Tag: gestoethaspel

Van de pot gerukt

Ik had in een internetwinkel een hebbeding gekocht en men liet me per e-mail weten dat ik het pakket vandaag mocht verwachten.

Vanmorgen zat ik al om acht uur met gespitste oren op het vinkentouw, klaar om, als de deurbel ging, toe te springen als een bok op een haverkist. Om halfnegen werd ik enige aandrang gewaar. Om negen uur moest ik hoog naar de wc. Om halftien hield ik het niet langer uit.

Ik spoedde me naar het kleinste kamertje van mijn huis, vestigde me daar op de porseleinen pony en begon … tja, hoe kan ik mijn bezigheid op een enigszins fatsoenlijke manier verwoorden? Weten jullie wat? Ik laat jullie zelf een geschikte uitdrukking kiezen. Ik vestigde me dus op de porseleinen pony en begon
– mijn ruggengraat te verlengen;
– een knijpbriefje af te vaardigen;
– een bout uit te draaien;
– een nest jonge hondjes te verzuipen;
– een bruine trui te breien.

Terwijl de door jullie gekozen activiteit een aanvang nam, schalde de deurbel. Je zult het nooit anders zien. Ik vloekte, voerde inderhaast een paar noodzakelijke handelingen uit en repte me vervolgens naar de deur, om de koerier op een haartje te missen. Ik kon enkel nog een glimp van zijn auto opvangen.

Hij heeft een berichtje in mijn brievenbus achtergelaten. Hij komt morgen terug.

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Een d(onald)t(rump)-fout

Ik pleeg van mijn hart geen moordkuil te maken en ik ben ook niet bang om het achterste van mijn tong te laten zien, dus mag iedereen weten dat ik allerminst een bewonderaar ben van de nieuwbakken president van de Joenaaitud Steets, Donald Duck … herstel … Trump.

Men doet de waarheid geen geweld aan als men hem een ijdeltuit, een verwaande kwast of een narcist noemt. Hij heeft de charme van een bulldozer, staat ongehoord bot in het leven, lijkt onnatuurlijk veel van zichzelf te houden en denkt dat hij een godsgeschenk indien al niet de Zaligmaker is. Grote kak op een klein potje als je het mij vraagt, maar wie vraagt me wat? Ik vind hem alleszins een karpatenkop hebben, hetgeen Van Dale omschrijft als een gezicht waaruit aan onverzettelijkheid gepaard gaande domheid spreekt. Maar goed, mijn ouwelui hebben me meegegeven dat ik geen oordeel over iemand moet vellen, afgaand op een eerste indruk, dus geef ik hem vooralsnog het voordeel van de twijfel en houd ik me op de vlakte wat het beoordelen van zijn capaciteiten als president betreft. Ik zie het met andere woorden nog even aan en blijf voorlopig beleefd van hem balen.

dtWel kan ik nu al mijn afkeuring uitspreken over zijn gebrek aan stijl. Zo heeft hij kennelijk nooit te horen gekregen dat een man zijn jas hoort dicht te knopen als hij zich in verticale positie bevindt of voortbeweegt. Op de dag van zijn inauguratie liep hij de hele dag als een sloddervos te kijk en zelfs tijdens zijn eedaflegging vond hij het niet nodig om zijn pens te camoufleren. En dan die dassen waarmee hij zijn dikke nek omgordt. Die zijn veel te lang en als ik dan ook nog zie op welke knullige manier hij het smalle uiteinde van dat kledingstuk in toom probeert te houden … dan hoop ik dat dit geen voorafspiegeling is van de manier waarop hij zijn land in het gareel zal houden.    

Tenslotte nog dit: hoogmoed is niets anders dan een onhandige manier om frustraties te verdoezelen of te compenseren en als dominantie gepaard gaat met domheid is men nog niet jarig.

Met dat heerschap zijn ze in de Joenaaitud Steets nog niet klaar, vrees ik, en hopelijk delen wij niet al te zeer in de brokken.

dt2

Alle zegen komt van boven

Een zakenrelatie van me ─ het klinkt heel wat, maar het betreft gewoon een overgewaardeerde politicus, die ook in drukwerk doet en voor wie ik zo nu en dan wat tekst mag redigeren ─ hield een zogeheten informele bijeenkomst naar aanleiding van een gedenkwaardige aangelegenheid. Ik had een uitnodiging gekregen met de zeer door mij verafschuwde formule dat er me ‘een hapje en een drankje’ te wachten stond, maar dit keer zou men de aanwezigen zowaar ook op ‘een muziekje’ vergasten. Tja, het was niet meteen een aanvulling waardoor ik in laaiend enthousiasme ontstak.

Ik zag er lang niet verkeerd uit. Nu ja, van een schopsteentje maak je geen diamant natuurlijk, maar in feestverpakking vermag ik op elegante wijze de charmes van mijn leeftijd rond te dragen. Gekooid in m’n goeie goed en een gekleed pak liep ik door de hoofdstraat van een vertierloos dorp. Plots hoorde ik een mannenstem roepen:
─”Pas op, hoor!”
Ik keek omhoog naar de plek waar de waarschuwing vandaan kwam en kreeg op hetzelfde moment een niet te onderschatten lading natte bladeren en modder over me heen. Het leek alsof ik onder een steen vandaan kwam en vervolgens door een haag gesleurd was.
─”Ben jij nu helemaal van de ratten besnuffeld?!” foeterde ik tegen de man die blijkbaar bezig was een dakgoot van overtolligheden te ontdoen.
─”Ik heb toch geroepen dat je op moest passen”, verdedigde hij zich.
─”En op hetzelfde moment gooi je die bagger naar beneden. Ik ben het niet die moet oppassen. Jij moet uitkijken of de stoep onder je vrij is.”

Er volgde nog een heftige woordenwisseling over wie er voor de kosten van stomerij moest opdraaien, maar toen dat geregeld was, ben ik naar huis teruggekeerd. Door overmacht is het hapje en het drankje me bespaard gebleven. Het muziekje eveneens. 

Leid me niet in bekoring

Ik begaf me naar de Tourmalet. Voor een goed begrip: ik reisde niet naar het diepste zuiden van Frankrijk, om daar de Pyrenee met die naam te beklimmen, maar ik wendde de steven naar een restaurant dat eigenlijk O’Tourmalet heet, maar in deze contreien door vrijwel iedereen Den Tourmalet genoemd wordt, want dat bekt lekkerder.

Dat horecabedrijf was eertijds de thuishaven van wielrenner Sylveer Maes, die in de jaren dertig van de vorige eeuw twee keer de Tour de France won. Vandaag de dag voeren Magda en Marcel er de scepter en ik heb het hier al eerder vermeld: je kunt er verdraaid lekker eten voor een schappelijke prijs. Ik koos de suggestie van de week: een scampibrochette met saffraansaus en frieten. Terwijl ik zat te smikkelen en te smullen kwam de vrouw des huizes naar me toe.
“Kan het je bekoren?” informeerde ze vriendelijk.

Kijk, dat vind ik nu eens een veel originelere manier om naar iemands bevindingen omtrent voedsel te vragen, dan de gebruikelijke en dus clichématige formules: Is het lekker? Smaakt het? Of zelfs: Is alles naar wens?

Het gerecht kon me zeer zeker bekoren. Ik was er zelfs dusdanig enthousiast over dat ik het zoutvat op mijn tafel een optater van je welste gaf, zodat het op de vloer smakte en openbarstte in wel duizend gruzelementen.

Blikskaters! Wat ben ik toch een frulleman! Nu ja, Magda en Marcel kennen hun pappenheimers en ze zullen ondertussen al weten dat niemand ooit mijn geknoei zal overtreffen. Of mijn gestoethaspel iemand kan bekoren, durf ik toch te betwijfelen.

Hoor mij nu!

Omdat mijn bezoeker met de trein in Brugge zou aankomen zat ik ruim op tijd in het station op hem te wachten. Veel te ruim op tijd! Sommigen kun je prikken met een speld, maar voor anderen volstaat zelfs een hooivork niet. Ik bedoel dat er mensen bestaan die steevast te laat op een afspraak verschijnen en daar kan ik me omstandig over opwinden. Zelf ben ik altijd veel te vroeg op een rendez-vous en daar kan ik me eveneens over opwinden, want ik heb een hekel aan tijd verkwanselen aan wachten.

Plots verscheen er een jongeman die met een witte taststok toegerust was en waarvan men dus geredelijk mocht aannemen dat hij blind of minstens slechtziend was. Hij stumperde naar een soortement assistentiepaal … Nee, nu doe ik hem onrecht aan, want zijn tred was allesbehalve improviserend. Hij gebruikte zijn stok als voelspriet, stapte met geroutineerde schwung naar de paal, drukte daar op een knop en voerde een kort gesprek, waarna hij zich in mijn richting verplaatste.
─”Kan ik hier neerdalen zonder op iemands schoot terecht te komen?” vroeg hij toen zijn stok in aanraking kwam met de bank waarop ik zat.
─”Ga gerust je gang”, zei ik. “Er is ruimte zat.”

Je hoort me niet beweren dat we een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande hielden, maar in een vlaag van koetjes en kalfjes uitte ik toch mijn bewondering over de trefzekere manier waarop hij de assistentiepaal had weten te vinden.
─”Je zult hier wel vaker komen”, veronderstelde ik.
─”Dat ook,” gaf hij toe, “maar er is ook een geleidelijn van reliëftegels uitgezet. Ik kan die voelen zowel met mijn voeten als met mijn stok. Zie je die ribbels?”
Ik zag ze en had even moeite met het besef dat hij die zelf niet kon zien.

Korte tijd later verscheen de assistent die hem naar zijn trein zou brengen. Waar hij aankwam, zo had ik van hem vernomen, zou een andere begeleider op hem wachten.
─”Bedankt voor de babbel”, groette hij me.
─”Ja, tot ziens!” zei ik.

God van de hoge hemel! Soms heb ik toch echt een kalf in mijn hoofd. Wie zegt er nu tot ziens tegen een blinde? Dit achterlijk ezelsveulen doet dat dus.

Blindvaren

De ranke boot sneed zich een weg door het water. Aan boord bevonden zich acht moderne galeislaven en een stuurmannetje, dat bij nader toezien een stuurvrouwtje bleek te zijn. Vanaf het jaagpad op de oever werden ze op toezichthoudende wijze bijgestaan door een man op een fiets, die zich van een megafoon bediende om op dictatoriale wijze bevelen en richtlijnen over te brengen. Die roeptoeter bezeerde in niet geringe mate de stilte waarin het kanaal zich placht te hullen en was eigenlijk volstrekt overbodig, omdat de roeiers zich ruim binnen de gehoorsafstand van een onversterkt stemgeluid bevonden.   
“Als ik ja zeg,” riep het heerschap, “doen jullie tien slagen met de ogen dicht en dan kijken jullie of jullie in mekaars ritme gebleven zijn. Ik zal nu ja zeggen. Ja!”

Zijn geroeptoeterde ja was nog niet helemaal koud of er ontstond een groot geharrewar van roeispanen en armen aan boord van het vaartuigje, dat van de weeromstuit vervaarlijk begon te wiebelen. Het was zelfs voor een leek als ik overduidelijk dat de inzittenden niet de kunst verstonden om in mekaars ritme te blijven als ze de ogen sloten.

Gelachen dat ik heb! Ik vraag me trouwens nog steeds af welk nut dat blindvaren zou kunnen hebben. En die roeptoeters mogen ze van mij met onmiddellijke ingang verbieden.

In zo’n waanzin leven wij

Zijn de dames en heren van het consumentenmagazine Test-Aankoop nu werkelijk op hun kop gevallen en blijven stuiteren? Geloven zij nu echt dat zij zich alles mogen veroorloven?

Ze sturen me wat reclamefolders, teneinde me tot het nemen van een abonnement te bewegen, en ze verpakken die papierhandel in een grote envelop, die getooid is met een vermanende boodschap – LAATSTE HERINNERING – in witte koeienletters op een agressief rode achtergrond.

De postbode is er niet in geslaagd om die envelop helemaal in mijn brievenbus onder te brengen: de bovenkant ervan steekt nog uit de gleuf en die vermaledijde terechtwijzing is derhalve voor iedereen zichtbaar. Ik ben de hele dag afwezig geweest. Alle passanten, tientallen fietsers en wandelaars, hebben ongetwijfeld die in het oog springende mededeling opgemerkt en zullen nu veronderstellen dat ik een wanbetaler ben, wat natuurlijk niet het geval is. Of wat hadden jullie gedacht?

Ik ben daar hoegenaamd niet blij mee en Test-Aankoop mag dus een e-mail van me verwachten.

testaankoop

De geneugten van de zomer

Ik was diep in het door de zon verpletterde binnenland van West-Vlaanderen doorgedrongen, toen ik bezijden de weg een groot aantal weelderig rankende braamstruiken ontwaarde die met verrukkelijke bessen pronkten. Aangezien ik deze donkere vruchtjes als een lekkernij beschouw, die ik bovendien gratis en voor niks kon verwerven, maande ik mijn rijwiel tot stoppen. Vervolgens wapende ik me met een fietspomp, die ik als machete gebruikte om me een weg door verlekkerd kijkende brandnetels te banen. Helaas merkte ik niet dat er zich onder die netels een sloot ophield, waarin zich niettegenstaande de aanhoudende droogte nog water bevond. Plots verdween de grond onder mijn voeten, met een plompend geluid kwam ik in de smurrie terecht, probeerde mijn evenwicht te bewaren, slaagde daar niet in en plofte neer in een schoot van netels.

Ik ben rijkelijk voorzien van netelblaren thuisgekomen, nat tot net onder de knieën, zonder braambessen en zonder fietspomp, want in al mijn misère heb ik mijn machete daar ergens laten liggen.

Grote gierende grasdoedels! Wat ben ik toch een klunshark!

Benjamín zag eens bramen hangen,
o, als frambozen zo groot,
’t scheen dat Benjamín wou gaan plukken,
maar hij kukelde in de sloot.

Of is ‘t maar om te lachen?

LaysIn de supermarkt liet ik me verleiden tot de aankoop van een zakje Bugles van Lay’s. Dat zijn een soort chips: meer bepaald knapperige hoorntjes die van maïs gemaakt zijn. Het bijzondere eraan is dat je die dingetjes dipsgewijs kunt vullen met bijvoorbeeld pesto, guacamole of ook nog de romige geitenkaas van Chavroux.

Er ging een linkje aan de verpakking (zie afbeelding hiernaast), met de mededeling dat men van 11 juli 2016 tot en met 4 september 2016 aan een wedstrijd deel kon nemen, om een aperitiefpakket ter waarde van € 70 te winnen. Dat is bij mij aan geen dovemansoren gezegd. Als het gratis is, ben ik tot veel bereid en als er wat te winnen valt, ben je bij mij aan het juiste adres. Met rasse vingertred begaf ik me naar de website in kwestie en daar kreeg ik het volgende te zien:

Lays2

Kijk, die wedstrijd loopt al van 17 juli en vandaag schrijven we 3 augustus. Ze laten zich alleszins niet te haasten, bij Lay’s en bij Chavroux. Gauw is dood en langzaam leeft nog. Of is ’t maar om te lachen?

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme