Tag: fietsen

Ze hebben het daarboven op mij gemunt

Vanmorgen raadpleegde ik de app van ‘Buienradar’, om te vernemen dat het wellicht tot de middag droog zou blijven. Er bestond slechts één onooglijk percentje kans dat er een buitje zou neerdalen. Gewapend met die wetenschap besteeg ik mijn fiets en begaf me op weg, om me ervan te vergewissen hoe het met de in aantocht zijnde lente gesteld was.

Rond de klok van tien uur bevond ik me zo’n vijftien kilometer van huis in een door grote verlatenheid geteisterd landschap, toen dat ene percentje met veel bombarie en vertoon van wolken in hevig gedrang opdoemde. Niet veel later begon het snoeihard en zeer doeltreffend te gieten. Het regende pijpenstelen, afgewisseld met handspaken en oude wijven met klompen.

Toen ik thuiskwam, zag ik er uit als een verzopen kat en ik kan jullie verzekeren dat dit niet bepaald een fraaie aanblik oplevert.

Ik ben voor de rest van de dag niet meer aan te spreken. Men kan dan ook beter uit mijn vaarwater blijven.

Ze blijven zwerven

Wanneer zullen de in politieke steunkorsetten gehulde ‘hovaardigheidsbekleders’ van dit land, aangevoerd door de doorluchtige edelachtbaarheid, minister Joke Schauvliege, nu eindelijk eens knopen doorhakken en werk maken van het statiegeld op drankblikjes en petflessen?

Dat blijft duren en ondertussen wordt de aanblik van Vlaanderen met de dag erbarmelijker, in die mate zelfs dat ik nog nauwelijks plezier beleef aan mijn wandel- en fietstochten, omdat ik me vrijwel onophoudelijk blauw erger aan de rotzooi langs de paden en in de bermen.

De hoogwelgeboren, maar o zo besluiteloze Joke wilde de industrie tot 2018 de tijd geven om te bewijzen dat het probleem ook anders kan aangepakt worden. Wel, we schrijven inmiddels de derde maand van 2018 en er is niets bewezen.

Statiegeld dus! En snel een beetje! Schauvliege, doe nu eindelijk eens wat!

Ten aanval!

prei

Voor de verandering regende het ‘s morgens eens niet, dus hees ik me op het zadel van mijn fiets en ging er als een reetscheet vandoor, want ik trap met elektrische ondersteuning.

Het eerste wat me opviel, was de opdringerige geur die me hier en daar de neusvleugels streelde. Op diverse plaatsen was men bezig prei te oogsten en die activiteit pleegt een aroma te verspreiden, dat ik als aangenaam, of zelfs appetijtelijk ervaar. Het duurde dan ook niet lang of ik vervolgde likkebaardend en watertandend mijn weg, vastbesloten om me ‘s middags aan een met prei toebereid gerecht te verlustigen.

Het zal nog eens zo gaan dat ik fietsen niet langer als een aangenaam tijdverdrijf beschouw. Dat komt niet zozeer door de erbarmelijke toestand van de Vlaamse fietspaden – als die er al zijn – of door het onbeschofte gedrag van andere weggebruikers, maar wel door de viervoeters, meer bepaald de honden die sommigen van ons op hun levenspad vergezellen. Ik weet dat ik in herhaling val, maar het is niet anders.

Dra zag ik immers een bejaard echtpaar voor me opdoemen. Ze liepen in ganzenmars: de vrouw voorop en de man, die een vrij grote hond aan de lijn had, keutelend in haar kielzog. Ik gaf het drietal ruimschoots ruimte, maar terwijl ik hen voorbijreed, sprong de hond met wijd open muil en blikkerende tanden op me af. Hij miste mijn kuit op een haar en beet zich vast in mijn fietstas, waardoor mijn evenwicht in het gedrang kwam en ik bijna ten val kwam. De eigenaar van het beest rukte verwoed aan de veel te lange lijn en slaagde erin om de hond op andere gedachten te brengen. Hij liet me los.

Ik hield halt, ontdekte eerst de scheur in mijn fietstas en wendde me vervolgens tot het echtpaar, dat enigszins bedremmeld naar me stond te kijken, de hond tussen hen in.
─”Wat krijgen we nu?!” riep ik.
─”Hij mag dat nochtans niet doen”, stamelde de man totaal verbouwereerd.
─”Stel je voor dat hij het wel zou mogen doen”, snoof ik.
─”Hij is nochtans heel braaf”, deed de vrouw haar duit in het zakje.
─”Dat heb ik gemerkt”, diende ik haar van antwoord.
─”Nog een geluk dat ik hem aan de lijn had”, vond de man.
─”En dat die lijn net geen kilometer lang was”, schamperde ik.
─”Heb je schade?” wilde de vrouw weten.
─”Er zit een scheur in mijn fietstas”, zei ik.
─”Hoeveel moet dat kosten?” vroeg de man en hij trok al een portefeuille.
─”Laat maar!” wuifde ik. “Ze zijn oud en versleten. Ik was toch al van plan om die eerstdaags te vervangen.”
─”Bedankt dat je het zo sportief opvat”, behaalde ik een plasdankje.

Waarna ieder zijns weegs ging. Ik begaf me naar huis en bereidde daar een vlotte hap met heel veel prei. Nu ja, heel veel. Twee stengels.

Is ‘t nu gedaan ja met die ambetante honden? Mag ik misschien een keertje ongestoord van het fietsen genieten?

hondenaanval

De hond die niet blafte

Hoewel het een vrij smal pad betrof, zagen twee heren op leeftijd er geen been in om het bijna over de volle breedte in te palmen, teneinde een boom op te zetten en de doorgang te versperren. Een van de mannen was bovendien toegerust met een hond, die ik niet bepaald bij de categorie van de kutlikkertjes of de West-Vlaamse preutelekkertjes zou indelen. Het loeder zat weliswaar aan een lijn vast, maar leek toch over vrij veel speelruimte te beschikken.

Ik vertrouwde het zaakje niet, kneep de remmen van mijn fiets dicht en hield dientengevolge halt.
─”Zal ik er heelhuids voorbij raken?” vroeg ik.
─”Dat staat nog te bezien”, kreeg ik als antwoord. “Hij bijt enkel naar stoute mensen. Ben jij een stoute mens?”
─”In de verste verte niet”, stelde ik resoluut.
─”Dan kan er je niets overkomen”, vernam ik.

Ik stapte dus schoorvoetend voorbij het tot de tanden gewapende beest en wat denken jullie dat er gebeurde? Het monster haalde uit, hapte naar me, kreeg mijn broekspijp te pakken en bezorgde die een kloeke winkelhaak.
─”Godvermiljaardedju!” riep ik geschrokken en woedend. “Je moet nog eens zeggen dat hij niet zal bijten.”
─”Jij bent kennelijk minder braaf dan je van jezelf denkt”, kon de eigenaar van de viervoeter er nog mee lachen ook.

Hij slikte zijn gelach in toen ik eiste dat hij de schade aan mijn pantalon zou vergoeden. Aanvankelijk weigerde hij dat, maar toen ik met politie dreigde, kwam hij toch over de brug, zij het met zichtbare tegenzin.

Zou het onderhand niet eens tijd worden dat hondeneigenaars begrijpen dat ze hun metgezellen moeten aanlijnen, dat die zelfs in aangelijnde toestand verrassend uit de hoek kunnen komen en dat ze hun uitwerpselen dienen op te ruimen?

Jup!

Het gebeurt niet zelden dat ik tijdens mijn fietstochten personen ontmoet die me kennen. Dat blijkt uit hetgeen ze me tijdens het voorbijrijden toeroepen. Deze confrontaties vinden meestal dicht bij huis plaats, maar soms hoor ik ook mijn naam weerklinken als ik me op grote afstand van mijn woning bevind, soms wel vijftig kilometer, of een enkele keer zelfs meer.

Wat wil nu het geval? De mensen die me zo enthousiast met een saluut bedenken, behoren vrijwel altijd tot het soort fietsers die we in de wandeling als wielertoeristen omschrijven. Ze kleden zich dan ook overeenkomstig de usanties van deze volksgroep: huidstrakke spandex, stoere helmen en zonnebrillen met spiegeleffect.

Het zijn precies de helmen en brillen die voor problemen zorgen en het herkennen van de persoon in kwestie bemoeilijken. Meestal heb ik er geen idee van wie er achter die vermomming schuilgaat en dat irriteert me mateloos.
“Jup!” roep ik dan, want dat is een Vlaamse groet die volkomen neutraal is en geen uitsluitsel geeft omtrent het al dan niet herkennen van de ontvanger ervan.
Als ik dan mijn weg vervolg, blijft dat dusdanig door mijn kop malen dat ik nog amper van mijn fietstocht geniet en nauwelijks oog heb voor de mij omringende natuur.

Ik heb ter gelegenheid van Halloween een masker gekocht, hoewel ik zo’n ding hoegenaamd niet nodig heb om er angstaanjagend uit te zien. Misschien moet ik dat geval voortaan opzetten als ik ga fietsen, zodat niemand me nog herkent en me dientengevolge met een groet bedenkt.

Doen!

Handtastelijkheden

Jullie weten inmiddels dat ik het niet zo op wielertoeristen begrepen heb, vooral niet als ze in jolig groepsverband en vaak onder het uitstoten van vervaarlijke oorlogskreten akelig dicht langs me heen hengsten, in splijtende vaart, alsof ze door een horde pitbulls worden achternagezeten.

Terwijl ik gisteren op gezapige wijze door een bedaard landschap fietste, werd ik ingehaald door zo’n leger des onheils. Een van die onversneden rotzakken vond het nodig om me en passant zo’n stevige klap op de rug te geven, dat men die bezwaarlijk als een bemoedigend of vriendschappelijk schouderklopje kon bestempelen. Ik schrok daar zo hevig van dat ik een kreet slaakte en bijna uit koers raakte, hetgeen aanleiding gaf tot grote hilariteit bij dat zootje ongeregeld.

Ze moeten van mijn lijf blijven als ik aan het fietsen ben. En anders ook. Nu ja, meestal toch.

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ‘t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden, hoor. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

Ze kon het nog niet goed

Plaats des onheils: een smalle asfaltweg en een nog smaller zijpad.

Deelnemers: een wielertoerist, een achteropkomende fietser (ikke), een auto en op het zijpad een fietsende moeder en een fietsend (nu ja!) kind.

De feiten: de wielertoerist, de fietser (ikke) en de auto verplaatsen zich in dezelfde richting op de asfaltweg. Op het moment dat de auto de fietser inhaalt, duikt uit het zijpad een fietsend meisje op, gevolgd door de eveneens fietsende moeder.
“Pas op! Ze kan het nog niet goed!” riep laatstgenoemde, ten prooi aan grote en dus hoorbare vertwijfeling.

Daar was de wielertoerist dan mooi klaar mee. Het kind stevende recht op hem af. Omdat de auto hem op dat moment ter linkerzijde voorbijreed, kon hij geen kant op. Zo botsten en stortten beiden grondwaarts. Vanwege het bescheiden formaat van haar fietsje viel het meisje van niet hoog en daardoor bleef ze ongedeerd. De wielertoerist daarentegen had minder geluk: hij raakte niet tijdig uit zijn klikpedaal, toeterde zwaar op zijn bek en brak een been.

“Ik heb toch geroepen dat ze ‘t nog niet goed kon”, jammerde de moeder, maar daar had de wielertoerist geen boodschap aan en ik eigenlijk ook niet.
“Blijf dan met haar van de openbare weg af!” diende de wielertoerist haar van antwoord en ik was het met hem eens, al gaf ik daar geen ruchtbaarheid aan, om de zaken niet op de spits te drijven.

Terwijl ik me in afwachting van noodhulp om het slachtoffer bekommerde, probeerde de moeder ervanonder te muizen, maar daar stak ik een stokje voor.
“Als je niet blijft wachten, krijg je gegarandeerd een vluchtmisdrijf op je dak”, waarschuwde ik haar.
Ze keek me aan alsof ik een giftig reptiel was, maar besloot toch te blijven.

Een halfuurtje later was de wielertoerist afgevoerd, mocht ik als ooggetuige vertrekken en konden moeder en dochter de terugtocht aanvatten. Het meisje kon nog niet goed fietsen – het was haar aan te zien – maar ze was het aan het leren. Met vallen en opstaan.

En de boer, hij klungelde voort

Zij die zich gemotoriseerd verplaatsten, met uitzondering van elektrische fietsers en landbouwvoertuigen, mochten het weggetje niet gebruiken. Dat stond op niet mis te verstane verkeersborden vermeld.

Uitgerekend zo’n landbouwvoertuig – een tractor met een hooischudder als aanhangsel – versperde de doorgang. Het gevaarte stond dwars over de weg, die aan beide zijden door een onoverbrugbare sloot begrensd was. Er was geen doorkomen aan. Ik hield derhalve noodgedwongen halt en sloeg de lome bezigheden gade van de morsige boer, die desalniettemin een agrarisch soort stevigheid over zich had en zonder veel enthousiasme aan de machine sleutelde. Het was duidelijk geen aangenomen werk. De man was nog luier dan een pamper.
─”Ik wil je niet haasten, maar duurt het nog lang?” durfde ik te vragen.
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet. Hij negeerde me straal.

Niet veel later kreeg ik het gezelschap van een aantal andere fietsers en ook aan de overkant daagden wat wielertoeristen op. Met zijn dertienen stonden we daar te heisteren en met hel en verdoemenis te dreigen, maar dat was volkomen aan dat heerschap verspild. Hij bleef onhandig met sleutels en schroevendraaiers schutteren en algehele onverschilligheid tentoonspreiden. Sommigen maakten rechtsomkeer, maar samen met een half dozijn anderen volhardde ik in de boosheid en bleef wachten. Bijna een kwartier stonden we daar. Toen klom die boerenpummel eindelijk op zijn tractor, om ons doorgang te verlenen. De verwijten die we hem en passant naar het hoofd slingerden, waren kennelijk niet aan hem besteed. Ze dropen van hem af als water van een eend.

Sommige mensen kun je prikken met een speld, maar voor andere volstaat zelfs een hooivork niet.

Dwarsliggers

De ochtend schotelde prachtig zomerweer voor, dus klom ik onverwijld op mijn rijwiel en trapte me met vastberaden en tevens atletische tred de ruige ruimte van de natuur in.

Een klein uur later sloeg het tragisch noodlot toe … nu ja, ik was niet het slachtoffer van het onheil, maar in zekere zin wel de aanstoker ervan. Er sprong namelijk een eekhoorntje uit de berm, uitgerekend op het moment dat ik daar voorbijreed. Het roekeloze dier kwam in mijn wiel terecht. De molenwiekende spaken maakten een zingend geluid, alsof ze een soort dodenmars aanhieven, want onze Wip overleefde de gewelddadige confrontatie niet. Daar zat ik absoluut niet op te wachten en ik werd er ook niet bepaald vrolijk van. Toenemende weekhartigheid is naar verluidt een kwaaltje dat met de jaren komt. Ik raakte eerst in grote droefenis, raapte me toen enigszins tezamen en vervolgde druilorend mijn weg.

slakkenTer compensatie heb ik niet veel later de wacht opgetrokken bij een de weg overstekende huisjesslak, teneinde het verkeer attent te maken op zijn/haar slome manoeuvre. Dat bleef echter duren. Die beesten hebben echt geen opschiet, maar zoals dat in het Engels heet: if you do the crime, you’ve got to do the time. Dat is ook in het Nederlands het geval, al klinkt het wat minder fraai als het niet rijmt.

Nu heb ik al niet veel geduld en bovendien verloor ik het schaarse beetje dat ik van die eigenschap bezit. Ik pakte die slak bij het woninkje beet en transporteerde hem/haar gezwind naar de overkant. Dat viel kennelijk niet in goede aarde, want hij/zij draaide zich resoluut om en begon opnieuw aan de oversteek in de tegenovergestelde richting.
– “Kus een beetje mijn klooster!” foeterde ik en ik vertrok.

En zo eindigde de ochtend die nochtans veelbelovend begonnen was toch een beetje in mineur.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme