van € 50 en een van € 20, muntstukken van € 2 en 5 cent)
– een rugzak met inhoud (die ik aan de rechtmatige eigenaar kon terugbezorgen)
– een dure verrekijker
– een schroevendraaierset van een goed merk
– een oplaadbare zaklantaarn
– ik had ook talloze kledingstukken kunnen verwerven, maar daar waag ik me niet aan. Het blijft me in hoge mate verbazen wat mensen onderweg allemaal aan textiel, ja zelfs aan ondergoed kwijtspelen. Wat gebeurt er toch allemaal langs Vlaamse wegen en in Vlaamse velden?

De protestant

De hoofdstraat van het dorp waar ik nog net woon ─ ik heb me aan de rand ervan in een bos verschanst ─ is een uiterst drukke verkeersader, die bovendien op zeer ondoordachte wijze aangelegd is: twee smalle rijstroken, eilanden, drempels, asverschuivingen … Ik heb zo al geen al te hoge dunk van ingenieurs, maar de stedenbouwkundigen aan wiens bouwvallige geest dit misbaksel ontsproten is, hebben volgens mij aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd en ze werden alleszins niet gehinderd door enige kennis van zaken.

Als zwakke weggebruiker en vooral als fietser waag je daar voortdurend je hachje. Artikel 40ter van het verkeersreglement stelt dat een bestuurder bij het inhalen een zijdelingse afstand van minimum één meter moet laten tussen zijn voertuig en een fiets of een tweewielige bromfiets. Jawel, morgen brengen! Ze scheren rakelings langs je heen en ik kan jullie verzekeren dat dit een bijzonder angstaanjagende ervaring teweegbrengt, vooral als het voertuig in kwestie een wegkasteel is, met van die reusachtige en derhalve meedogenloze molenstenen van wielen. Alleen al de jacht van zo’n vehikel blaast je bijna van de sokken.

Vanmorgen reed een fietser met een slakkengang door die straat. In zijn kielzog dobberden wel vijftig voertuigen, want hij had zich doodgemoedereerd in het midden van de weg geposteerd, zodat niemand hem kon inhalen. Telkens als iemand het waagde om achter hem op een claxon te rammen, ging zijn hand de lucht in en stak hij zijn middelvinger op. Aan de rand van het dorp hield hij halt, draaide zich om en herhaalde zijn protest in de andere richting. Bij zijn vierde doortocht heeft iemand hem aangereden, gelukkig zonder erg.

Ik ken de man niet, maar ik zou hem wel wierook toezwaaien, ware het niet dat ik niet goed de geur van wierook verdraag. Zal ik hem dan maar een veer in het achterwerk steken?

Vrijdag de dertiende

Hoewel het nog niet zo lang geleden is dat ik Windows 10 op mijn huiscomputer losliet, kreeg ik vanmorgen al de melding dat er een belangrijke update voor dat besturingssysteem beschikbaar was. De installatie ervan zou ongeveer 10 à 20 minuten in beslag nemen, vernam ik. Dat leek me te doen, want ik diende pas een halfuur later een vertaling per e-mail door te sturen, dus gaf ik toestemming om de aanpassing ten uitvoer te brengen.

Tot mijn grote ergernis nam de installatie bijna twee uur in beslag ─ twee uur! ─ en het is heus niet zo dat ik met een oude, aftandse en amechtige pc werk. Wel integendeel! Het is een vrij nieuwe machine, die zo’n hoge snelheid ontwikkelt dat ik me soms werkelijk moet inhouden om niet in de tijd terug te reizen.

Denkt Microsoft nu werkelijk dat ik niets beters te doen heb dan twee uur lang naar hun Processie van Echternach te kijken?  

Een mirakel!

Vrienden van me hebben ruim twee jaar geleden een reis naar Portugal ondernomen. Dat is weliswaar niet meteen naast de deur, maar de afstand kan geen verklaring zijn voor het feit dat de prentbriefkaart die ze me van daarginds toestuurden pas vanmorgen in mijn brievenbus tuimelde.

Ze sturen me zonnige groeten uit Fatima. Dat is een bedevaartsoord waar de Moedermaagd Maria in 1917 zes keer verschenen is aan drie herderskinderen en waar sindsdien wonderlijke dingen gebeuren.

Het mag inderdaad een wonder heten dat het kaartje na zo’n lange tijd alsnog bij me terechtgekomen is.

De wonderen zijn de wereld niet uit.

Klaaien

Op de dijk tussen Middelkerke en Oostende zat ik op een bank naar het grote water te turen. Men kijkt immers niet naar de zee; men tuurt ernaar, al behoort staren ook tot de mogelijkheden. Ik tuurde evenwel.

Zeilboten kliefden tegen de wind op door de schuimbekkende golven. Ik lig er weliswaar niet echt wakker van, maar toch vraag ik me al heel mijn leven af hoe ze dat voor mekaar krijgen. Het lijkt zo onlogisch als wat. De theorie is me niet onbekend: ze doen dat door te laveren, hetgeen betekent dat ze voortdurend overstag gaan, of anders gezegd dat ze beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen. Dat zal ongetwijfeld zo wezen, maar ik heb er geen idee van hoe dat in de praktijk geschiedt, dus wapende ik me met een verrekijker … een verretuurder in mijn geval, om het kunstje af te kijken. Minuten later begreep ik er van ganser harte nog steeds geen reet van en bovendien zadelde de hele bedoening me nog met een andere onverklaarbare vaststelling op. Die boten hangen soms dusdanig scheef dat het een wonder mag heten dat ze niet omslaan. Kapseizen heet dat in het jargon. In het West-Vlaams is dat klaaien.
“Past ip dajje nie klaait!” riep ik, want ik mag mensen graag waarschuwen voor een dreigend gevaar en als ik alleen ben, uit ik me graag in het dialect.
Ze hoorden me niet, maar klaaien deden ze al evenmin en dat mag een wonder heten, want ik heb zelden iets zo vervaarlijk zien overhellen.

Toen doemde er opeens een catamaran op: een racezeilboot die zijn naam alle eer aandeed en kennelijk van een haas gepoept was. Met splijtende vaart sneed hij door de baren van de Noordzee en hij maakte bijwijlen dusdanig slagzij dat ik niet alleen het ergste vreesde, maar het ook zag gebeuren. Hij klaaide toch wel zeker! Christene zielen, wat was dat spannend. En zo werd het toch nog een leuke middag, want het had weliswaar heel wat voeten in de aarde ─ nu ja, in het water eigenlijk ─ maar het liep allemaal goed af.    

Sneukelbucht

eitjes1Eergisteren zat ik hier nog uitgebreid zielig te doen over het ontbreken van witte paaseitjes in diverse supermarkten. Gisteren was ik opnieuw in Colruyt en zie, mijn hart zong op van vreugde, want het zeer door mij begeerde snoepgoed – sneukelbucht in het West-Vlaams – was opnieuw beschikbaar. Ik stak mijn gulzigheid niet onder stoelen of banken en eigende me gezwind een hele kilo van die lekkerbeetjes toe: uitsluitend eitjes van witte chocolade met een vulling van pistachecrème.

eitjes2Toen ik vanmorgen de woonkamer betrad, zette ik ogen als vleugeldeuren op. De schaal met eitjes was ei zo na – opzettelijke woordspeling – leeg. Dat leek me stug. Ik had geen bezoek over de vloer gekregen en zelf ben ik veel te gierig om op één avond voor 15 euro chocolaatjes door mijn keel te jagen. Ik denk dat het mijn katten geweest zijn, maar hoe komen die wikkeltjes dan in de vuilnisbak onder de gootsteen?

Ik had net Reinhold aan de telefoon, met wie ik later vandaag op stap ga, en ik vertelde hem mijn wedervaren.
“Gie vroede gorre!” zei hij tegen me, want we zijn al heel lang vrienden en inmiddels kent hij zijn pappenheimer.
Wie dat begrijpt, is een echte West-Vlaming. De anderen zal ik morgen tekst en uitleg geven.

Wat schuift het?

Ik heb wat te vieren. Vanavond om halfacht zal het namelijk vijf jaar geleden zijn dat ik mijn laatste sigaret opstookte. Ik besef dat dit een nogal onnozele aanleiding is om in feestgedruis los te barsten, maar met de jaarwisseling heb ik besloten om iedere gelegenheid ─ hoe onbenullig ook ─ aan te grijpen om in een goed humeur te sukkelen en, in afwachting van het vermoedelijke niets, plezier te beleven aan het voorlopige iets.

Ik stel verheugd vast dat ik in die vijf rookloze jaren behoorlijk wat geld uitgespaard heb ─ twee tot drie pakjes per dag lopen aardig in de papieren ─ al is dat bedrag een lachertje als ik het vergelijk met hetgeen de Belgische voetballer, Eden Hazard (24), voortaan zal vangen. Hij heeft bij de Engelse topclub Chelsea een nieuw contract ondertekend en voortaan zal hij € 270 000 binnenrijven. Da’s een aardig jaarinkomen, dacht ik nog. Daar teken ik voor.    
“Per week”, voegde de nieuwslezer daar fijntjes aan toe.

€ 270 000 per week?! Het weze me toegestaan om dat ‘lichtjes’ overdreven te vinden. Herstel! ik vind het ongehoord en zelfs obsceen. Geen mens kan dit waard zijn en alleszins geen voetballer. We leven in bizarre tijden.

honger

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme