Tag: hotemetoten

Brol in ‘t kwadraat

Ik heb, denk ik, hier al eerder vermeld dat ik te mijnent over een gerieflijke zolder beschik, waar allerhande snuisterijen en parafernalia een onderkomen gevonden hebben, naast falanxen oude boeken en verzamelingen bejaarde tijdschriften. Je zou het ‘schatten op zolder’ kunnen noemen en ik mag er graag tussen toeven.

Om dat toeven ietwat comfortabeler te kunnen doen, kocht ik ruim twee jaar geleden een eenvoudige driezitsbank, die me desalniettemin toch bijna duizend euro lichter maakte. De firma waar ik dat meubel aanschafte, heet Unigro. Men had me van verschillende zijden opmerkzaam gemaakt op de nogal ongunstige reputatie van dat bedrijf. De producten die ze leverden, waren niet bepaald van lovenswaardige kwaliteit en ook hun klantenservice liet naar verluidt zeer te wensen over. Ik pleeg evenwel vaker waarschuwingen in de wind te slaan en dat was ook dit keer het geval.

Al na anderhalf jaar begon de bank zich vreemd te gedragen en gebreken te vertonen die men bezwaarlijk als ouderdomsverschijnselen kon bestempelen, want het ding was allesbehalve oud. Hoewel ik het meubel allerminst intensief gebruikte, bleken de kussens af te schilferen en dientengevolge kale plekken te vertonen.

Op 11 augustus 2017 telefoneer ik met de klantendienst van de leverancier, Unigro, en deel mee dat mijn bank gebreken vertoont die duidelijk onder de garantieclausule vallen. Men verzekert me dat men de zaak in behandeling neemt en me binnen de kortste keren zal berichten.

Op 19 september 2017 heb ik nog steeds geen bericht gekregen, dus stuur ik een e-mail waarin ik mijn klacht herhaal. Ik krijg niet veel later een (waarschijnlijk automatisch) antwoord: “We streven er naar om u binnen de twee dagen een antwoord te bezorgen, maar we ondervinden tijdelijk een langere wachttijd die tot zeven dagen kan oplopen.”

Ik wacht zo maar eventjes vijf weken en stuur dan, op 22 oktober 2017; een herinnering. Het antwoord komt zeven dagen later. Door het activeren van een nieuwe centrale hebben ze enige vertraging in het verwerken van hun mails. Ze voegen daar laconiek aan toe dat ze helaas geen voorgaande mail van me terugvinden.

Ik ontsteek in grote ergernis en stuur ze deze mail:

Op 11/8/2017 liet ik u telefonisch weten dat de in de rand vermelde bestelling gebreken vertoont die duidelijk onder de garantieclausule vallen.
De bekleding van de zitkussens van de driezitsbank, die deel uitmaakt van deze bestelling, schilfert namelijk af, waardoor de kussens kale plekken vertonen.
Men verzekert me dat men de zaak in behandeling neemt en me binnen de kortste keren zal berichten.

Op 19/9/2017 heb ik nog niets van u vernomen, dus stuur ik u een e-mail, waarin ik mijn klacht herhaal. Ik krijg nog dezelfde dag een e-mail, waarin u me mededeelt dat u ernaar streeft om me binnen de twee dagen een antwoord te bezorgen, maar dat u tijdelijk een langere wachttijd ondervindt die tot zeven dagen kan oplopen.

Ik wacht zo maar eventjes vijf weken en stuur u op 22 oktober 2017 een herinnering. Ik ontvang uw antwoord, opnieuw zeven dagen later. Door het activeren van een nieuwe centrale hebt u naar verluidt enige vertraging in het verwerken van uw mails. U voegt daar laconiek aan toe dat u helaas geen voorgaande mail van mij terugvindt.

Ja zeg, maak het een beetje! Zo blijven we bezig natuurlijk! U hebt aan de ‘spoorloze’ e-mail het nummer MSG-131350 toegekend en u hebt die beantwoord met de hierboven vermelde e-mail, inhoudende dat de wachttijd van 2 tot 7 dagen kon oplopen.

Kan er nu eindelijk een vervolg aan deze inmiddels onverkwikkelijke kwestie gebreid worden?

In bijlage stuur ik u een foto van de toestand waarin de zitkussens zich momenteel bevinden. Mooi is anders!

Ik zie uw antwoord graag tegemoet en hoop dat het dit keer vlotter gebeurt.

driezit

Op 21 november 2017 krijg ik een telefoontje, waarin men me mededeelt dat het euvel van mijn bank aan slijtage te wijten is en derhalve niet onder de garantieclausules valt. Ik stuur ze meteen deze e-mail:

Naar aanleiding van het telefoongesprek dat ik daarnet met uw diensten had, kan ik u het volgende mededelen:

Ik heb begrepen dat u het stukgaan van de bekleding van mijn driezitsbank toeschrijft aan slijtage, die niet onder de garantieclausules valt. Als zitkussens al na anderhalf jaar aan dergelijke slijtage onderhevig zijn en dat normaal bevonden wordt, dan verkoopt u regelrechte brol. Ik zal dan ook niet nalaten om op sociale media (mijn blog, Twitter en dergelijke meer) mijn ongenoegen kenbaar te maken, met vermelding van uw bedrijfsnaam en de raadgeving om vooral niets bij u te kopen. Bovendien zal ik de uitermate gebrekkige werking van uw dienst na verkoop aan de kaak stellen, waardoor ik maar eventjes drie maanden op uitsluitsel moest wachten en u mijn e-mails maandenlang onbeantwoord liet.

Ik dring er dan ook op aan dat u me uit uw klantenlijst schrapt en me geen enkele reclame meer toestuurt, noch per post, noch per mail.

Een uitermate mistevreden ex-klant.

Ze blijven me echter maanden met reclame bestoken, zowel per mail als per post. Telkens als ik iets van ze ontvang, stuur ik ze een mail in steeds driestere bewoordingen, zoals bijvoorbeeld:

Als ik me uitschrijf, en dat heb ik inmiddels acht keer gedaan, wil ik niks meer van jullie ontvangen, maar jullie blijven me spammen met reclame voor de brol die jullie verkopen.
Hou ermee op, achterlijke dakhazen!

En dan voelen ze zich nog gekrenkt ook, want ze antwoorden:

We begrijpen dat dit niet aangenaam is en stellen alles in het werk om de publiciteit stop te zetten. Mogen wij u vriendelijk verzoeken toch enige beleefdheid te hanteren?

Wij bedanken u voor uw mail en vinden het jammer dat u zich wenst uit te schrijven. Uiteraard respecteren wij uw beslissing en daarom hebben we reeds het nodige gedaan.

Door technische redenen kan het gebeuren dat u nog een vijftiental dagen mails van ons ontvangt, alvast onze excuses hiervoor.

Wij bedanken u voor uw begrip en wensen u een fijne dag toe!

Waarna ik weer:

Na de slechte ervaringen die ik met jullie had, voel ik me absoluut niet geroepen om jullie met beleefdheid tegemoet te treden. Wel integendeel. Jullie zijn een prutsbedrijf.

Besluit: Unigro is met voorsprong het slechtste bedrijf van België en belendende percelen. Jullie zijn gewaarschuwd. Zeg niet dat jullie het niet wisten.

Lof der zotheid

“Het zotte rijst met den hoogdag”, placht mijn moeder te zeggen, toen zij nog leefde en ik nog klein en boosaardig was. Ik heb altijd al een hommel in het hoofd gehad en het moet zijn dat die in de buurt van een kerkelijke feestdag wat heviger bromde dan anders en zo deze Vlaamse wijsheid aan de mond van mijn ma ontlokte.

Mijn moeder is ondertussen heel lang dood en zelf ben ik inmiddels al geruime tijd van mijn jeugd bekomen, maar als een hoogdag hoogtij viert, krijg ik nog steeds vlagen van zotheid te verwerken. Zo blaak ik tijdens deze kerstdagen van dichtvuur en heb ik opeens heel veel zin om een politiek getint hekeldicht te schrijven. Dat is des te merkwaardiger, omdat ik absoluut niet voor dichter in de wieg gelegd ben.

Gelukkig rijmt Rutten op trutten, Calvo op salvo en Peeters op mee-eters. Dat schiet aardig op. Als ik nu ook nog een geschikt rijmwoord vind voor Beke en Almaci staat niets nog het welslagen van mijn zotte inval in de weg, want Theo Francken hoort niet thuis in een hekeldicht van mijn hand. Ik zal hem een plaats geven in het lofdicht dat ik ter gelegenheid van de volgende hoogdag zal schrijven.

Een domme muil

Mijn zeer gewaardeerde vriend, R., kwam naar mijn nieuwe keuken kijken. Nu ja, hij kwam eigenlijk voor iets anders, maar ik loodste hem arglistig, want quasi onopzettelijk de keuken in, waardoor hij willens nillens met de renovatie geconfronteerd werd en niet anders kon dan die te bezienswaardigen. Hij wijdde er wat lovende woorden aan, zodat ik haast doorbrandde van trots en vervuld van dankbaarheid zijn complimenten in ontvangst nam. Daarna schurkten we ons in vleesetende fauteuils en wisselden het televisiekijken af met vlagen van koetjes en kalfjes.

Opeens verscheen Donald Muylle op het scherm: de in Vlaanderen alom bekende keukenfabrikant, die zich onsterfelijk heeft gemaakt met de manier waarop hij zichzelf aan de kijkers introduceert bij het begin van zijn reclameboodschap.
“Ik ben Donald Muylle”, zegt hij dan, op een nogal domme manier, die bij velen aanleiding geeft tot groot jolijt.

“Ik ben Donald Muylle”, zei hij dus, waarop mijn vriend zijn mond opende en een vrijwel perfecte imitatie van Donald ten beste gaf, zeggende: “Ik ben Domme Muylle”.

Ja kijk, dan kun je me wegdragen, hè. Als mijn salontafel iets hoger op zijn poten had gestaan, zou ik er ongetwijfeld onder gelegen hebben.

Ambetante groeisels

Ik heb ergens gehoord of gelezen dat de mais dit jaar vroegrijp is, waardoor de oogst ervan ongeveer een maand eerder – namelijk eind september – kan plaatsgrijpen. Voor mij niet gelaten. Meer zelfs: het verheugt me ten zeerste, want ik haat mais.

Dat hoogbenig gewas hindert me tijdens het overschouwen van de Vlaamse landschappen en als het in slagorde op kruispunten opgesteld staat, belemmert het in niet geringe mate het uitzicht en verhoogt het aldus het risico op ongevallen.

Bovendien behoren maisvelden tot de favoriete speelterreinen van klein wild. Het gebeurt niet zelden dat ik er hazen, konijnen of gevogelte zie spelemeien, met alle gevolgen van dien.

Toen ik me vanmorgen tussen uitgestrekte maisakkers bevond, weerklonken vlak naast me twee oorverdovende knallen, waardoor ik me bijna een hartverzakking schrok. Ik maakte een sprong alsof er onder me een krachtige veer in werking trad en gilde als een konijn in de beet van een wezel. Meteen daarna verscheen er een jager op mijn pad.
“Moet dat nu nodig zo dicht bij de openbare weg?” foeterde ik. “Voor hetzelfde geld krijg ik een lading hagel in mijn lijf.”
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet.

Ik stond op het punt om hem een vuile moordenaar te noemen, maar besloot wijselijk om dat verwijt in te slikken. Veel jagers hebben immers een kort lontje en lange tenen. Voor je het weet richten ze hun geweer op je en knallen ze je af.

Handtastelijkheden

Jullie weten inmiddels dat ik het niet zo op wielertoeristen begrepen heb, vooral niet als ze in jolig groepsverband en vaak onder het uitstoten van vervaarlijke oorlogskreten akelig dicht langs me heen hengsten, in splijtende vaart, alsof ze door een horde pitbulls worden achternagezeten.

Terwijl ik gisteren op gezapige wijze door een bedaard landschap fietste, werd ik ingehaald door zo’n leger des onheils. Een van die onversneden rotzakken vond het nodig om me en passant zo’n stevige klap op de rug te geven, dat men die bezwaarlijk als een bemoedigend of vriendschappelijk schouderklopje kon bestempelen. Ik schrok daar zo hevig van dat ik een kreet slaakte en bijna uit koers raakte, hetgeen aanleiding gaf tot grote hilariteit bij dat zootje ongeregeld.

Ze moeten van mijn lijf blijven als ik aan het fietsen ben. En anders ook. Nu ja, meestal toch.

Telefoonmolest

Hoewel zowel mijn vaste als mobiele telefoonnummers sinds jaar en dag opgenomen zijn in de bel-me-niet-meer-lijst, waardoor ik gespaard zou moeten blijven van ongewenste oproepen, kreeg ik toch nog regelmatig een correspondent aan de lijn, die onder het mom van een enquête iets aan me probeerde te slijten.

Meestal was dat een manspersoon, die zich in een met een vervaarlijk accent doorspekte variant van het Engels onverstaanbaar maakte, afliep als een Tibetaanse gebedsmolen en zich in mijn oor vastbeet met de bedoeling om me niet meer los te laten. Als ik dan een einde aan het partijtje lullepotten ─ een gesprek kon je het bezwaarlijk noemen ─ maakte door de verbinding te verbreken, aarzelden sommigen niet om me meteen terug te bellen en me mijn verregaande onbeschoftheid te verwijten.

Onlangs besloot ik om korte metten met die opdringerige bellers en hun dubieuze praktijken te maken. Als ik zo’n heerschap aan de lijn kreeg, onderbrak ik hem meteen en vroeg kordaat of hij ook Nederlands sprak:
“Do you speak Dutch?”
Meestal, om niet te zeggen altijd, dienden ze daar negatief op te antwoorden en dan zette ik ze gelijk op hun nummer:
“Dutch is my language and if you don’t speak my language you have no reason to call me. Goodbye!” Mijn taal is het Nederlands en als u mijn taal niet spreekt, hebt u geen enkele reden om me te bellen. Salut!

Sindsdien bellen ze me nooit terug. Meer zelfs: vanaf het moment dat ik me van deze methode bediende, bleven dergelijke oproepen stelselmatig achterwege en nu heb ik zowaar al een paar weken niets meer van zulke hotemetoten vernomen.

Even afkloppen!

En de boer, hij klungelde voort

Zij die zich gemotoriseerd verplaatsten, met uitzondering van elektrische fietsers en landbouwvoertuigen, mochten het weggetje niet gebruiken. Dat stond op niet mis te verstane verkeersborden vermeld.

Uitgerekend zo’n landbouwvoertuig – een tractor met een hooischudder als aanhangsel – versperde de doorgang. Het gevaarte stond dwars over de weg, die aan beide zijden door een onoverbrugbare sloot begrensd was. Er was geen doorkomen aan. Ik hield derhalve noodgedwongen halt en sloeg de lome bezigheden gade van de morsige boer, die desalniettemin een agrarisch soort stevigheid over zich had en zonder veel enthousiasme aan de machine sleutelde. Het was duidelijk geen aangenomen werk. De man was nog luier dan een pamper.
─”Ik wil je niet haasten, maar duurt het nog lang?” durfde ik te vragen.
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet. Hij negeerde me straal.

Niet veel later kreeg ik het gezelschap van een aantal andere fietsers en ook aan de overkant daagden wat wielertoeristen op. Met zijn dertienen stonden we daar te heisteren en met hel en verdoemenis te dreigen, maar dat was volkomen aan dat heerschap verspild. Hij bleef onhandig met sleutels en schroevendraaiers schutteren en algehele onverschilligheid tentoonspreiden. Sommigen maakten rechtsomkeer, maar samen met een half dozijn anderen volhardde ik in de boosheid en bleef wachten. Bijna een kwartier stonden we daar. Toen klom die boerenpummel eindelijk op zijn tractor, om ons doorgang te verlenen. De verwijten die we hem en passant naar het hoofd slingerden, waren kennelijk niet aan hem besteed. Ze dropen van hem af als water van een eend.

Sommige mensen kun je prikken met een speld, maar voor andere volstaat zelfs een hooivork niet.

Uitzichtloos

Ik werd ingehaald door een uitermate lawaaierig voertuig, want in het kielzog ervan dobberde een aanhangwagen die al zijn duivels ontbond en een hels kabaal maakte.

De herrieschopper was me nog maar net voorbijgereden of er verhief zich een ferme flard plastic uit zijn aanhangsel. Het ding schoot met een ruk omhoog, daalde vervolgens statig zwevend neerwaarts en vlijde zich toen gemoedelijk neer op de voorruit van een achteropkomend voertuig. De daarin aanwezige dame zag opeens niets meer, dus ook niet de flauwe bocht die zich voor haar uitstrekte. Ze trapte weliswaar hard op het rempedaal, maar kukelde desalniettemin met haar hele hebben en houden de sloot in. De dader vervolgde ongestoord zijn weg. Had hij niet gezien wat hij veroorzaakt had, of gebaarde hij van krommenaas?

Samen met nog een passant takelde ik de chauffeuse ─ die ik overigens vrij goed kende ─ uit de sloot. Ze was gelukkig ongedeerd. Haar auto lieten we om voor de hand liggende redenen ─ ontstentenis van de nodige spierkracht ─ voorlopig waar die was. Ik verzekerde haar dat ze desgewenst een beroep op mijn ooggetuigenverslag kon doen en vervolgde mijn weg.

Nauwelijks een kwartier later merkte ik de veroorzaker van het onheil op, want hij had zijn auto met aanhangsel op nogal nonchalante wijze achtergelaten op een parkeerplaats in een dorp. Ik heb onmiddellijk zijn nummerbord doorgeseind naar het slachtoffer in kwestie. Groot was haar dankbaarheid.

Alles wel beschouwd, mag ik nog van geluk spreken. De uitzichtloze mevrouw had net zo goed de andere kant kunnen uitkomen en me van de weg maaien. Dan had ik dit stukje waarschijnlijk niet geschreven. Verheugt u allen en weest blijde.

De wetten van Pernikkel

Mijn vriend Reinhold is gedurende een week bij me te gast. Sinds jaar en dag noem ik hem Pernikkel, al kunnen we ons geen van beiden herinneren op welke manier hij die bijnaam verworven heeft. Het moet gebeurd zijn in onze dartele jaren, toen we jong en boosaardig waren en heil zochten bij onze onbetrouwbare vrienden: alcohol en marihuana. De vlag dekt trouwens de lading niet. Een pernikkel is in West-Vlaanderen een klein en onbeduidend mannetje en Reinhold is noch het een, noch het ander. Wel integendeel! Hij is groot, slank, knap, zowaar een beetje pienter en een uitermate bijdehante knaap. Zo baant hij zich bijvoorbeeld met aangeboren bravoure en achteloze zwier een weg door het woud van hovenierswerk. Dat is trouwens de reden waarom ik hem te logeren gevraagd heb, want mijn gestoethaspel tijdens het uitvoeren van tuinkarweien is vooralsnog door niemand overtroffen.

Verleden donderdag stond ik toe te kijken hoe hij zich aan de vormsnoei van enkele struiken wijdde, toen ik plots last kreeg van overweldigende dorst en voorstelde om die binnenshuis te lessen. De televisie stond aan en vertoonde beelden van het vragenuurtje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar Kristof Calvo ─ de fractieleider van Ecolo-Groen ─ opnieuw en nog maar eens het hoge woord voerde en probeerde alle aandacht naar zich toe te trekken. Ik heb een bloedhekel aan die arrogante klootzak. Hij is er helemaal in zijn eentje verantwoordelijk voor dat ik nooit op Groen zal stemmen, zolang hij daar de dienst uitmaakt.
─”Wat is dat toch een gefrustreerd konijn!” riep ik toen ik hem bezig zag en hoorde.
─”Wie een klein pietje heeft, probeert zijn frustratie daaromtrent door arrogantie te verdoezelen”, formuleerde Pernikkel zijn eerste wet van die dag.

Diezelfde avond zagen we stiekem gefilmde, weerzinwekkende taferelen die zich in een slachthuis van het West-Vlaamse Tielt afspeelden: varkens werden er geschopt, geslagen, aan de oren voortgesleurd, bij volle bewustzijn aan slachthaken opgetakeld, onverdoofd gekeeld en nog meer van dat fraais. Door die wanpraktijken heeft de Vlaamse minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts, met directe ingang de vergunning van dat bedrijf ingetrokken en de supermarktketen Delhaize heeft onmiddellijk de samenwerking met dat slachthuis opgezegd: maatregelen die ik ten zeerste toejuich. Reinhold en ik zaten verbijsterd naar dat ontluisterende schouwspel te kijken.
─”Dierenbeulen zijn mensen die thuis onder de pantoffel zitten”, formuleerde hij zijn tweede wet van de dag en ik was geneigd om het met hem eens te zijn.

Nee, Pernikkel is absoluut geen klein en onbeduidend mannetje.

Rare kwibussen

1.
Ik zat op een bank in de Brugse stationshal, wachtend op Godot … eh … op een kennis van me, die me graag een bezoek wilde brengen, maar niet over een vervoermiddel beschikte dat hem tot bij mijn woning kon brengen. 

Terwijl ik mijn tijd vermorste, zwaaide plots een deur open en op de drempel daarvan verscheen een wezen, dat ingeduffeld was alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Hij droeg een gebreide pomponmuts, een gewatteerde jas, een wollen sjaal van niet geringe omvang, een uitgelubberde drollenvanger en schaterrode kousen. Bovendien verplaatste hij zich op ski’s, waardoor hij zich met een nogal hanige en alleszins luid klabetterende tred voortbewoog, richting loketten. Daar merkte hij dat de latten onder zijn voeten hem verhinderden om bij de spreekopening te komen, dus draaide hij zich een kwartslag en benaderde zijdelings het ruitje. Het geroezemoes in de hal was volledig stilgevallen, omdat allen daar aanwezig hem in stomme verbazing aangaapten.

“Een retourtje Kitzbühel!” sprak hij met een declamatorische galm in zijn stem. Ik zag de bediende iets zeggen, maar kon hem niet horen. “Jij je zin!” schokschouderde de sportieveling. “Dan ga ik wel bij de concurrentie.” Hij schoof zich moeizaam naar het naastliggende loket en herhaalde zijn verzoek, maar ook daar ving hij bot. “Nou, dat schiet lekker op!” foeterde hij. “Wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Uit jullie neus te vreten?”

Hij schudde veelbetekenend het hoofd, draaide zich om, hoskloste naar de uitgang en verdween.

2.
Iedere zondagmorgen verschijnt op het marktplein van het dorp waar ik woon een reusachtige vrachtwagen, die zich na het openklappen van een der flanken ontpopt tot een kraam, waar men naast allerhande vlotte happen ook aan het spit gebraden kippen kan kopen, die trouwens erg lekker toebereid zijn, zoals ik al herhaaldelijk mocht ondervinden.

Terwijl ik mijn beurt afwachtte, verliet een ietwat versjofelde man een nabijgelegen drenkplaats. Hij was duidelijk behoorlijk aan de vracht, of toch zeker scheef geladen, want hij kwam met improviserende tred naar ons toe. Wankelend als een herhaaldelijk aangeslagen bokser stak hij een hand omhoog.
“Voor mij een goed doorbraden struisvogel!” bralde hij. Hij had zo’n stentorstem, waarmee je wellicht blij bent als je om hulp moet roepen. Hij vernam dat de struisvogels nog niet struis genoeg waren om ze aan een spit te rijgen. “Doe me dan maar een eenvoudig pintje”, matigde hij zich en men overhandigde hem zowaar een blikje bier. Hij kreeg het nog gratis ook!

Wacht maar! Volgende week … 

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme