Tag: horeca

De truken van de foor

Het mosselseizoen heeft een aanvang genomen en daar heb ik mijn fleur in, want dat wonderlijk gedierte is mijn kostje. Ik lust ze wel, die gepantserde frivoliteiten.

Meestal maak ik ze zelf klaar, zoals mijn moeder het me heeft voorgedaan, maar af en toe laat ik me verleiden om die in een restaurant te bestellen en te nuttigen. Soms valt dat mee; soms valt dat tegen.

Gisteravond zat ik aan de tapkast van de plaatselijke drenkplaats een biertje te likken, toen een heerschap zijn grote hoeveelheid kilogrammen naast me neerliet en een gesprek met me aanknoopte. Hij was behoorlijk aan de vracht, leek het me, en in de milde schemer van alcohol durft een mens er al eens wat uit te lappen, of iets aan de klokkenreep te hangen.

mosselenDe man bleek in een restaurant te werken. Hij klapte dus letterlijk uit de keuken toen hij me op samenzweerderige toon mededeelde dat men daar – en volgens zijn zeggen in de meeste eethuizen – een loopje placht te nemen met de mosselen die men aanbood. Men gooide namelijk steevast een aantal lege schelpen in de pot, waardoor de porties groter leken en men bij de klanten de verkeerde indruk wekte dat ze heel veel waar voor hun geld kregen.

Ik heb inderdaad al een paar keer vastgesteld dat ik veel meer lege schelpen aantrof dan dat er losse mosselen in het kookvocht onderaan de pot dreven. Voortaan zal ik dat nauwgezet controleren en wee het restaurant waar ik meer schelpen dan mosselen krijg. Ik zal ze aan de schandpaal nagelen.

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Ik vond het een genot, hoor!

Het restaurant waar ik regelmatig aanlegde om de inwendige mens te versterken ─ ik heb er hier nog geen jaar geleden het wierookvat voor bovengehaald ─ is ter ziele gegaan. Ik heb het volstrekt niet zien aankomen en ik betreur het ten zeerste. Ik dien dus noodgedwongen op zoek te gaan naar een nieuwe pleisterplaats.

Tot nu toe heeft mijn queeste twee etablissementen opgeleverd, waar het goed toeven en aanschikken is, en waar ik derhalve wellicht vaker mes en vork in stelling zal brengen.

In het rustige polderdorp Stalhille liet ik me verleiden door het praat- en eetcafé ’t Hoekske, dat zoals de naam al doet vermoeden gelegen is op de hoek van de hoofdstraat, de Cathilleweg, en de Spanjaardstraat, rechtover de kerk. Ik verorberde er onder meer de huisbereide rijstschotel met zalm in een ‘Stalhilnoisesausje’. Dat was ongegeneerd lekker en het sausje met de rare naam was zo melodieus dat ik er bijna lyrisch van werd. Ik kan jullie het gerecht dan ook van harte aanbevelen.

In Wijnendale, aan de rand van het fameuze wandel- en fietspad Groene 62, heeft in het voormalige stationsgebouw de Tearoom-Brasserie Wijnendale Station onlangs de deuren geopend. Ik ben er verleden week neergestreken en ik heb er onder meer de scampi van het huis verorberd: een bezigheid die zeer zeker voor herhaling vatbaar is en die ik dan ook graag een aanprijzing meegeef.

In beide gelegenheden zul je een kraakzindelijk en gezellig interieur aantreffen. Je betaalt er een schappelijke prijs voor uitstekend voedsel. Het personeel bezit er het geheim om precies het juiste midden te bewaren tussen professionele afstand en menselijke warmte.

Meer moet dat volgens mij niet zijn. Allen daarheen!

Leid me niet in bekoring

Ik begaf me naar de Tourmalet. Voor een goed begrip: ik reisde niet naar het diepste zuiden van Frankrijk, om daar de Pyrenee met die naam te beklimmen, maar ik wendde de steven naar een restaurant dat eigenlijk O’Tourmalet heet, maar in deze contreien door vrijwel iedereen Den Tourmalet genoemd wordt, want dat bekt lekkerder.

Dat horecabedrijf was eertijds de thuishaven van wielrenner Sylveer Maes, die in de jaren dertig van de vorige eeuw twee keer de Tour de France won. Vandaag de dag voeren Magda en Marcel er de scepter en ik heb het hier al eerder vermeld: je kunt er verdraaid lekker eten voor een schappelijke prijs. Ik koos de suggestie van de week: een scampibrochette met saffraansaus en frieten. Terwijl ik zat te smikkelen en te smullen kwam de vrouw des huizes naar me toe.
“Kan het je bekoren?” informeerde ze vriendelijk.

Kijk, dat vind ik nu eens een veel originelere manier om naar iemands bevindingen omtrent voedsel te vragen, dan de gebruikelijke en dus clichématige formules: Is het lekker? Smaakt het? Of zelfs: Is alles naar wens?

Het gerecht kon me zeer zeker bekoren. Ik was er zelfs dusdanig enthousiast over dat ik het zoutvat op mijn tafel een optater van je welste gaf, zodat het op de vloer smakte en openbarstte in wel duizend gruzelementen.

Blikskaters! Wat ben ik toch een frulleman! Nu ja, Magda en Marcel kennen hun pappenheimers en ze zullen ondertussen al weten dat niemand ooit mijn geknoei zal overtreffen. Of mijn gestoethaspel iemand kan bekoren, durf ik toch te betwijfelen.

Laat je niet kennen!

Ze was zo bejaard dat ze de Dode Zee nog gekend had toen die nog leefde, maar ze glunderde haar ouderdom weg. Haar gezicht vertoonde wellicht meer rimpels dan dat van een Egyptische mummie, maar die had ze vakkundig onder make-up bedolven. Ze stapte het restaurant binnen, begaf zich met resolute tred naar een tafeltje, installeerde zich en bestelde op kordate wijze een mojito, al vergiste ze zich wel even in de benaming van dat drankje, door de j als j en niet als g te gebruiken.

Even later maakte ze kenbaar dat haar keuze op mosselen in witte wijn gevallen was. Ze kreeg er een volle pot van, die vergezeld was van frieten, een slaatje en een karaf huiswijn. Ze bediende zich van een aantal frieten, wat sla, enkele schijfjes tomaat en een flinke klodder mosselsaus, maar merkte niet dat ze het zootje naast het bord op het tafellaken deponeerde. Een wit bord op een ondergrond van wit damast is geen ideale combinatie als je ogen je in de steek laten.

De kelner hielp haar uit de brand, maar even later stootte ze haar glas om en de inhoud ervan kwam in haar schoot terecht. Wrijvend, deppend en bettend probeerde ze zich te fatsoeneren. Hoewel ze het vervolgens op een geweldig eten zette, slaagde ze er niet in om de mosselpot leeg te ratsen, dus informeerde ze of ze wat overbleef mee kon nemen. Dat kon. Een emmertje met deksel bood uitkomst. Ze was zelfs heel blij met dat emmertje, want dat kon ze achteraf meenemen als ze haar man bezocht op het kerkhof.
“Ik ben nogal ‘kerkhofachtig'”, glimlachte ze verontschuldigend. “Zo’n emmertje is handig om de bloemen op het graf te begieten, maar de beschikbare emmertjes verdwijnen daar als sneeuw voor de zon.”

Ze vertrok met het optimisme van een missiepater, zij het met een iets onvastere tred dan bij het binnenkomen. Een mojito en een halve liter wijn ─ min één glas ─ kunnen dat teweegbrengen, maar ze hield zich kranig. Niet versagen, mevrouw!

Stevige kost

Ruim vier weken na mijn ongeval was ik eindelijk in staat om op de fiets te klimmen en me op weg te begeven. Mensen kinderen, dat was genieten! Mijn hart zong op van vreugde en dat werkte zo aanstekelijk dat mijn mond begon mee te zingen.

Hoewel ik me aanvankelijk tot wat geneurie beperkte, durfde ik, toen ik me eenmaal in de beschutting van een bos bevond, uit volle borst en met luider stemme een lied aanheffen: De trommel slaat, de fluite gaat, de wind ontvouwt de vane … Dat is eigenlijk een staplied, maar ik denk niet dat er specifieke fietsliederen bestaan, tenzij misschien ‘Fietsen op de heide’, maar daar ken ik de tekst niet van en bovendien was er in geen velden of wegen heide te bespeuren. Ik hield op met kwelen toen ik een picknicktafel passeerde, waaraan een kroostrijk gezin had plaatsgenomen. Ze keken me aan alsof ze een vis op een vouwfiets aanschouwden, dus leek het me geraadzaam om mijn al te uitbundige gezang wat te temperen.

mosselpanDra kwam ik bij een door de horeca geëxploiteerd boerderijtje dat luidens een uithangbord – dat eigenlijk een uitstandbord was – ook mosselen van Prins & Dingemanse serveerde. Ik zette het daar op een geweldig eten, want was dat even lekker! Vooruit! Ik doe eens even iets geks, dacht ik nadat ik de pot schelpdieren leeggeratst had en ik bezondigde me aan een aardbeiencoupe, die een lust voor lepels bleek te zijn.

Terwijl ik zat uit te buiken in het gezelschap van een kop koffie sloeg ik tersluiks een bejaard echtpaar gade. Toen de man met een universeel vingergebaar kenbaar maakte dat hij wilde betalen en de serveerster ─ die vermoedelijk tevens de eigenares van het etablissement was ─ hem de rekening bracht, vroeg ze:
─”Was alles naar wens?” Ze staarden haar aan alsof ze snot zagen branden en ze zag zich genoodzaakt om haar toevlucht tot het West-Vlaams te zoeken. “Was ’t e bitje no juldre hedacht?”
─”Joat wei”, zei hij en zijn echtgenote beaamde dat met heftig geknik. “Toed an de ribb’n.”

Dat het aan de ribben kleefde, verbaasde me niet. Ze hadden beiden uitgebreid aan ribbetjes zitten peuzelen en zij had zelfs haar mond van een kunstgebit beroofd, om het onappetijtelijke ding met een tandenstoker van overtolligheden te bevrijden. Mens toch!

Niet versagen!

Het restaurant waar ik zo nu en dan mes en vork in stelling breng, behelsde slechts vijf mensen: de ‘patron’, een kelner, twee heren die voortdurend in zakelijke gesprekken verwikkeld raakten en jullie nederige dienaar. Opeens echter zwaaide de deur open en er dobberde een schriele zestiger binnen, op onzekere benen en een stok.

Met enig gestommel nam hij plaats aan een tafeltje in mijn gezichtsveld en hij bestelde het menu van de dag. Prompt kreeg hij de daarbij horende kom soep voorgezet. Hoewel de man dapper lepelde, slaagde hij er nauwelijks in soep tot bij zijn mond te brengen. Parkinson bemoeide zich immers met zijn handen en hij spreidde een niet te onderschatten tremor tentoon, waardoor hij bijna letterlijk op zijn honger bleef zitten. Na veel gemors en geklieder vatte hij de kom tussen beide handen en dronk die leeg.

Ook de rundertong in maderasaus en de puree struikelden voortdurend van zijn vork, maar de man zette door met engelengeduld, of was het de moed der wanhoop?
“Laat je niet kennen!” moedigde ik hem binnensmonds aan, al had ik het eerlijk gezegd wel met hem te doen.

De koffie ging vergezeld van een glaasje advocaat en hij gaf te kennen dat hij geen alcohol mocht gebruiken, waarop de kelner hem op eigen initiatief een gebakje bezorgde, wat ik wel fideel van hem vond. De man begon het taartje te verorberen … nu ja, dat probeerde hij althans, want jullie hebben ongetwijfeld al begrepen wat er gebeurde.

Ik smeek de goden op mijn blote knieën dat ze me behoeden voor Parkinson en terwijl ze toch bezig zijn ook voor opa Alzheimer en oma Dementieva.

Maffe kostuumpjes

Ik vertel jullie geen nieuws als ik verkondig dat ik het niet op mislukte wielrenners – die we in Vlaamse contreien wielertoeristen noemen – begrepen heb, want dat liet ik hier al ten overvloede van mijn tong … eh … uit mijn pen … eh … uit mijn toetsenbord rollen. Hun kamikazegedrag en verregaande onbeschoftheid, vooral als ze in groep optreden, zijn me een doorn in het oog en een bron van grote ergernis, al mag ik ze natuurlijk niet allemaal over dezelfde kam scheren. Zouden die luiden eigenlijk plezier beleven aan dat met geroep en geschreeuw gepaard gaande jakkeren tot hun tong zich ongeveer ter hoogte van hun navel bevindt?

Wielertoeristen hebben ook de onhebbelijke gewoonte om zich in loeistrakke en derhalve ronduit belachelijke uitmonsteringen te hijsen. Ik zat gisteren in een restaurant wat te peuzelen, toen er plots een hangbuikzwijn verscheen dat, tot overmaat van ramp, gekooid was in zo’n dwangbuis. Dat zal oneerbiedig klinken, maar de man sjouwde rond met een buitenproportioneel lichaam: een slordige stapeling van vetkwabben, waaronder zich puilende geslachtsorganen schuilhielden. Voeg daar een stel harige benen met spataderen bij en jullie kunnen zich voorstellen wat ik zag telkens als ik de ogen opsloeg. Dat heerschap bedierf dusdanig mijn eetlust dat ik het daar binnen de kortste keren afgetaaid ben.

Heren wielertoeristen, blijf alstublieft buiten mijn gezichtsveld als ik aan het eten ben. Of geef geen blijk van slechte smaak door in foute aankleding een restaurant te betreden.

De wereld van het snelle geld (2)

In mijn vorige bijdrage deed ik jullie kond van hoe ik zonder slag of stoot en binnen de paar minuten een klapper maakte en € 200 binnenrijfde. Ik meldde tevens dat ik daar dermate opgetogen over was dat ik mezelf op een etentje vergastte. Daarvoor begaf ik me naar een bescheiden restaurant: eigenlijk meer een café dat ook wel te eten schaft, zolang je maar niet op pauwentongetjes uit bent en dat was ik dus niet.

Het meisje dat me bediende, gaf blijk van weinig ervaring. Ze had alle moeite van de wereld om de glazen en flessen op haar dienblad in evenwicht te houden. Ook bleek ze niet op de hoogte te zijn van het jargon dat in voedsel- en drankverstrekkende etablissementen gangbaar is. Zo wist ze bijvoorbeeld niet wat ik bedoelde toen ik haar mededeelde dat ik mijn biefstuk graag à point wilde hebben en toen ik een pichet rode wijn bestelde, hoorde ze het in Keulen donderen. Dat onweer bleef aanhouden, tot ik het woord karaf gebruikte. Ze was wel uitermate vriendelijk, dat dan weer wel.

Ik at wat en ik dronk wat, waarna ik de rekening liet aanrukken. Het festijn kostte me € 37,30. Ik overhandigde haar een biljet van € 50 en zei: “Veertig is goed.”
Waarna ze me € 40 gaf.

Het duurde even voor het tot me doordrong dat ik voor het bikkesement en de lafenis slechts € 10 betaald had. Bofte ik even! De nobele ridder die af en toe in me schuilt ontwaakte evenwel. Hij wenkte het meisje, bracht haar discreet op de hoogte van haar blundertje en deed restitutie.

Nee, het scheelde echt niet veel of ik had die dag, zonder enige inspanning mijnerzijds, € 230 verdiend. Zulke interessante geldbedragen mag men me in onbeperkte mate blijven aandragen.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme