Tag: poëzie

Averullen

meikeverschudden

We schrijven mei en als ik onderweg ben, durf ik nogal eens over te gaan tot het schudden aan beukengroeisels, zoals daar zijn hagen en boomtakken, in de hoop dat ik er eindelijk nog eens een meikever zal aan ontfutselen, want dat is, geloof ik, honderdduizend jaar geleden. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd. Zijn die beestjes uitgestorven misschien?

De averulle van mijn titel is trouwens een dialectwoord voor meikever, dat slechts in een heel klein gebied tussen Kortrijk en Roeselare gangbaar is. Het is een samenvoeging van het West-Vlaamse aven (avond) en rullen (ronken). Aangezien meikevers enkel ’s avonds vliegen en daarbij een brommend geluid produceren is averulle (avondronker) best wel een aardig bedenksel. Blijkbaar vond Guido Gezelle dat ook, want hij wijdde een zeer door mij gesmaakt gedicht aan de kever, niettegenstaande de lullige, ietwat betuttelende zedenles van het slot.

De Averulle en de Blomme

Daer zat ‘nen keer een Averulle
En lekte met ‘nen zom,
Zom, zom,
Den dauw van op de blaren,
Die klaer bedreupeld waren
Lyk met ‘nen dreupel Rhom,
Rom rom.

Wanneer zy fraei gedronken had,
Zoo vloog ze schreef en krom,
Rom, rom,
Al neuzlen en half dronken,
Tot waer de kleêrkes blonken
Van eene schoone blom,
Lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
En viel niet al te dom,
Dom, dom,
Maer riep zoo, loos van zinnen,
Hei! Kobbe, kom my spinnen
Een kobbenet rondom,
Om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
En steld’ heur pootjes krom,
Rom, rom;
Zy spon heur looze netten
Om haer daer in te zetten,
En zat daer stille en stom,
Tom, tom.

En als de Rulle kwam naby
Geflodderd krom en slom,
Lom, lom,
Zoo is ze in ‘t net gevlogen,
En deerlyk uitgezogen,
Of schoon zy jankte: zom
Zom zom!

De looze blomme loech er meê
Die looze booze blom,
Lom, lom,
Eilaes! zoo menig jonkher
Wordt – uitgezogen pronker,
Om eene schoone blom:
Dom! dom!

Guido Gezelle

Gedichtendag 2015

Ter gelegenheid van gedichtendag vergast ik jullie op een door velen bejubeld en door anderen verguisd gedicht van Willem Elsschot. Ik blijf het een meesterwerk vinden, niettegenstaande de crue inhoud ervan. De voorlaatste strofe is van ongemene schoonheid en zal menigeen wellicht bekend in de oren klinken. 

Het huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood.

Willem Elsschot
Rotterdam 1910

Een zeer treurige prins

Vandaag, maar dan 37 jaar geleden, stapte de amper 21-jarige ‘zeer treurige prins’ uit het leven in een miserabel achterafkamertje in Brugge. Hij was een buitengewoon getalenteerd dichter, maar helaas ook een uitermate getourmenteerde ziel. Zijn naam was Jotie T’ Hooft.

Liefde en ellende

Brood van weken oud heb ik geweekt in water
en opgegeten, terwijl de kou aan mijn tenen
knaagde. Met naalden heb ik in mijn bloed
gewoeld en gezocht. En niets gevonden.
Ik heb op straatstenen geslapen met honger
die door niets nog gestild kon worden
leek het wel.

In nachten, nat en donker, was ik alleen
en mijn stem hoorde niemand. Ziektes
hebben mij bezocht in de jaren, ik wou
vluchten in de dood.

Maar niets was erger dan nu, ik wou
dat je bij me kwam en in mijn ogen keek.

Jotie T’ Hooft

Meedogenloos

Ik maakte van deze prachtige nazomerdag gebruik om een fietstocht te ondernemen. Die bracht me onder meer naar de kust, waar ik getuige was van de genadeloze verwoesting van de zandsculpturen, die gedurende twee maanden het Oostendse strand opfleurden. Een meedogenloze kraan maakte het werk van 33 kunstenaars uit 13 landen binnen de kortste keren met de grond gelijk. Terwijl ik dat ietwat meewarig stond te bekijken welde er spontaan een gedicht in me op. Als ik niet omringd was geweest door honderden andere toeschouwers zou ik het wellicht uit volle borst gedeclameerd hebben, begeleid door het pathetische bruisen van de zee. In plaats daarvan geef ik het hieronder een bescheiden plaatsje:

Zandsculpturen

 

Ainsi, c’est indéniable
toute création
et toute passion
est un château de sable.
Amour, joie ou mépris
haine, pleur ou tristesse
amitié, allégresse
sont par le temps détruits.
Yann Martin

Vertaling:
Derhalve valt het niet te ontkennen dat iedere schepping en iedere passie een zandkasteel is. Liefde, vreugde of misprijzen, haat, tranen of droefenis, vriendschap en vrolijkheid worden door de tijd verwoest.

Na verguizen komt verhuizen

Twee muizen
gaan verhuizen;
ze nemen alles mee:
een grote, dikke pee,
een klein stukje peperkoek
en een lappetje uit vaders broek.

Het kniedicht hierboven heeft eigenlijk niets uit te staan met wat volgt, maar het schoot me te binnen toen ik dit schrijfsel van een titel voorzag. Het is het eerste versje dat ik voorgeschoteld kreeg toen ik helemaal uit Argentinië in Vlaanderen belandde en het is me altijd bijgebleven. Mocht iemand van jullie weten wie het geschreven heeft, dan zou ik dat graag vernemen.

Verheug jullie allen en wees blijde! De aanslepende problemen met mijn blog, waardoor Uilenvlucht soms moeilijk of zelfs helemaal niet te bereiken was, zouden nu van de baan, ja zelfs uit de wereld moeten zijn. Voor alle zekerheid houd ik de vingers gekruist en klop even af. Het bedrijf dat, weliswaar tegen betaling, het gastheerschap van mijn blog waarneemt en ervoor dient de zorgen dat alles van een leien dakje loopt, heeft mijn hele hebben en houden eindelijk naar een moderne netwerkcomputer gemigreerd, waardoor de oprispingen en het hikken me bespaard zullen blijven.

Dat beweren ze althans en ik mag het van harte hopen.

Dante achterna

Per stalen … eh … aluminium ros fietste ik door het bos waar Maria van Bourgondië ooit aan haar laatste rit per authentiek ros van vlees en bloed begon. Niet veel later zou ze op tamelijk onelegante wijze van dat paard tuimelen en dat met haar leven bekopen.

Zoals het me wel vaker overkomt als ik me onder pathetische boomgewelven ophoud, begon ik plots van dichterlijk vuur te blaken en declameerde ik een vermaard vers uit La Divina Commedia van de Florentijnse dichter Dante Alighieri:

Nel mezzo del cammin di nostra vita
mi ritrovai per una selva oscura,
ché la diritta via era smarrita.

Op het midden van mijn levensweg
bevond ik mezelf in een donker woud
want de rechte weg was verloren gegaan.

Wie een beetje belezen is, zal weten dat Dante vervolgens bij de hellepoort terechtkwam met het niet bepaald uitnodigende opschrift:

Lasciate ogni speranza, voi ch’intrate.

Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.

Gelukkig was de rechte weg voor mij niet helemaal verloren gegaan, want toen ik erin slaagde me uit het bos te bevrijden, kwam ik terecht bij het soort etablissement dat men een landelijke herberg pleegt te noemen. Ik liet de hoop niet varen dat ik daarbinnen lafenis zou aantreffen, stalde mijn ros en duwde aarzelend de deur open …

Als jullie willen weten wat er toen gebeurde ─ en dat loont de moeite ─ moeten jullie morgen naar hier terugkeren. Nu ik eindelijk door de muzen omhelsd word, zal ik me eerst aan het schrijven van een koningslied wijden. Ik vermoed namelijk dat Berten en Fluppe binnenkort naar Nederlands voorbeeld ook een wisseldans zullen uitvoeren … Changez!

Spaar ons!

De hengstenbron

Schrijven is een poging om een leegte op te vullen.
Eugenio Montale

Als jullie dachten dat ik hier ter gelegenheid van gedichtendag 2013 met een van mijn poëtische ontboezemingen op de proppen zou komen, dan hebben jullie verkeerd gedacht. Ik wil me niet hopeloos belachelijk maken.

Lenig proza schrijven lukt me heel aardig. Ik heb een welversneden pen en smijt emoties op het blad in een flonkerende stijl, gelardeerd met zuidelijke kunstzin, noordelijke primitiviteit en een wollige, haast Chinese bloemigheid in mijn taal. Faire chanter les mots … De woorden die ik gebruik zijn soms heel verwonderd elkaar tegen te komen. Het leven kust immers de fraaiste zinnen in me wakker, maar ook ergernis blijkt vaak mijn creatieve brandstof te zijn. Hoewel mijn teksten vaak iets zweverigs hebben, schrik ik er ook niet voor terug om met vitriool te schrijven en machetescherp uit de hoek te komen.

De furor scribendi ofte de schrijfwoede mag dan misschien mijn deel zijn, de furor poeticus is dat niet. Ik beschik niet over feniksvleugelen en als ik me al eens aan een gedicht waag, resulteert dat meestal in een wangedrocht dat thuishoort bij de kleppermanspoëzie en de rijmelarij, die ik tijdens het surfen veel te vaak onder ogen krijg en waarbij telkens een licht onbehagen in me opsteekt. Dus niet. Deze schoenmaker blijft bij zijn leest. Ik ben een schrijver, maar geen dichter en daar leg ik me bij neer. Wie vaak met taal werkt, kent de leegte van woorden beter dan wie ook.

Mijn bijdrage aan gedichtendag is dan ook een pareltje van iemand die ik dus wel als een echte dichteres beschouw, met name de fijnbesnaarde en zeer door mijn bewonderde Frieda Groffy:

Hoe raak ik nog ooit weer
de koorts kwijt
die als een ziekte in mijn
bloed bijt

Hoe raak ik nog ooit weer
de pijn kwijt
van een hopeloos verlangen
naar de warmte van
je handen
Hoe raak ik nog ooit weer
je geur kwijt
die in mijn huid zit
vastgezogen

en hoe kom ik nog ooit los
van je tederheid
die me omvatte als een schelp
van je begeerte die me als
een hete zomer verschroeide

worden mijn hart en mijn geest
nog ooit weer rustig
raak ik nog ooit deze
liefde kwijt

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme