Tag: milieu

Nestbevuiling

Het duurt nog bijna een half jaar voor we ons in jolig groepsverband, maar willens nillens, ter stembus moeten begeven.

Desalniettemin is Open vld al volop bezig met het ontsieren van de land- en stadschappen, door overal – en bij voorkeur op schilderachtige en buitengewoon fotografeerbare plekken – afzichtelijke propagandaborden neer te poten met daarop een slogan, die een samenraapsel is van drie gemeenplaatsen van het zevende knoopsgat.

openvld

Het bevreemdt me dat die bemoeial van Groen, Calvo, daar nog geen commentaar op geleverd heeft.

Ik voel me alleszins niet aangesproken en ik zal dus niet voor de liberalen stemmen. Dat was ik toch al niet van plan.

Ze blijven zwerven

Wanneer zullen de in politieke steunkorsetten gehulde ‘hovaardigheidsbekleders’ van dit land, aangevoerd door de doorluchtige edelachtbaarheid, minister Joke Schauvliege, nu eindelijk eens knopen doorhakken en werk maken van het statiegeld op drankblikjes en petflessen?

Dat blijft duren en ondertussen wordt de aanblik van Vlaanderen met de dag erbarmelijker, in die mate zelfs dat ik nog nauwelijks plezier beleef aan mijn wandel- en fietstochten, omdat ik me vrijwel onophoudelijk blauw erger aan de rotzooi langs de paden en in de bermen.

De hoogwelgeboren, maar o zo besluiteloze Joke wilde de industrie tot 2018 de tijd geven om te bewijzen dat het probleem ook anders kan aangepakt worden. Wel, we schrijven inmiddels de derde maand van 2018 en er is niets bewezen.

Statiegeld dus! En snel een beetje! Schauvliege, doe nu eindelijk eens wat!

Uitgerookt

Over een kleine week, op 17 februari, zal het acht jaar geleden zijn dat ik afscheid nam van de sigaret. Die prestatie vervult me nog steeds met enige trots, al heb ik nauwelijks wat gemerkt van de voordelen die naar men beweert aan zo’n rookstop verbonden zijn.

Ik zou nu bijvoorbeeld vrijer moeten ademen en minder snel buiten adem raken, maar als ik tegenwoordig trappen beklim of met de fiets een helling moet overwinnen, kom ik nog steeds een beetje hijgend boven.
Ik zou een gezondere huidskleur en minder rimpels moeten verworven hebben, maar als ik in de spiegel kijk, kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de rimpels met de dag toenemen.
Ik zou minder hoesten, maar ik hoestte al niet toen ik nog rookte.
Mijn reuk-en smaakvermogen zouden aanzienlijk verbeteren, maar ook dat is me niet meteen opgevallen.
Het financiële voordeel moet zowat het enige zijn dat ik aan den lijve ondervonden heb. Als je drie pakjes per dag opstookt, scheelt dat natuurlijk een slok op een borrel.

Nu blijkt echter dat heel mijn ontwenning verspilde moeite geweest is. Ik verneem namelijk uit een zeer betrouwbare bron dat houtrook dertig keer schadelijker zou zijn dan sigarettenrook. Tabaksrook is trouwens eerder plaatselijk schadelijk en schaadt vooral de roker zelf, terwijl een haardvuur of een houtkachel een ganse woonwijk schaadt, tot meer dan tweehonderd meter in de omtrek.

Knoop dat maar even in jullie oren, buren van me, en steek een sigaret op als jullie nodig rook willen produceren.

Opgeruimd

Plassendale

Op de plek waar de kanalen Gent-Oostende en Oudenburg-Nieuwpoort zich verenigen, vind je het sluizencomplex Plassendale, dat een beschermd dorpsgezicht is. Men ─ het stadje Oudenburg ─ heeft er een idyllische pleisterplaats ingericht met een half dozijn robuuste picknicktafels. Het is er heerlijk toeven aan de rand van het water, behalve tijdens de weekends. Dan krioelt het er immers van veelal luidruchtige wielerterroristen en van galeislaven in roeiboten, die vanaf de oever bijgestaan worden door fietsende trainers met roeptoeters die een herrie als een oordeel maken.

Op weekdagen is deze plek echter een oase van rust. Af en toe spartelt er een boot door het water; eenden spelevaren; vogels repeteren eindeloos; vissers zitten te vissen … en heel soms verschijnt er plots een vuilniswagen. Dat gebeurde gisterenmorgen toen ik daar zat. Een bemanningslid van dat voertuig bekommerde zich om de vier tjokvolle, overlopende bakken die daar opgesteld stonden, maar hetgeen op de grond lag liet hij ongemoeid.

Ik was daaromtrent in niet geringe mate verbaasd en diepte mijn cameraatje op, om deze aanfluiting van beroepsijver vast te leggen. Terwijl ik de opname maakte, kwam er een dame met een labrador aangewandeld. Of was het een labrador met een dame? Wie zal het zeggen? Ze begon de boel op te ruimen.
─”Dat ze dat niet meenemen!” gaf ik lucht aan mijn verwondering.
─”Daar worden ze niet voor betaald”, zei ze. “In hun contract staat dat ze die bakjes moeten leegmaken, maar niet dat ze het zwerfvuil dienen op te ruimen, dus doen ze dat ook niet.”
─”Heb je van je leven!” schuddekopte ik.
─”En daar!” vervolgde ze en ze wees naar een van de gebouwen. “Daar zitten vijf van die sluiswachters godganse dagen met hun tenen te spelen en met hun duimen te draaien, want veel bootverkeer is er hier niet, maar even naar hier komen om de boel netjes te houden … Vergeet het!”

Waarna we samen het zwerfvuil opruimden en opgeruimd onze weg vervolgden.

Plassendale2

Wat zwemt daar door het struikgewas?

Ik ben er me terdege van bewust dat ik in herhaling val als ik sikkeneur dat ik langzamerhand goed balen krijg van het oprukkende zwerfvuil. Het blijft aanmodderen en het wordt alleen maar erger, heb ik de indruk. De noodzakelijke mentaliteitsverandering komt er niet. Sommige mensen kun je prikken met een speld; voor anderen heb je een hooivork nodig.

Ik lees dat het opruimen van de overtolligheden die we klakkelings weggooien jaarlijks zestig miljoen euro kost, hetzij tien euro per inwoner van Belgenland. Is hier geen taak weggelegd voor de asielzoekende medemens en bij uitbreiding voor alle leefloners en werklozen die gezond van lijf en leden zijn? In ruil voor het geld dat ze ontvangen mag je toch zeker een tegenprestatie van ze verwachten. Of niet soms?

Verleden week zag ik onder veel meer een bureaustoel en een heggenschaar in de berm liggen. Dan denk je dat je alles hebt gehad, maar vanmorgen viel me toch de bek open bij het aanschouwen van wat ik aantrof naast het pad dat naar mijn woning voert. Ga even zitten, want dit is niet mis: naar schatting ongeveer twintig kilo grijze noordzeegarnalen, die nog gepeld waren ook. Wie gooit nu zoiets weg? En wat moet ik er in vredesnaam mee aanvangen? Zullen de dieren der aarde en de vogelen der luchten die verorberen? 

Of kan ik iemand plezieren met een crevettenkroketje? Of anders misschien met een rijkelijk gemeubileerde tomaat garnaal?

Met de Franse slag

Zoals eerder gemeld laboreer ik aan een verkoudheid die bijzonder slepend blijkt te zijn. Ik raak die maar niet kwijt. Vanwege de ermee gepaard gaande lichamelijke ongemakken heb ik me tijdens de voorbije weken nauwelijks buitenshuis gewaagd, maar vanmorgen diende ik me voor een dringende aangelegenheid naar de bewoonde wereld te begeven. Ik maakte daarvan gebruik om wat proviand in te slaan en aangezien het middaguur naakte, besloot ik aan te schikken in de nieuwste aanwinst van het dorp: een op Amerikaanse leest geschoeide diner (daajner), zeg maar een vette haptent. De glazen deuren van het etablissement schrokken zo van mijn verschijning dat ze vanzelf opengingen.

De gooi- en smijtschotel die ik voor mijn melik kreeg, zag eruit als geboetseerd slachtafval, of eigenlijk nog meer als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en ik zat met lange tanden te fletcheren, toen opeens mijn oren dichtslibden. De meeste mensen hebben daar enkel last van als ze in het hooggebergte evolueren, maar bij mij treedt dat verschijnsel ook op als ik verkouden ben en ik vind het verre van aangenaam. Die sluier op mijn trommelvlies blijkt immers ook mijn papillen te beïnvloeden, waardoor er kraak noch smaak zit aan hetgeen ik verorber. Ik schoof misnoegd mijn bord opzij en tuurde meewarig door het raam.

Ik volgde de werkzaamheden van de witte vuilniswagen die de straat verontrustte, of beter gezegd die van het oranje mannetje dat blauwe pmd-zakken en stapels papier en karton in de voerkleppen van het gevaarte stouwde. Hij wist niet van ophouden. De muilen raakten overvol.
“Dit kan nooit goed gaan”, mompelde ik toen hij veel te laat het persmechanisme aanzette.
Ik kreeg nog gelijk ook. Er weerklonken een paar knallen van ontploffende zakken en een dertigtal plastic flessen en drankblikjes ontsnapten. Ze kwamen samen met flarden van kranten op het asfalt terecht. Het oranje mannetje getroostte zich niet eens de moeite om die op te rapen, liet alles liggen waar het lag en vervolgde doodgemoedereerd zijn weg.

“Bedankt, u hebt weer fantastisch gesorteerd”, prijkte er in precieuze schoonschriftletters op de flank van de vuilniswagen. Jazeker, wij sorteren fantastisch en we betalen ons blauw aan allerhande milieutaksen, terwijl de vuilnisophalers het laten sloffen, er de kantjes aflopen en eigenhandig zwerfvuil rondstrooien.

Op het slagveld

De fiets brengt me af en toe op het traject van de eeuwenoude, want door de Romeinen aangelegde heirweg tussen het Franse Cassel en Brugge.

Wie beschrijft mijn aan verbijstering grenzende verbazing toen ik daar, ter hoogte van de vroegere militaire kazerne in Zedelgem – tegenwoordig het Provinciaal Opleidingscentrum voor Veiligheidsdiensten – een ware ravage aantrof, alsof daar kort voordien een niets ontziende windhoos huisgehouden had. Vele tientallen populieren waren gesneuveld en lagen neergeveld in de bermen een troosteloze aanblik te bieden. Het was te treurig voor woorden en in mijn hoedanigheid van natuurvriend raakte ik dan ook in grote droefenis.

Het spreekt vanzelf dat ik me binnen de kortste keren tot bevoegde diensten wendde, teneinde mijn ongenoegen te uiten en om tekst en uitleg te vragen omtrent de slachtpartij. Ik vernam dat de bomen naar schatting zestig jaar oud waren, hetgeen betekende dat ze meer dan kaprijp waren en uit veiligheidsredenen effectief dienden geveld te worden. Men voorzag eerlang een aanplant van streekeigen hoogstambomen.

Ik heb inderdaad een paar exemplaren met stamrot opgemerkt, maar het overgrote deel van de slachtoffers vertoonde geen enkel mankement en zag eruit als op het fotootje rechtsonder.

Tja, wie ben ik dat ik boomdokters zou tegenspreken? Ik blijf het wel heel erg jammer vinden. Ze waren zo mooi …

heirweg

Kanttekeningen ─ 3

1.
Er gaan stemmen op om paal en perk te stellen aan het afsteken van vuurwerk ter gelegenheid van de jaarwisseling. Voor mij niet gelaten! Ook mijn katten, en ongetwijfeld alle dieren die in onze contreien hetzij buiten of binnen hoofdkwartier houden, zouden dat toejuichen. Nu komen sommigen echter met het niet bepaald lumineuze idee op de proppen om het eindejaarsgedruis te vervangen door het massaal oplaten van ballonnen, die voorzien zijn van stichtende tekstboodschappen op aan koordjes bevestigde kaartjes. Ballonnen zijn evenwel bijzonder slecht voor het milieu. Ze vergaan tergend langzaam en ze veroorzaken de dood van talloze dieren, die deze vaak opzichtig gekleurde objecten als voedsel beschouwen, of verstrikt raken in de frutsels waarmee die ze toegerust zijn. Het is nog maar van verleden week geleden dat ik een eekhoorn zag met een ballon in zijn kielzog. Vroeg of laat komt dat beestje vast te zitten met alleen de hongerdood in het vooruitzicht.

2.
Ik heb het bestaan om helemaal in mijn eentje korte metten te maken met de nochtans onvermurwbare wet van Murphy. Toen ik vanmorgen een geroosterd sneetje van een flinke lik boter voorzag, glipte dat gevalletje uit mijn handen en viel op de vloer met de besmeerde kant … bovenaan! Wie doet het me na?

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme