Tag: nostalgie

Uitgeblust

Ik had bij de bakker een paar appelflappen gekocht en wilde me met verlekkerde spoed naar huis begeven om die op te vreten, maar ik ontmoette een man die nu oud en der dagen zat was, maar in lang vervlogen tijden vaak met mijn vader zaliger optrok, waardoor ik me beleefdheidshalve genoodzaakt zag een gesprek met hem aan te knopen.

Zoals jullie hierboven zien, weet ik nog steeds de weg in volzinnen en mag ik er me graag aan bezondigen, ook al hebben leraren me op schoolbanken ingeprent dat ik me beter van korte, krachtige bewoordingen kan bedienen. Ik was en ben het nog steeds niet met ze eens, dus kan hun raad me aan de reet roesten.

Het gesprek dat ik in die frase vermeld, was eigenlijk geen gesprek, want zelfs de koetjes en de kalfjes bleven onaangeroerd, omdat de man zich uitputte in een jeremiade over het ouder worden, dat volgens hem gelijkstond aan een ramp die steeds weer toesloeg.
─”Ach,” sprak ik troostend, “zolang je nog ergens kunt komen en dingen kunt doen …”
Dingen kunt doen?! Laten we wel wezen: dat was ook niet bepaald een vooruitzicht waarmee je iemand kon opmonteren.
─”Ik kan nog veel dingen doen,” zei hij en hij haalde de schouders op, “maar ik doe niks meer.”
Dan ben je gauw uitgepraat natuurlijk.

Tja, ik kan er hier geen smartelijk boek over schrijven. Er rest me niets meer dan de weinig historische woorden ‘zo, dat heb ik ook weer gehad’ neer te pennen …

… maar desalniettemin waren die appelflappen verdomd lekker. Ik denk dat ik er nog twee haal.

Daar wordt een mens ook niet vrolijk van

Het gebeurt zelden dat ik in herhaling val, maar als ik het vandaag toch doe, heb ik daar vanzelfsprekend een gegronde reden voor. Ik ben even in mijn archief gedoken, om daar onderstaand schrijfsel van bijna zeven jaar geleden op te vissen:

Een vonkje tederheid

Sommige mensen verblijden de wereld en hij is zo iemand.

Hij zal een jaar of elf zijn, schat ik, en hij heeft een sympathieke kop. Zijn haren zijn blond als koren in de zomer en met zijn fjordenblauwe ogen tergt hij de hemel. Ik zie hem bijna iedere morgen naar school lopen in het gezelschap van een meisje, dat vermoedelijk zijn jongere zus is, want ze lijken sprekend op elkaar. Haar hand woont ononderbroken in de zijne en hij beteugelt voortdurend zijn tred, zodat ze hem gemakkelijk kan bijhouden.

Vanmorgen liet hij plots haar hand los. Hij hurkte neer, trok een van haar schoenen uit en verwijderde met een bijna strelend gebaar het steentje dat haar voetzool irriteerde. Even later liepen ze verder. Ze zei iets. Hij antwoordde. Haar gezicht glansde als een lamp van duizend watt. Ze keek naar hem op met de grote ogen van de onschuld en ze had opeens lachende kuiltjes in de wangen. Hij was haar grote broer. Ze vertrouwde hem als geen ander en ze wist nu al dat hij haar nooit in de steek zou laten. En elke dag hing hij de zon voor haar op.

Gisteren vond de jongen in kwestie ─ ondertussen achttien jaar jong ─ dat zijn leven niet langer de moeite loonde en hij zette er een punt achter. Dat is toch te treurig voor woorden. Het heeft me van mijn à propos gebracht.

De paden op, de lanen in

babeluttenAlles liet veronderstellen dat er ons een schitterende lentedag te wachten stond, zodat ik al vroeg in de ochtend besloot een fietstocht te ondernemen.
“Werwaarts?” vroeg ik aan mezelf, want op zon- en feestdagen ─ we schreven 1 mei 2016 en dat was niet alleen een zondag, maar in Belgenland ook een feestdag ─ durf ik al eens mijn toevlucht te nemen tot archaïsch taalgebruik, teneinde ouderwetse woorden nieuw leven in te blazen, indien al niet voor uitsterven te behoeden.

Mijn keuze viel op Veurne. Een paar dagen eerder had ik immers een folder over streekproducten in handen gekregen en daarin maakte men melding van de Veurnse babelutten: boterkaramellen, waarvan ik er in mijn jeugd kilo’s verslonden heb. Alleen al de naam deed me watertanden en ik had me voorgenomen om me bij de eerste de beste gelegenheid naar Veurne te begeven, om daar een voorraadje van dat snoepgoed in te slaan. Nu ligt dat stadje niet bepaald dicht bij mijn deur.  Derwaarts ─ oud woord ─ moet dat ongeveer veertig kilometer zijn en herwaarts ─ nog een oud woord ─ natuurlijk ook, of wat hadden jullie gedacht? Om niet langer dan nodig onderweg te zijn en vooral ook om niet te verdwalen, gaf ik de op mijn fietsstuur bevestigde gps de opdracht om mij te begeleiden.

Het toestelletje bracht me tegen de middag in een dommelig dorp met de merkwaardige, edoch ─ oud woord ─ enigszins poëtische naam, Mannekensvere ─ wat slordig neergelegde huizen die beschutting zoeken onder een kerktoren ─ waar ik zowaar een restaurant aantrof. Ik nam plaats op het terras en had nog maar net mijn aperitief voorgezet gekregen, of een nogal luidruchtig stel palmde de belendende tafel in en zowel zij als hij zogen gelijk de brand in forse sigaren. Mijn eetlust kringelde weg, samen met de stinkende rookwalmen die ze produceerden. Ik heb me koest gehouden, maar het heeft niet veel gescheeld.

Ik fietste verder en kwam bijna in Nieuwpoort terecht, maar mijn gps liet me links afslaan en binnen de kortste keren bevond ik me op het jaagpad van een waterweg die Veurne met de kust verbond. Ik prees me gelukkig dat alle honden die ik op mijn weg ontmoette keurig aan de lijn liepen, maar toen werd ik opeens door twee enorme ganzen aangevallen, zodat ik even een sprintje moest trekken om aan ze te ontsnappen. Lieve deugd, wat zijn dat nijdige schepsels. Niet veel later reed ik me vast in een kudde schapen, die doodgemoedereerd over het jaagpad laveerden. Een herder was in geen velden of wegen te bespeuren. Hij zal ergens in het veld gelegen hebben, veronderstel ik, hoewel ze dat volgens een kerstlied enkel bij nacht horen te doen. 

Op kasseienstraatjes hobbelde ik Veurne binnen. Was dat even een teleurstelling! Ik heb in mijn leven nooit een doodser en vertierlozer stadje gezien. Er liep daar geen levende ziel op straat. Een dooie evenmin. Alleen de terrassen op het marktplein hadden wat klandizie kunnen verwerven, maar verder viel er niets te beleven. Ik zocht me ongeveer de pleuris naar hun babelutten, maar ik heb die nergens kunnen vinden. Wat is dat toch met al die streekproducten en specialiteiten? Je moet echt eens proberen om in Diksmuide Diksmuidse boter op de kop te tikken. Ik heb het, geloof ik, al honderd keer geprobeerd. Zonder resultaat. Als ik babelutten wil, zal ik die via internet moeten kopen. 

Melancholie

Door een samenloop van omstandigheden kwam ik in een opslagruimte voor bejaarden terecht, niet om me daar te vestigen – spaar me! – maar om iemand met een bezoek te verblijden.

De cafetaria behelsde onder meer zes mannen en drie vrouwen, die met enige aandacht naar het grote televisiescherm staarden, waarop zich een bergrit van de Tour de France ontspon. De renners klauterden moeizaam het niet te onderschatten geografisch ongemak van een alpencol op en evolueerden doorheen waarlijk wonderlijke landschappen met een aaneenrijging van opwindende panorama’s.

“Mo mens, wukke schoane streke!” riep een van de toeschouwsters plots. (Maar mens, wat een mooie streek!)
Ik glimlachte, want ze maakte een herinnering bij me wakker. Mijn moeder riep soms krek hetzelfde als ze naar een bergrit van de Ronde van Frankrijk keek. Ze is ondertussen al ruim een kwarteeuw dood, maar af en toe duikt ze nog eens in mijn leven op. Nee, niet af en toe. Vaak! Gewoon voor de leuk.

Jongensachtig verzet

Helemaal aan het begin van deze weldadige nazomerdag nam ik mijn kuierstokken en wandelde doorheen het bos en de dichte mist naar het dorp. De bomen gooiden me allerhande troep naar het hoofd: bladeren, eikels, beukennootjes en vaak nog in gemene bolsters verpakte kastanjes. Vlak voor me hield een vrachtwagen halt. Achter de voorruit ervan prijkte een bordje met de volgende mededeling:

jeugd

Het portier zwaaide open en uit de stuurcabine stuntelde een man tevoorschijn, die zo oud was dat hij wellicht de Dode Zee gekend had toen die nog leefde. Ik verwachtte dat hij ook nog een stok of zelfs een looprek zou opduikelen, maar dat bleek niet het geval.

Tja, jeugdsentiment is doorgaans de eerste ouderdomskwaal.

Waar is mijn wollen muts nu?

Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit
Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit
Ik kon het niet geloven, maar voor de vensterruit
Viel zacht naar beneden, de eerste sneeuw

M’n mama kwam naar boven, ’t is tijd om op te staan
M’n mama kwam naar boven, kom trek je kleren aan
Mama, lieve mama, kijk eens naar benee
Ga je met me mee, in de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw

Waar is m’n wollen muts nu, waar is m’n dikke sjaal
Waar is m’n wollen muts nu, waar is m’n dikke sjaal
En ergens in de kelder ligt toch nog die slee
Papa moet me duwen door de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw

Nu twintig jaren later, heb ik geen zin om op te staan
Nu twintig jaren later, kijk ik weer uit het raam
M’n mama zal niet komen, m’n mama is lang dood
Ze ligt al lang beneden, in de eerste sneeuw

Kijk eens naar omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k Wou dat dit kon blijven duren, dat het nooit meer zou stoppen
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw
In de eerste sneeuw

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme