Tag: fobie

De pijn van het zijn

Ik heb het hier nooit verzwegen dat ik er wat rare aanwensels en idiote hersenkronkels op nahoud, maar die zijn alleen maar bespottelijk en nooit hinderlijk, noch voor mezelf, noch voor anderen. Dat was niet het geval met de vrouw die ik gisteren tijdens mijn bezoek aan de supermarkt in het vizier kreeg en stiekem gadesloeg.

Ze bevond zich in de ruimte waar de boodschappenwagentjes in slagorde op klanten wachten. Uiterst nauwgezet poetste ze de hele stuurstang van het karretje dat ze wilde gebruiken met behulp van een vochtig zakdoekje. Toen ze daarmee klaar was, diepte ze zowaar een tweede zakdoekje op en ze herhaalde de hele procedure. Daarna pas waagde ze het de stang behoedzaam vast te nemen en het wagentje de winkel in te sturen.

En maar mens toch! Die dwangneurose heet smetvrees, geloof ik. Je zult er maar mee behept zijn en maandelijks een fortuin aan vochtige zakdoekjes moeten besteden.

Wees gewaarschuwd!

Vanmorgen rond een uur of zeven kreeg ik trek in roerei met lekker krokant spek. Terwijl de vleesblokjes in de pan sudderden en neuzenvreugd verspreidden, verrichtte ik hier en daar wat kleine bezigheden. Toen ik in de keuken terugkeerde, kon ik niet weerstaan aan de verleiding om even te proeven. Ik viel als het ware ten prooi aan een … eh … brandend verlangen en bracht twee brokjes spek naar mijn mond, maar vergat dat de vork die ik daarvoor gebruikte minutenlang in de pan met het hete vet had vertoefd. Aldus ontfermde mijn voederklep zich over een gloeiend stuk metaal, dat een spoor van vernieling over mijn tong en lippen trok en aanleiding gaf tot een kaakbeenontwrichtende gil.

Wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten, maar de Nederlandse taal maakt nergens melding van wat je met een bladderend smoel moet aanvangen.

Ik ontdekte even later dat vandaag vrijdag de dertiende is. Vandaar allicht. Ik wil niemand van jullie met paraskavedekatriafobie ─ hoe krijgt een mens het uit zijn strot? ─ of angst voor vrijdag de dertiende opzadelen, maar we kunnen misschien toch maar beter even uit onze doppen kijken. Nu ja, jullie alleszins. Mijn kalf is helaas al verdronken.

Felle jan

Ik heb het beloofd en ik ben er dus aan koud, maar ik heb wel verschrikkelijk veel spijt dat ik me tot die belofte heb laten verleiden. De Hoegaarden zal waarschijnlijk een woordje meegesproken hebben, waardoor ik me meer mans voordeed dan ik in werkelijkheid ben. O, wat was ik weer stoer en van geen kleintje vervaard, daar op die kruk aan de tapkast.

Er bestaan veel dieren die mij vage angst inboezemen, maar voor slangen en schorpioenen ren ik het vuur uit mijn sloffen en de benen uit mijn reet. Ik ben er als de dood voor. De zeldzame keren dat ik me in tropische oerwouden waagde, heb ik daar eigenlijk nauwelijks plezier aan beleefd, omdat ik voortdurend op mijn hoede was voor reptielen. Hing er soms een anaconda in een boom, die me onverhoeds op de nek zou vallen? Lag er een boa op de loer, die me zou bespringen om me te wurgen? Als ik een streek bezocht die enigszins op een woestijn leek, durfde ik haast niet op de grond te gaan zitten, bang als ik was dat er plots een schorpioen uit het zand zou opduiken. Zelfs als ik een dierentuin aandoe, laat ik de reptielenafdeling altijd links liggen, teneinde de kans op nachtmerries tot een minimum te beperken.

En toch zal ik straks slangen en schorpioenen gaan bezichtigen, omdat ik in de kroeg een gesprek heb aangeknoopt met een persoon die zijn woning tot serpentarium omgebouwd heeft. Hoe krijgt iemand het in zijn bolle kop?!
─“Ik zou eigenlijk best wel een keer een koningscobra van dichtbij willen zien”, hield ik me groot, terwijl huiveringen over mijn rug glisten.
─“Die heb ik ook”, zei hij trots.
─“Serieus?”

We bleven wat over allerhande enge beesten babbelen en toen kwam hij met een uitnodiging op de proppen: als ik zin had mocht ik gerust eens bij hem een kijkje komen nemen en aldaar een koningscobra bezichtigen. Mijn hart riep neen, mijn knieën knikten en mijn mond zei ja, omdat ik al een paar Hoegaardens binnen had en door alcohol aangerichte moed in me voelde opwellen.

Ik zit me nu al mentaal op deze huiveringwekkende gebeurtenis voor te bereiden. Als dat maar goed afloopt!

Zo blijven we bezig

Vanmorgen was het weer van dattum: donder en bliksem dwongen mij in de wankelende uren tussen nacht en dag opnieuw en nog maar eens het bed uit voor een rondje elektrische toestellen ontkoppelen. Een spitsvondige vriend van me, die bij gebrek aan concurrentie thuis de leukste is, noemt het ‘een Decrooke doen’, refererend aan de partijvoorzitter van de Open Vld, fils à papa Alexander Decroo, die tijdens onderhandelingen de spreekwoordelijke stekker uit het stopcontact trok en aldus de Belgische regering ten val bracht, met alle gevolgen van dien: bijna anderhalf jaar later probeert men nog steeds een nieuwe bewindsploeg voor dit apenland in mekaar te fröbelen. Ik hoef er waarschijnlijk geen tekeningetje bij te maken.

Ook mijn logé beleeft monumentaal veel plezier aan de jacht op stekkers, die ik bij nacht en ontij blijf openen.
─”Is dat eigenlijk nodig?” vroeg hij zich vanmorgen af en daarom wilde hij dat graag van me vernemen.
─”Ik heb het mijn ouwelui altijd zien doen”, zei ik, “en men vermeldt het steevast bij de voorzorgsmaatregelen die men bij een donderbui moet nemen.”

Ik heb het één keer niet gedaan, omdat het onweer zich niet aankondigde en haast letterlijk een donderslag bij heldere hemel was. Die bliksem sloeg een groot gat in het dak van mijn overburen en beschadigde zowel mijn televisietoestel als mijn dvd-speler, in weerwil van de overspanningsbeveiling in de schakelkast. Door schade en schande wordt men wijs.

Laten we wel wezen: als het onweert, knijp ik ‘m als een ouwe dief en ben ik zo bang als een ballon op een stekelvarkenconventie. Zij die wat letters gegeten hebben noemen het kerauno-, astrapo- of brontofobie. Ik had al hoogtevrees, vliegangst en een heilige schrik voor slangen, maar er kan wat mij betreft altijd een fobietje bij.

Klauwend vuur

Er hangt onweer in de lucht en daar ben ik absoluut niet blij mee. Geleerde luiden beweren dat ik aan astrapofobie lijd, of ook nog aan keraunofobie. Als ik het woordenboek raadpleeg, bedoelen ze daarmee dat ik bang ben voor donder en bliksem en dan hebben ze meer dan gelijk. Wanneer Jupiter, Donar of Thor hun duivels ontbinden, voel ik me zo angstig als een ballon op een stekelvarkenconferentie en loopt het me bijna dun door de broek.

Ik ben er namelijk van overtuigd dat de bliksem het op mij gemunt heeft. Al een paar keer heb ik hem van heel dichtbij ontmoet en ik verzeker jullie dat er aangenamer gezelschap bestaat.

Toen ik een kleine jongen was, schoot hij op een middag uit de muil van de haard in de zitkamer tevoorschijn. Hij flitste van de ene hoek van het vertrek naar de andere en verdween toen via dezelfde weg. Dan zit je toch te kijken als Jonas in de walvis, hoor!

Enkele weken later mochten we ons opnieuw in zijn bezoek verheugen. Nu ja, verheugen … Hij gooide zich met driest geweld op het dak van ons huis en richtte daar grote vernielingen aan. De pannen vlogen verbijsterd in het rond en de zinken goten smolten als sneeuw voor de zon.

Het daaropvolgende jaar rolde hij vermomd als een vuurbal door onze straat en nestelde hij zich tevens in een boom ─ ergens in de buurt van Koblenz ─ net toen mijn ouwelui en ik daar voorbijreden tijdens een tochtje langs de Rijn. Die boom raakte compleet de kluts kwijt en gooide met takken, die vlak achter ons op het asfalt terechtkwamen.

Verleden zomer vergreep hij zich hier niet zo ver vandaan aan een eenzame fietser. De man heeft het overleefd en zwaait tegenwoordig trots met zijn trofee, zijnde het lederen jack dat hij op het moment van de confrontatie droeg en dat nu een geblakerd spoor vertoont. Diezelfde middag vermoordde een vuurschicht ook nog een koe die aan de rand van het dorp in een weide vertoefde en zo konden we het meemaken dat een gril van de natuur zich tot een grill van de natuur ontpopte.

Nee, met een onweer kun je mij niet plezieren. Zodra er bliksems op de horizon staan en de donder in de verte de pauken slaat, neem ik mijn voorzorgen. Ik vertrek op veldtocht door mijn woning en verwijder alle stekkers uit de stopcontacten. Als de hel dan losbarst en de laaiende flitsen gretig in de lucht graaien, zit ik knap in de piepzak … maar alles gaat voorbij, en spoedig kan ik de stekkers weer aansluiten … waarna vanzelfsprekend de tweede aflevering van het onweer begint en ik opnieuw door het huis mag koersen. Soms volgt er een derde en zelfs een vierde episode … en zo blijf je bezig natuurlijk. Ik heb in mijn leven al onnoemelijk veel tijd aan stekkers en stopcontacten besteed.

Het enige wat ik aan een onweer mooi vind, zijn de woorden ‘weerlicht’ en ‘weerlichten’ die helaas in onbruik raken. Als bliksems aan de rand van de gezichtseinder oplichten en men de donder ervan niet hoort, dan zijn dat weerlichten en is het aan het weerlichten. Wel, van mij hoeven weerlichten nooit bliksems te worden.

Morgen word ik vrolijk

Zijn dromen inderdaad bedrog, of zou de bewering dat ze een voorspellend karakter hebben op waarheid berusten? Ik mag van harte hopen dat ze ons geen kijkje in de toekomst verschaffen, want dan ziet die er voor mij niet bepaald rooskleurig uit. Ik heb tijdens de voorbije nacht namelijk gedroomd dat ik in een vliegtuig zat, waarvan de motoren er opeens eensgezind de brui aan gaven, zodat het toestel als een blad in de herfst naar beneden dwarrelde ─ feuille morte heet dat in het jargon ─ om vervolgens met een splijtende vaart op aarde terecht te komen. Ik kan jullie niet vertellen wat er daarna gebeurde, want ik lag natuurlijk aan gruizels en was dus zo dood als een pier, maar bovendien schrok ik wakker …

Nu wil het toeval dat ik me morgen aan boord van zo’n helse machine zal hijsen en mijn lichaam aan vier straalmotoren toevertrouwen, zij het niet van harte. Ik worstel immers al mijn hele leven met een slopende vliegangst, die me leegzuigt en zo nerveus als een kolibrie maakt. Je hoort me niet beweren dat ik een enthousiast luchtreiziger ben en die droom is allerminst bevorderlijk voor mijn gemoedsrust, maar toch blijf ik het lot tarten en hoop ik zaterdag heelhuids in Buenos Aires neer te strijken, waar het nu volop zomer is en waar ik van pure opluchting ongetwijfeld in het dansen van een zwoele tango zal losbarsten.

Het blijft hier enkele weken stil, want ik ben niet van plan om tijdens mijn reis een computer aan te raken, laat staan te bloggen, te twitteren of te tweeten. Als de goden me goedgezind zijn en ik gezond van lijf en leden uit dit avontuur kom, zal ik hier vermoedelijk rond midden februari mijn rentree maken…

Den goedgunstigen lezer heil! Mogen de engelen over jullie waken.

O krinklende winklende waterding

Een aantal maanden geleden heb ik het hier al eens over mijn omzichtige relatie met wc’s gehad. Als jullie het geheugen willen opfrissen of gewoon nieuwsgierig zijn naar de reden waarom ik dat sanitaire toestel met zoveel achterdocht benader, kunnen jullie even doorklikken naar dat schrijfsel: Smeulend onder de gordel.

Nu heb ik tijdens de voorbije maanden toch zeker drie berichten gelezen over brave lieden, die in alle eenvoud en zonder veel complimenten een knijpbriefje wilden afvaardigen, maar plots oog in oog stonden met slangen, die zich op eigengereide wijze in de pot genesteld hadden. Je schrikt je toch de tering, man! Hou dan maar eens je darmen bij elkaar. Als het mij ooit overkomt, zal ik mijn knijpbriefje ongetwijfeld op de badkamervloer afvaardigen. Mijn trouwe lezeressen en lezers weten inmiddels hoe bang ik voor slangen ben en als dat addergebroed zich dan ook nog in de zeer door mij gewantrouwde drollenvangers ophoudt …

Gisteren vernam ik uit zeer betrouwbare bron het ijzingwekkende wedervaren van een Vlaamse dame ─ de buurvrouw van de vriendin van de zoon van een kennis van me ─ die op een ochtend besloot een wasje te draaien. Ze opende nietsvermoedend de patrijspoort ─ of hoe heet zo’n ruitje? ─ van het toestel, om tot haar verbijstering in de trommel een slang aan te treffen, die zich kronkelend een weg naar de vrijheid baande, terwijl zij er gillend als een konijn in de beet van een wezel tussenuit naaide.

Kijk, als ik dit ooit moet meemaken, vlucht ik als de vliegende reetscheet het land uit, om nooit terug te keren. Mochten er hier dus plots geen nieuwe schrijfsels meer verschijnen, dan weten jullie wat er aan de hand is.

Harrejakkes!

Gisteravond …

Hoewel het nog maar net negen uur geweest was, voelde ik me helemaal gesloopt. Ik klapte wat boeken dicht, liet mijn pc indommelen en ruilde mijn bureaustoel voor de bank in de zitkamer.

Geen televisie, geen muziek, geen lectuur. Enkel het rustgevende schijnsel van een tiffanylamp. Het duurde niet lang of ik kreeg het gezelschap van een kat. Hakend naar wat geborgenheid schurkte ze zich tegen me aan, liet zich het aaien welgevallen en luisterde naar wat ik haar fluisterend toevertrouwde.

Een heel zacht en ruisend geluidje trof plots mijn oor. De poes hoorde het eveneens, want ze richtte de kop op en keek in de richting waar het vandaan kwam. Ik volgde haar blik en … ja hoor! Op hoge poten scharrelde een flink uit de kluiten gewassen spin over het behang. September is nakend. In deze contreien heet die niet zonder reden de kobbenmaand en als je dan ook nog weet dat een kobbe ons dialectwoord is voor een spin …

Ik schoot in actie. Aangezien ik nooit spinnen vermoord, maar ze toch nogal griezelig vind en dus liever niet aanraak, staan er in de keuken altijd twee tuigjes klaar om ze te vangen en naar de tuin over te brengen. Dat zijn een houten stokje en een plastic doos, die ooit vijf liter vanille-ijs heeft bevat. Met het stokje breng ik het beestje ten val, waardoor het in de doos struikelt, die ik vervolgens als de gesmeerde wiewa van een deksel voorzie en in de natuur leegschud.

Nu is het al een tijd geleden dat ik me aan een spinnenjacht gewijd heb en ik ben het wat kwijt. Daardoor belandde de spin in kwestie niet in de doos, maar ergens op mijn lichaam. Ik gaf een paar sprongen ten beste, die door de wol geverfde saltimbanques me ten zeerste zou benijden. Vervolgens ging ik over tot een striptease, waarvan ik jullie de details bespaar. De spin kwam niet tevoorschijn.

Ik begrijp het eigenlijk niet goed. Nog geen maand geleden heb ik mijn zitkamer een grondige beurt gegeven. Ik verplaatste alle meubelen, haalde iedere kast leeg, poetste alle hoekjes, kantjes, kiertjes, spleetjes en reetjes … Waar komt zo’n grote spin dan opeens vandaan? En waar zit die nu?

Tot overmaat van ramp lees ik dan ook nog dat men in Antwerpen vier loslopende zwarte weduwes heeft ontdekt. Ik heb in Smeulend onder de gordel al eens uit de doeken gedaan dat die je seksleven een opkontje kunnen geven, waarbij het effect van Viagra verbleekt. Desalniettemin ben ik als de dood voor die geleedpotige douairières. De hemel kere het dat ze zich hier dusdanig in hun sas voelen, dat ze zich tijdens orgieën aan losbandigheden overgeven en …

Mmm, ik beschik kennelijk nog steeds over een lenige, ja zelfs breidelloze fantasie.

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme