Tag: hotemetoten

Bemoeizucht

ZiZIn de supermarkt plukte ik een verpakking met sneetjes gruyèrekaas van ZiZ uit het rek, om die thuis in het gezelschap van een plakje ham tussen brood onder te brengen, met croque-monsieurs als resultaat. Nog voor het pakje in mijn winkelkar lag, werd ik benaderd door een dame die zich al geruime tijd aan de verkeerde kant van de middelbare leeftijd bevond.
─”Moet je niet kopen!” zei ze. “Die dingen zijn buitengewoon ongezond en als je ze smelt, worden ze zo taai als rubber.”
─”Ik zal zelf wel beslissen wat goed voor me is en wat ik wil kopen”, antwoordde ik enigszins geërgerd. “Daar heb ik geen hulp bij nodig.”
─”Oeioeioei!” riep ze en ze zette een gezicht alsof ze een gril van de natuur zag. “Je bent wel heel gauw gepikeerd.”
─”Dat kan best zo zijn,” schokschouderde ik, “maar anderzijds zal ik me nooit bemoeien met zaken die me niet aangaan.”

Ik heb mijn croque-monsieurs met smaak verorberd. De kaas was helemaal niet taai en ik ben er ook niet ziek van geweest. Als de fabrikant van ZiZ dit leest, mag hij me in ruil voor deze gratis reclame gerust een presentje bezorgen. Ik ben met weinig tevreden. 

Achterklap

Ik ben over het algemeen een duldend mens en eerder inschikkelijk van aard, al zijn er wel een paar dingen waar ik me mateloos aan erger. Zo heb ik er bijvoorbeeld een bloedhekel aan dat sommigen het aandurven om in mijn bijzijn, ja zelfs als ze in mijn woning te gast zijn, over te gaan tot het vrijlaten van onbeheerste winden en knallende veesten. Bewaar me, zeg! Ik kan dat absoluut niet billijken. Mag ik?

Gisteren kreeg ik een karbouw over de vloer. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hadden, stonden daarvan nog na te hijgen. Terwijl ik een brief voor hem vertaalde, vergastte hij me op een wel zeer luidruchtige broekhoest. Hij lanceerde de ene flatus na de andere en dat bracht me compleet van mijn à propos.
─”Man, doe toch eens normaal!” foeterde ik.
─”Effe lekker knallen schijnt gezond te zijn”, grinnikte hij en hij voegde de daad bij het woord.
Ik verzamelde zijn papieren, overhandigde hem die en zei dat hij mocht aftaaien. Daar had hij niet van terug, maar toen ik de deur voor hem opende, trakteerde hij me toch nog een keer uitdagend op een allerminst delicate ruft.

Akkoord, scheten laten is des mensen, maar ik wil het niet weten, niet horen en nog veel minder ruiken. In de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling noteerde Hippocrates van Kos ─ die men als de grondlegger van de medische wetenschap beschouwt ─ het volgende in verband met het zich ontdoen van darmgas: “Winden dienen het lichaam bij voorkeur zonder geluid te verlaten, maar het is beter dat er wél geluid aan te pas komt, dan dat ze worden tegengehouden en zich inwendig opstapelen.”

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik het niet met hem eens ben. Men zegge het voort!

Week van het Nederlands

weekNederlands

Ik mag er zonder enige pretentie prat op gaan dat ik me slechts zelden aan taalfouten bezondig. Zo heb ik bijvoorbeeld niet de minste moeite om de staart van werkwoorden van de correcte d’s en/of t’s te voorzien. Ook het obstakel van de verbindings-n zorgt nauwelijks voor hinder. Vaste voorzetsels beschouw ik niet als loslopend wild en leestekens krijgen van mij een rechtmatige behandeling. Ik weet goed de weg in samengestelde zinnen, mors niet met superlatieven en gemeenplaatsen, roer bijna nooit Engels door mijn Nederlands en hoed me voor uitputtende beschrijvingskunst, waarvan het einde al zoek is nog voor ik er met tegenzin aan begin.

Het kan vanzelfsprekend altijd gebeuren dat er een foutje tussen de mazen van het net glipt. Als men me daarop wijst, stel ik dat op prijs en ben ik niet te beroerd om me ootmoedig op de borst te kloppen, maar onlangs …

In de dorpskroeg kwam een man naar me toe. Hij is narcosearts, ofte anesthesist, maar ook een kloothommel die zijn eigendunk nauwelijks kan tillen en een betweter in een academisch steunkorset. Ik heb onlangs een vertaling voor hem gemaakt en daar wilde hij kennelijk een kanttekening bij plaatsen.
─”Je moet nog eens beweren dat het Nederlands nauwelijks geheimen voor je heeft”, sprak hij op een nogal stellige toon met een gelijkhebberige bijklank. “Ik heb in één zinnetje twee flaters ontdekt.”
─”Kom op met je kommetje!” stak er licht onbehagen in me op, omdat hij het blijkbaar nodig vond om die tekortkoming met luider stemme te afficheren.
─”Jij schrijft: het meisje zei dat ze scampi lekker vond. Dat moet zijn: het meisje zei dat het scampi’s lekker vond. Meisje is een onzijdig woord en het meervoud van scampi …”
─”… is scampi”, onderbrak ik hem. “Scampi is van oorsprong al de meervoudsvorm van het Italiaanse scampo. In het Nederlands mag je ook scampi’s gebruiken, maar dat is dubbelop en dus hoeft het niet. Meisje is inderdaad een onzijdig woord, maar in het Nederlands gaat biologisch geslacht vóór grammaticaal geslacht. Bij meisje moet je dus zij of haar gebruiken. Anders nog wat?”

Ik heb, geloof ik, nog nooit zo triomfantelijk gekeken als op dat moment in de dorpskroeg. Ik wil het niet beter weten dan een ander, maar juist is juist.

Zet ze maar bij de kraak!

Ik vertel geen nieuws als ik jullie mededeel dat ik nauwelijks sympathie kan opbrengen voor koningshuizen in het algemeen en het Belgische in het bijzonder. Het weinige krediet dat de leden ervan nog bij me hadden, hebben ze verleden donderdag compleet verspeeld.

De doorluchtige dames en heren vonden het immers niet nodig om acte de présence te geven op het jaarlijkse defilé ter gelegenheid van de Belgische nationale feestdag. Albert, Paola, Astrid, Lorenz en Claire schitterden door afwezigheid en speelden elders mooi weer van ons belastinggeld. Als minachting voor het land en het volk dat ze verondersteld worden te vertegenwoordigen kan dat tellen. Ze moesten zich de ogen uit de kop schamen. Prins Laurent blijkt als enige nog over een greintje fatsoen te beschikken. 

Als het aan mij ligt, mogen ze die parasieten en profiteurs met onmiddellijke ingang hun dotatie ontnemen. Of nee, gooi dat hele koningshuis maar meteen in de prullenbak. Opgeruimd staat netjes.

De afgang

De Rode Duivels zijn na hun ontluisterende Franse deconfiture met de staart tussen de hangende bokkenpoten teruggekeerd in ons dierbaar België, ons heilig land der vaad’ren, zij het niet van mijn vader. Het is gebleken dat we een veel te hoge dunk hadden van ons nationaal elftal en dat individuele kwaliteit niet volstaat om een team te vormen.

Ik ben blij dat we eindelijk van die danig opgeklopte hype verlost zijn. Willen of niet, we werden met zijn allen meedogenloos meegesleurd en ondergedompeld in een opgefokt en artificieel commercieel opbod. Iedereen wilde een graantje meepikken en laten we wel wezen: ik hoef echt geen voetballer op mijn blikje cola of bier en vlaggen, shirts, spiegelhoesjes, pruiken zijn niet aan mij besteed. Ik zal me daar een beetje belachelijk maken.

Ik lees dat iedere Rode Duivel, niettegenstaande de povere prestatie, een slordige € 361.900 binnenrijft. Dat mag dan misschien een brutobedrag zijn, toch blijf ik het een buitensporige beloning vinden voor die over het paard getilde blaaskaken en het staat absoluut niet in verhouding tot hetgeen ze ervan terechtgebracht hebben.

Meer zelfs: ik vind het onfatsoenlijk.

Sluikreclame

Ik heb weinig en misschien zelfs geen verstand van voetbal. Desalniettemin heb ik gisteravond de ontmoeting tussen België en Italië gadegeslagen, want ik wilde toch eens weten waar heel die hype, waarmee men ons al maanden om de oren slaat, nu eigenlijk op stoelt. Ik had beter in mijn broek gescheten.

Voorzien van een blikje blond bier van Hoegaarden en een grote zak chips van Lay’s nestelde ik me op de bank, toegerust met een driekleurig vlaggetje dat ik van Coca Cola heb gekregen en een toeter, die ooit de hoorn van een Oostenrijkse koe geweest is. Wel, die zogeheten Rode Duivels bakten er twee keer niks van, zodat ik achteraf van pure armoede maar zelf de hand aan de pan sloeg en wentelteefjes bakte, die ik rijkelijk onder cassonade van Graeffe bedolf en opvrat. Was dat even lekker!

Wentelteefjes … Verloren brood … Mijn moeder noemde die dingen ‘klakkers’. Waar dat woord vandaan komt, mag de duivel weten. De Rode Duivel.

Kanttekeningen ─ 5

1.
Kris Peeters ─ vicepremier en minister van Werk in Belgenland ─ verklaarde onlangs in een interview: “Iedereen in dit land leeft boven zijn stand. Wij allemaal.”
Het is dan ook verbazingwekkend dat de regering waartoe Peeters behoort het nodig vindt om ons opperhoofd ─ Fluppe van België ─ een opslag van zo maar eventjes € 39.000 te geven, terwijl dat volstrekt nutteloze heerschap al een jaarlijkse dotatie van € 11.651.000 in de schoot geworpen krijgt, om van alle voordelen in natura nog te zwijgen.
Ik heb het hier al eerder en bijna tot vervelens toe gezegd, maar ik blijf het herhalen: afschaffen die handel!

2.
Muhammad Ali, alias Cassius Clay, is dood en inmiddels ook al begraven, nadat men hem wereldwijd uitbundig wierook toezwaaide en onder  loftuitingen bedolf. Zelf vond ik hem een ijdelzuchtige kwek, die zijn eigendunk nauwelijks kon tillen, onnatuurlijk veel van zichzelf leek te houden en aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had, zelfs toen de herfst in zijn hoofd nog niet was ingetreden. Ik staaf dit even met een van zijn citaten:

All white people are devils … Blacks are no devils … Everything black people doing wrong comes from the white people. Drinking, smoking, prostitution, homosexuality, lying, stealing, gambling: it all comes from the white people.

Alle blanken zijn duivels … Zwarten zijn geen duivels … Alles wat zwarten fout doen, komt van de blanken. Drinken, roken, prostitutie, homoseksualiteit, liegen, stelen, gokken: het komt allemaal van de blanken.
Muhammad Ali

Hij was een man die goed kon vechten, al weet ik niet wat daar de verdienste van kan zijn.

3.
Dan denk je dat je alles gezien hebt en dan krijg je dit nog:

duivels1

Het moet niet nog gekker worden.

duivels2

De terreurbestrijdster

Het pad was gereserveerd voor fietsers en voetgangers. Ik fietste. Zij voetgangde … eh … wandelde aan de linkerkant van de weg en hield een hond aan de lijn: een Mechelse herder van het mannelijke geslacht. Ik haalde haar in. Op het moment dat ik haar passeerde, sprong dat beest grommend en met blikkerende tanden naar me toe. Ik kon hem net ontwijken, maar voelde toch zijn muil tegen mijn broekspijp schuren. Uit veiligheidsoverwegingen reed ik nog een tiental meter verder en hield toen halt.
─ “U moet die hond korter aangelijnd houden”, zei ik.
─ “‘t Is gie die moe bell’n oj me verbiestikt”, antwoordde ze hautain. (Jij bent het die moet bellen als je me inhaalt).
─ “Ik moet helemaal niks”, schuddekopte ik.
─ “Het staat in de wet”, verkondigde ze.
─ “Dan is dat toch zeker een wet die u zelf bedacht heeft”, veronderstelde ik.
─ “Ik ken de wet,” beweerde ze, “want ik ben bij de politie.”
─ “Is dat zo?” was ik niet bepaald onder de indruk. “Dan weet u vast ook dat uw hond geen mensen mag aanvallen.”
─ “Ik ben hem aan het opleiden om terroristen te bestrijden”, fantaseerde ze er lustig op los. “Dat gaat altijd met enige agressiviteit gepaard.”
─ “U bent alleszins van uw eerste leugen niet gebarsten en voor uw tweede niet opgehangen”, snoof ik.
─ “Dat is smaad aan de politie!” riep ze. “Je zult volgende week wel een brief krijgen om op het bureau te verschijnen.”
─ “Zal ik u dan maar mijn naam en adres geven?” vroeg ik.
─ “Ik weet wel wie je bent”, gaf ze blijk van helderziendheid, want ik was dertig kilometer van huis.

Het moest niet nog gekker worden. Ik besloot geen woorden meer aan dat compleet geschuffelde mens te verspillen en fietste verder, maar ik was nauwelijks vijftig meter bij haar vandaan, of ik hoorde luid geschreeuw. De hond had een andere fietser aangevallen en dit keer had hij wel toegehapt: een vrouw van een jaar of vijftig lag op pad en bloedde hevig uit een gapende beenwonde. Ik heb de hulpdiensten gebeld: een ambulance en … de echte politie. 

De trut van Troje

Mijn televisietoestel vertoonde rare kuren. Terwijl een nieuwsdienst me het wel en vooral het wee van de aardkloot opdiste, vielen de beelden daarvan voortdurend uiteen in allemaal hyperkinetische blokjes: een stroboscopische wemeling die hoegenaamd geen verkwikkend en zelfs een irriterend schouwspel was.
“Zal ‘t gaan, ja?!” kreeg ik het binnen de kortste keren niet zuinig op de zenuwen.
Per afstandsbediening bezocht ik een aantal andere zenders en stelde vast dat er nog een paar aan hetzelfde euvel mank gingen.
Ik belde mijn buurman en vernam dat er bij hem eveneens storingen optraden. Het lag dus voor de hand dat Telenet, ons beider leverancier van beelden, steken liet vallen, dus telefoneerde ik naar dat bedrijf, zij het niet zonder tegenzin. Ik ben best wel tevreden met hetgeen Telenet me aanbiedt, zij het tegen fikse vergoeding, maar over hun klantendienst ─ die zij om onnaspeurbare redenen support noemen ─ ben ik hoegenaamd niet te spreken. Ik heb bijzonder slechte ervaringen met het zootje ongeregeld dat daar de dienst uitmaakt.

Ik doorwandelde een keuzemenu, oefende veel geduld en kreeg toen een vrouwmens aan de lijn, een supporteuse wellicht, die met een vervaarlijk Nederlands accent het woord tot me richtte. Ik vertelde haar wat er haperde en toen begon ze me daar af te lopen. Je leven zo niet!  Dat het probleem vermoedelijk door de aansluitingen of de bekabeling veroorzaakt werd en of ik die even wilde nakijken voor ze een technicus op me afstuurde, want als er wat aan mijn voorzieningen haperde, konden de kosten daarvan hoog oplopen en veel vijven en nog meer zessen en tralala en reldeldel.

Ze was gewoon niet te stuiten. Het kon haast niet anders of ze hoorde zichzelf bijzonder graag praten, want ze sloeg door als een blinde vink en ik was een drenkeling in haar woordenstroom, tot ik haar op kordate wijze onderbrak en haar nogal snibbig terechtwees:
─”En nu moet u even ophouden met lullepotten en misschien ook even naar mij luisteren. Het ligt hoegenaamd niet aan mijn aansluitingen of bekabelingen, want mijn buurman die vijftig meter bij me vandaan woont, worstelt met krek hetzelfde probleem. Wat u vertelt, is je reinste nonsens.”
─”Als u mij beledigt, zal ik de verbinding verbreken”, dreigde ze.
Ze was nog gauw op haar teentjes getrapt ook.
─”Dat zal niet nodig zijn, want hier en nu beëindig ik dit gesprek”, slikte ik mijn woede in en ik belde af.

Een uur later konden mijn buurman en ik weer ongestoord televisiekijken, zonder dat we aansluitingen of bekabelingen hadden aangeraakt.

Ondertussen ben ik al wat gekalmeerd, maar ik rook nog na.

Trut van Troje

─”Kun je ons volgende week maandag naar onze advocaat brengen?” vroeg de vrouwelijke helft van het echtpaar dat Belgenland om asiel verzocht had en waaraan ik lessen Nederlands verstrekte.
Ik trok mijn agenda, zag dat ik al een andere afspraak had en besloot om die naar een latere datum te verschuiven.
─”Dat moet lukken”, zei ik dus. “Hoe laat?”
─”Negen uur”, zei ze.

Vanmorgen om negen uur meldde ik me bij ze aan.
─”O, we zijn vrijdag al geweest”, zei ze. “Een kennis van mijn man moest daar in de buurt zijn.”
─”Heb je een vinger gebroken of zo?” vroeg ik.
─”Nee!” antwoordde ze. “Waarom?”
─”Omdat je me niet gebeld hebt om me daarvan te verwittigen”, sprak ik misnoegd.
Ze haalde de schouders op en sloot de deur.

Daar sta je dan met je goeie gedrag. Daar krijgt een mens toch een kunstkop van.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme