Tag: horror

Waarom weet ik dit?

grashalmWe zijn met velen die met volle teugen genieten van de geur die opstijgt uit een pas gemaaid gazon of grasveld. Nu blijkt dat aangename aroma echter afkomstig te zijn van sneuvelende grassprietjes, die het luchtje uitstoten als waarschuwingssignaal voor hun soortgenoten, teneinde die ervan te verwittigen dat er gevaar dreigt. Wat we ruiken is dus eigenlijk de geur van paniek en angst.

Dit wetende, zal ik wellicht nooit meer met dezelfde onbevangenheid kunnen genieten van de geur die opstijgt uit een pas geschoren grasveld.

En jullie? 

De wetten van Pernikkel

Mijn vriend Reinhold is gedurende een week bij me te gast. Sinds jaar en dag noem ik hem Pernikkel, al kunnen we ons geen van beiden herinneren op welke manier hij die bijnaam verworven heeft. Het moet gebeurd zijn in onze dartele jaren, toen we jong en boosaardig waren en heil zochten bij onze onbetrouwbare vrienden: alcohol en marihuana. De vlag dekt trouwens de lading niet. Een pernikkel is in West-Vlaanderen een klein en onbeduidend mannetje en Reinhold is noch het een, noch het ander. Wel integendeel! Hij is groot, slank, knap, zowaar een beetje pienter en een uitermate bijdehante knaap. Zo baant hij zich bijvoorbeeld met aangeboren bravoure en achteloze zwier een weg door het woud van hovenierswerk. Dat is trouwens de reden waarom ik hem te logeren gevraagd heb, want mijn gestoethaspel tijdens het uitvoeren van tuinkarweien is vooralsnog door niemand overtroffen.

Verleden donderdag stond ik toe te kijken hoe hij zich aan de vormsnoei van enkele struiken wijdde, toen ik plots last kreeg van overweldigende dorst en voorstelde om die binnenshuis te lessen. De televisie stond aan en vertoonde beelden van het vragenuurtje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar Kristof Calvo ─ de fractieleider van Ecolo-Groen ─ opnieuw en nog maar eens het hoge woord voerde en probeerde alle aandacht naar zich toe te trekken. Ik heb een bloedhekel aan die arrogante klootzak. Hij is er helemaal in zijn eentje verantwoordelijk voor dat ik nooit op Groen zal stemmen, zolang hij daar de dienst uitmaakt.
─”Wat is dat toch een gefrustreerd konijn!” riep ik toen ik hem bezig zag en hoorde.
─”Wie een klein pietje heeft, probeert zijn frustratie daaromtrent door arrogantie te verdoezelen”, formuleerde Pernikkel zijn eerste wet van die dag.

Diezelfde avond zagen we stiekem gefilmde, weerzinwekkende taferelen die zich in een slachthuis van het West-Vlaamse Tielt afspeelden: varkens werden er geschopt, geslagen, aan de oren voortgesleurd, bij volle bewustzijn aan slachthaken opgetakeld, onverdoofd gekeeld en nog meer van dat fraais. Door die wanpraktijken heeft de Vlaamse minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts, met directe ingang de vergunning van dat bedrijf ingetrokken en de supermarktketen Delhaize heeft onmiddellijk de samenwerking met dat slachthuis opgezegd: maatregelen die ik ten zeerste toejuich. Reinhold en ik zaten verbijsterd naar dat ontluisterende schouwspel te kijken.
─”Dierenbeulen zijn mensen die thuis onder de pantoffel zitten”, formuleerde hij zijn tweede wet van de dag en ik was geneigd om het met hem eens te zijn.

Nee, Pernikkel is absoluut geen klein en onbeduidend mannetje.

Vijgen na Halloween

Het had ’s nachts flink gevroren, maar de morgenstond hulde zich in prachtig wandelweer, dus besloot ik om me per benenwagen naar het dorp te verplaatsen, teneinde daar wat mondvoorraad in te slaan. Ik liep zodoende door een lange dreef, afgelijnd met berijpte bomen, die zich in de zon bakerden en er genoegen in schepten om het ijs van hun takken te schudden en me ermee te bekogelen. Ik probeerde die projectieltjes te ontwijken, maar kon niet verhinderen dat ik een niet gering aantal keren door eentje getroffen werd.

Terwijl ik door een kleine supermarkt scheerde, viel het me op dat menigeen me nogal doordringend, om niet te zeggen lichtelijk verbijsterd aanstaarde, zodat ik me begon af te vragen of ik soms een tweede kop gekregen had.
“Weet u dat u er nogal toegetakeld uitziet?” vroeg het meisje dat de kassa bediende.
Ik wist het niet en ze verwees me naar een spiegel daar in de buurt. Ik was wellicht op gemene wijze door zo’n ijsbrok geraakt en verwond. Op mijn slaap ontstond immers een bloedspoor, dat naar mijn wang neerdaalde en zich daar vertakte, om op grillige wijze zowel naar mijn oor als naar mijn kin te koersen.

Het is toch verbazingwekkend dat een tiental mensen dat opmerkten, me bekeken alsof er zich een geest manifesteerde, maar er het zwijgen toededen.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.  
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

starnakel

Nachthengsten

Ik slaap – lang – twee à drie uur – dan komt er een droom – nee – een beklemmende nachtmerrie. Ik voel goed dat ik in bed lig en dat ik slaap … Ik voel het en ik weet het … en ik voel ook dat iemand op me afkomt, naar me kijkt, me betast, op mijn bed klimt, op mijn borst knielt, mijn hals tussen zijn handen neemt en knijpt … uit alle macht knijpt om me te wurgen.
Ik verdedig me, maar die afschuwelijke onmacht die ons in onze dromen verlamt, houdt me vast; ik wil roepen – ik kan het niet – ik wil bewegen – ik kan het niet – uit alle macht, hijgend, probeer ik me om te draaien, dat wezen dat me verplettert en verstikt van me af te werpen – ik kan het niet!
En plotseling word ik wakker, vertwijfeld, badend in het zweet. Ik steek een kaars aan. Ik ben alleen.
Na die crisis die elke nacht terugkeert, slaap ik eindelijk rustig tot de ochtend.
Guy de Maupassant

In februari van dit jaar verscheen hier het pennenvruchtje: Ik droomde dat ik sliep. Daarin maakte ik melding van een hoogst merkwaardig fenomeen, waardoor ik ’s nachts schijnbaar ontwaakte, me bedreigd voelde door een onmiskenbaar kwaadaardige aanwezigheid in mijn kamer, maar geen vin kon verroeren en dus weerloos overgeleverd was aan de moordzuchtige demon, tot ik er ten prooi aan levensgrote paniek in slaagde om mijn lichaam het bed uit te schuiven en te ontwaken toen ik met een smak op de vloer terechtkwam.

Het is helaas niet bij die ene keer gebleven. Wel integendeel! Ik heb sindsdien steeds vaker last van dergelijke nachtmerries. Wat zeg ik?! Dat zijn geen nachtmerries meer, dat zijn regelrechte nachthengsten. Ik begeef me iedere avond met tegenzin naar bed, bang voor wat er misschien aan zit te komen, en ik zie me genoodzaakt om het ledikant met kussens te omringen, zodat ik in voorkomende gevallen minder brutaal te gronde ga.

Ik heb er met mijn dokter over gesproken. Tot mijn verbazing wist hij meteen waar ik het over had en hij kon het fenomeen zelfs benoemen met een geleerde naam, slaapparalyse, en met het Nederlandse equivalent ervan: slaapverlamming. Hij bazelde ook nog wat over hallucinaties en hypnagogische waarnemingsstoornissen, maar verklapte toen opeens dat hij er eveneens last van had. Hoewel het verschijnsel al sinds mensenheugenis bestaat, is het nog relatief onbekend. Men weet vooralsnog niet wat de oorzaak ervan is, of hoe men het kan onderdrukken. Hij gaf me de raad mee om vooral niet in paniek te raken als het gebeurde, maar rustig te proberen om eerst één vinger te bewegen, vervolgens de hele hand, daarna de arm … enzovoorts en zo verder.

Ik vond dat een nogal onnozele remedie en ik had er dan ook bedenkingen bij, maar tijdens de voorbije nacht kon ik die aan de praktijk toetsen en het is me warempel nog gelukt ook: ik ben ontwaakt zonder uit mijn bed te vallen.

Raymond en het spookhuis

Op 7 november van verleden jaar publiceerde ik hier, in Het spookhuis, een drietal foto’s van een vermeend spookhuis dat ik tijdens een fietstocht op mijn weg ontmoette. Enkele dagen later, op 11 november, wijdde ik een schrijfsel ─ Ju! ─ aan de betreurenswaardige lotgevallen van een boer, Raymond Declerck, die in de buurt van dat spookhuis onder zijn eigen kar terechtkwam, dientengevolge schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselde en voor wie men op de plaats van het onheil een soortement gedenkteken heeft opgericht. Ik fantaseerde er toen lustig op los over de manier waarop er een einde aan zijn leven kwam.

Vandaag kan ik jullie uitsluitsel geven omtrent de juiste toedracht van zowel de lugubere woning als het verscheiden van Raymond. Ik kwam onlangs immers opnieuw op die plek terecht, waar de eigenaar van het griezelhuis uitgerekend op dat moment bezig was de ramen te lappen. Ik kneep de remmen dicht, hield halt, verontschuldigde me voor het storen en vroeg vriendelijk om tekst en uitleg.

Zijn optrekje bleek hoegenaamd geen spoken of geesten te huisvesten. Het bordje ‘haunted house’ was daar indertijd neergepoot door een niet nader genoemde vereniging, toen die ter gelegenheid van Halloween een ijzingwekkende zoektocht organiseerde. Ik verborg meesterlijk mijn teleurstelling en vroeg of hij me meer kon vertellen over de arme Raymond, die vijftig meter verderop in lang vervlogen tijden aan zijn droevige eind kwam. Dat kon hij. Raymond was inderdaad starnakelzat geweest toen hij van de molen in Klemskerke terugkeerde, maar er was geen meelzak van zijn kar gevallen. Nee, Raymond was zelf met zijn dronken kloten (sic) van zijn voertuig getuimeld en onder de wielen terechtgekomen, met alle gevolgen van dien.  

Ik vond dat Raymond deze rechtzetting verdiende, al kan ik niet ontkennen dat ik mijn versie van zijn ongeluk leuker vond. Nu ja, leuker …

Die neergedaald is ter helle …

Een vraag die vrijwel iedere dag tijdens de ochtenduren door mijn schedel waart, is: Wat zal ik vanmiddag eens eten? Meestal heb ik er geen moeite mee om een keuze te maken, want ik ben met weinig tevreden. Ik nam me voor om me vandaag aan een frietje met stoofvlees en met mayonaise gefatigeerd witlof te verlustigen.

Toen de frituurpan aangaf dat ze er klaar voor was en ik aanstalten maakte om er mijn patatjes aan toe te vertrouwen, daalde er uit de afzuigkap plots een grote trilspin neer en dat stupide mormeltje dook regelrecht de hete olie in, hetgeen niet meer dan een nauwelijks hoorbaar sisgeluidje teweegbracht. Ik stond erbij en ik keek ernaar.

Ik heb vanmiddag derhalve geen frieten gegeten. In plaats daarvan heb ik enkele aardappelen gekookt. Straks zal ik de olie verversen. Het valt met geen woorden te beschrijven welke gloeiende siroophekel ik aan dat klusje heb. Bah, wat een gekleuter, om van het geklieder nog te zwijgen.

Volgens een hardnekkig broodjeaapverhaal zou ieder mens jaarlijks vier tot acht spinnen verorberen tijdens zijn slaap. Doe mij dan maar een gefrituurd exemplaar.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme