Tag: kerstmis

De (kerst)boom in!

Ik heb dit jaar voor de eerste keer van een white christmas gedreamd. Dat gebeurde op de kerstmarkt in Brugge, waar ik eigenlijk niks verloren had, want de opsmukrage waarmee het feestgedruis van de jaarwisseling veelal gepaard gaat, vermag me niet te bezielen. Ik ben namelijk tegendraads: het gaat aan me voorbij en het raakt me niet. Ook met glühwein kun je mij niet vermurwen. Ik lust dat brouwsel niet en krijg er bovendien koppijn van. En niet te min! In Brugge kan men zich ook op een schaatsring(etje) vermeien, of per reuzenrad ten hemel stijgen, maar aangezien ik er nog steeds niet in geslaagd ben om op schaatsen overeind te blijven en last heb van hoogtevrees …

Ondertussen zitten jullie zich ongetwijfeld af te vragen waarom ik dan in vredesnaam ─ vrede op aarde aan alle mensen van goede wil ─ de schreden naar zo’n buitengebeuren richt. Wel, ik heb een vriendin en die is zo dol op kerstmarkten dat ze zich zelfs naar buitenlanden begeeft om in dergelijke samenscholingen verwikkeld te raken. Omdat ze niet over een rijbewijs en een eigen transportmiddel kan beschikken, was ze vastbesloten om, niettegenstaande een bijzonder ongelukkige dienstregeling, met het openbaar vervoer naar Brugge te reizen. In mijn hoedanigheid van vriend en barmhartige samaritaan … nu ja, jullie begrijpen het wel.     

Als ik ‘s avonds door het dorp kuier, merk ik dat er al kerstbomen en andere frivole tooisels in huiskamers verschijnen. Daar kun je niet naast kijken, want de bewoners van versierde vertrekken, die zich normaliter bij het invallen van de duisternis aan het oog plegen te onttrekken, laten nu pas diep in de nacht de rolluiken neer, teneinde passanten de kans te geven om hun groothandel in snuisterijen te aanschouwen.

Zelf doe ik niet mee aan die opsierderij. Als jullie tijdens de feestdagen voorbij mijn woning komen, hoeven jullie dus niet bij me binnen te spieden, want er is te mijnent ─ hier komt ie! ─ geen bal te zien.

Gooi-en-smijtfilmpje

kerststronkIk was vanmorgen bij de bakker en terwijl ik daar op mijn beurt wachtte, geraakte ik danig in de ban van de kitscherig versierde, maar niettemin uitermate appetijtelijk ogende kerststronken, bij ons beter bekend als buches, die zich in de vitrinekasten ophielden.
Ach kom, dacht ik, ik doe eens even iets geks.
En toen deed ik iets geks, want ik kocht zo’n taart, hoewel ik me er terdege van bewust was dat ik die helemaal alleen zou moeten opvreten, want ik verwacht eerstdaags geen bezoek.

Toen ik niet veel later mijn boodschappen van de garage naar mijn woning bracht, scheurde de zak waarin de bakkersvrouw een aantal broodjes ondergebracht had. Toen ik inderhaast trachtte te verhinderen dat ze op de grond zouden terechtkomen, glipte de doos met de buche uit mijn handen  … en die kwam met een doodsmak op de plavuizen terecht.  Commentaar lijkt me overbodig. Ik zal ook nooit eens mazzelen, hè!

Waarom, zo vraag ik me af, keert het lot zich vaker tegen me, dan dat het me in verrukking brengt?  

De zes donkere weken

mandelaOp dit moment is er eigenlijk niet veel gaande in mijn leven en mijn wereld. Ik draai stationair, of op ralenti zoals dat in het Vlaams heet. Ik heb dan ook weinig te melden, behalve misschien dat ik toch even een gedachte aan de zeer door mij bewonderde Nelson Mandela wil wijden. Ik kan dat niet beter doen dan met de woorden van de Zuid-Afrikaanse president, Jacob Zuma:

“Ons het in hom gesien wat ons in onsself gesoek het.”

Ondertussen zijn we met zijn allen de zes donkere weken ingeduikeld. Het is niet bepaald iets dat van aard is om me op te monteren. Al het gedoe dat onlosmakelijk bij een jaarwisseling blijkt te horen, kan mij nauwelijks bezielen, of eigenlijk helemaal niet. Ik behoor net zo min tot de sociabele mensen als tot de feestneuzen. Dat is er bij mij niet ingeslopen met de jaren; ik ben altijd zo geweest. Ik leef graag in de luwte en ben graag bij mezelf.

Tijdens die zes donkere weken zal ik me ongetwijfeld regelmatig bij een vrolijk vlammend haardvuur verschansen, schurkend in een vleesetende fauteuil. Een beroezend boek of een spannende film, gepofte kastanjes, noten, hompjes kaas, een doorleefd wijntje … Nee, toch maar geen wijn. Daar krijg ik geredelijk koppijn van.

En zo is het altijd wat.

O dennenboom (maar ‘t zijn sparren)

Ik ben het inmiddels een beetje kwijt, maar er is een tijd geweest dat ik me vol overgave in het feestgedruis van de jaarwisseling stortte, ja zelfs van harte deelnam aan de daarmee gepaard gaande gebruiken. Zo schrok ik er bijvoorbeeld niet voor terug om binnenskamers een spar neer te poten, om die vervolgens op kitscherige wijze op te tuigen. Het overkwam me zelfs dat ik me aan het kwelen van vrome en dus zoetsappige kerstliederen overgaf, al mogen jullie dat eigenlijk met een grove korrel zout nemen. Het is niet zo dat ik al zingend op zoek ging naar een toonsoort die ik niet kon vinden. Wel integendeel! Ik produceerde allerminst een onlekker geluid, als eigenaar van wat men in vaktermen een smooth bastard van een stem noemt, maar de vroomheid van wat ik ten gehore bracht, ontspoorde vaak in regelrechte boersheid door toedoen van het onbeschaafde gezelschap waarin ik placht te verkeren. Als ik bijvoorbeeld het beroemde lied van de herdertjes ten beste gaf en zong … de herdertjes lagen bij nachte, zij lagen bij nacht in het veld … was het woord veld nog maar net van mijn lippen gerold of mijn toehoorders voegden daar de in koor gebrulde kreet ‘poepzat’ aan toe. Jullie zullen het ongetwijfeld met me eens zijn dat dergelijke kazernetaal niet in een deugdzaam lied thuishoort of, zoals een uitdrukking uitdrukt, niet geschikt is voor onder de kerstboom. Bovendien is het hoegenaamd niet zeker dat de herdertjes, die tijdens de allereerste kerstnacht in het veld lagen nadat ze hun schaapjes geteld hadden, zich in de milde schemer van alcohol bevonden. Hoewel … als je engelen hoort zingen …

Maar goed, ik zit hier maar af te lopen, terwijl ik het eigenlijk over de eertijds door mij gebruikte kerstbomen wilde hebben. Ik opteerde altijd voor een spar met kluit, die ik na de feestdagen een plekje gaf in een verloren hoek van de voortuin. Ondertussen staan ze daar al met zijn zessen, of eigenlijk stonden, want ik heb vanmorgen ontdekt dat men ze ontvreemd heeft. Ik voel me daar bijzonder onbehaaglijk bij, niet zozeer vanwege de gestolen sparren, maar omdat iemand mijn terrein en dus ook mijn leven binnengedrongen is, om zich dingen die mij toebehoren toe te eigenen. Met het kleine begint men, bij het grote houdt men op.

Ongelofelijk wat er allemaal in het wild rondloopt en zich bij nacht en ontij in bossen ophoudt. Al in lang vervlogen tijden maakten geduchte roversbenden deze contreien onveilig en kennelijk dwaalt hier nog steeds allerhande tuig van de richel rond: mensen die alleen ‘s nachts voor de dag durven komen ─ de woordspeling is als zodanig bedoeld ─ en zich dan nog het liefst in uitbundige vegetatie verschuilen. Het zal nog eens zo gaan dat …

Ik heb voor alle zekerheid een soortement knuppel achter de deur staan. De boeven en moordenaars die me bedreigen, het gajes en de schoften, ja, zelfs de seksmaniakken die me willen verkrachten en aldus mijn jongensachtige onschuld bezoedelen, zullen allemaal met mijn grote knots kennismaken. Geen genade! Ik geef ze een hengst voor hun schalen, ik ruk ze de knieschijven af om ze als puck te gebruiken, ik mep ze tot pindastrooisel, ik …

Nee, ik moet er vooral niet aan denken of ik doe geen oog meer dicht … en daar wordt een mens toch zo moe van, hè!

Confrontaties

Nee, ik heb niet echt een hekel aan de kerst, maar ik ontsteek ook niet in laaiend enthousiasme als dat gehannes met bomen en lampjes en lichtjes er weer zit aan te komen. Ik ben vermoedelijk niet voor feestneus in de wieg gelegd. Bijeenkomsten, smulpartijen en drinkgelagen zijn niet aan mij besteed, om van dat opgefokte en derhalve stresserende gedoe met cadeautjes nog te zwijgen.

Kerstmis heet een familiefeest te zijn, maar nu wil het geval dat ik slechts over weinig verwanten kan beschikken. Degenen die ik overhoud zijn dan ook nog familie van Adamswege, of van het zevende knoopsgat zoals we in Vlaanderen zeggen, en ze wonen allemaal in heel verre buitenlanden, zodat het onmogelijk is om even bij ze aan te wippen, gesteld dat ik dat al zou willen. Ik vierde kerstavond in mijn eentje. Nu ja, vieren …

Ik rukte voor mijn katten een blikje zalm open en flanste voor mezelf een gerechtje samen, waarin garnalen de boventoon voerden, want ik ben een groot liefhebber van die schaaldiertjes. Op de televisie waren duizenden wildebeesten bezig een rivier over te steken, hetgeen de steile oevers in niet geringe mate bemoeilijkten. Het duurde dan ook niet lang of honderden dode gnoes dobberden als grauwe marshmallows in het water, hetgeen allerminst bevorderlijk was voor mijn eetlust.
“Maak het een beetje!” riep ik verontwaardigd en ik zapte.

In Madagaskar liet een ringstaartmakimoeder haar baby in de steek, omdat het arme beestje te zwak was om zich aan haar vast te klampen. De camera zorgde ervoor dat ik niettegenstaande ogenzilt heel goed konden zien hoe dat sukkelaartje crepeerde.
“Wel godverdomme hier en gunter!” riep ik verontwaardigd en ik zapte.

Een vrouwelijk jachtluipaard verschalkte een antilopekindje en bracht het dier levend en wel naar haar drie welpen, zodat die spelenderwijs konden leren hoe ze een prooi moesten doden. Dat trio amuseerde zich kostelijk. Ik aanzienlijk minder.
“Krijg toch het slingerschijt!” riep ik verontwaardigd en ik zapte.

Een luchtaanval op een bakkerij in de Syrische stad Halfaya zaaide daar dood en vernieling. Ten prooi aan grote ontsteltenis aanschouwde ik de gorgonische taferelen. Ik zette het televisietoestel af.

Even later legde ik Chopin onder het laseroog en liet me meevoeren met de muziek.

Ik denk nochtans dat ze van goede wil waren, de negentig mensen die bij die bakkerij op hun beurt wachtten en nu dood zijn.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme