Tag: ergernis

Brol in ‘t kwadraat

Ik heb, denk ik, hier al eerder vermeld dat ik te mijnent over een gerieflijke zolder beschik, waar allerhande snuisterijen en parafernalia een onderkomen gevonden hebben, naast falanxen oude boeken en verzamelingen bejaarde tijdschriften. Je zou het ‘schatten op zolder’ kunnen noemen en ik mag er graag tussen toeven.

Om dat toeven ietwat comfortabeler te kunnen doen, kocht ik ruim twee jaar geleden een eenvoudige driezitsbank, die me desalniettemin toch bijna duizend euro lichter maakte. De firma waar ik dat meubel aanschafte, heet Unigro. Men had me van verschillende zijden opmerkzaam gemaakt op de nogal ongunstige reputatie van dat bedrijf. De producten die ze leverden, waren niet bepaald van lovenswaardige kwaliteit en ook hun klantenservice liet naar verluidt zeer te wensen over. Ik pleeg evenwel vaker waarschuwingen in de wind te slaan en dat was ook dit keer het geval.

Al na anderhalf jaar begon de bank zich vreemd te gedragen en gebreken te vertonen die men bezwaarlijk als ouderdomsverschijnselen kon bestempelen, want het ding was allesbehalve oud. Hoewel ik het meubel allerminst intensief gebruikte, bleken de kussens af te schilferen en dientengevolge kale plekken te vertonen.

Op 11 augustus 2017 telefoneer ik met de klantendienst van de leverancier, Unigro, en deel mee dat mijn bank gebreken vertoont die duidelijk onder de garantieclausule vallen. Men verzekert me dat men de zaak in behandeling neemt en me binnen de kortste keren zal berichten.

Op 19 september 2017 heb ik nog steeds geen bericht gekregen, dus stuur ik een e-mail waarin ik mijn klacht herhaal. Ik krijg niet veel later een (waarschijnlijk automatisch) antwoord: “We streven er naar om u binnen de twee dagen een antwoord te bezorgen, maar we ondervinden tijdelijk een langere wachttijd die tot zeven dagen kan oplopen.”

Ik wacht zo maar eventjes vijf weken en stuur dan, op 22 oktober 2017; een herinnering. Het antwoord komt zeven dagen later. Door het activeren van een nieuwe centrale hebben ze enige vertraging in het verwerken van hun mails. Ze voegen daar laconiek aan toe dat ze helaas geen voorgaande mail van me terugvinden.

Ik ontsteek in grote ergernis en stuur ze deze mail:

Op 11/8/2017 liet ik u telefonisch weten dat de in de rand vermelde bestelling gebreken vertoont die duidelijk onder de garantieclausule vallen.
De bekleding van de zitkussens van de driezitsbank, die deel uitmaakt van deze bestelling, schilfert namelijk af, waardoor de kussens kale plekken vertonen.
Men verzekert me dat men de zaak in behandeling neemt en me binnen de kortste keren zal berichten.

Op 19/9/2017 heb ik nog niets van u vernomen, dus stuur ik u een e-mail, waarin ik mijn klacht herhaal. Ik krijg nog dezelfde dag een e-mail, waarin u me mededeelt dat u ernaar streeft om me binnen de twee dagen een antwoord te bezorgen, maar dat u tijdelijk een langere wachttijd ondervindt die tot zeven dagen kan oplopen.

Ik wacht zo maar eventjes vijf weken en stuur u op 22 oktober 2017 een herinnering. Ik ontvang uw antwoord, opnieuw zeven dagen later. Door het activeren van een nieuwe centrale hebt u naar verluidt enige vertraging in het verwerken van uw mails. U voegt daar laconiek aan toe dat u helaas geen voorgaande mail van mij terugvindt.

Ja zeg, maak het een beetje! Zo blijven we bezig natuurlijk! U hebt aan de ‘spoorloze’ e-mail het nummer MSG-131350 toegekend en u hebt die beantwoord met de hierboven vermelde e-mail, inhoudende dat de wachttijd van 2 tot 7 dagen kon oplopen.

Kan er nu eindelijk een vervolg aan deze inmiddels onverkwikkelijke kwestie gebreid worden?

In bijlage stuur ik u een foto van de toestand waarin de zitkussens zich momenteel bevinden. Mooi is anders!

Ik zie uw antwoord graag tegemoet en hoop dat het dit keer vlotter gebeurt.

driezit

Op 21 november 2017 krijg ik een telefoontje, waarin men me mededeelt dat het euvel van mijn bank aan slijtage te wijten is en derhalve niet onder de garantieclausules valt. Ik stuur ze meteen deze e-mail:

Naar aanleiding van het telefoongesprek dat ik daarnet met uw diensten had, kan ik u het volgende mededelen:

Ik heb begrepen dat u het stukgaan van de bekleding van mijn driezitsbank toeschrijft aan slijtage, die niet onder de garantieclausules valt. Als zitkussens al na anderhalf jaar aan dergelijke slijtage onderhevig zijn en dat normaal bevonden wordt, dan verkoopt u regelrechte brol. Ik zal dan ook niet nalaten om op sociale media (mijn blog, Twitter en dergelijke meer) mijn ongenoegen kenbaar te maken, met vermelding van uw bedrijfsnaam en de raadgeving om vooral niets bij u te kopen. Bovendien zal ik de uitermate gebrekkige werking van uw dienst na verkoop aan de kaak stellen, waardoor ik maar eventjes drie maanden op uitsluitsel moest wachten en u mijn e-mails maandenlang onbeantwoord liet.

Ik dring er dan ook op aan dat u me uit uw klantenlijst schrapt en me geen enkele reclame meer toestuurt, noch per post, noch per mail.

Een uitermate mistevreden ex-klant.

Ze blijven me echter maanden met reclame bestoken, zowel per mail als per post. Telkens als ik iets van ze ontvang, stuur ik ze een mail in steeds driestere bewoordingen, zoals bijvoorbeeld:

Als ik me uitschrijf, en dat heb ik inmiddels acht keer gedaan, wil ik niks meer van jullie ontvangen, maar jullie blijven me spammen met reclame voor de brol die jullie verkopen.
Hou ermee op, achterlijke dakhazen!

En dan voelen ze zich nog gekrenkt ook, want ze antwoorden:

We begrijpen dat dit niet aangenaam is en stellen alles in het werk om de publiciteit stop te zetten. Mogen wij u vriendelijk verzoeken toch enige beleefdheid te hanteren?

Wij bedanken u voor uw mail en vinden het jammer dat u zich wenst uit te schrijven. Uiteraard respecteren wij uw beslissing en daarom hebben we reeds het nodige gedaan.

Door technische redenen kan het gebeuren dat u nog een vijftiental dagen mails van ons ontvangt, alvast onze excuses hiervoor.

Wij bedanken u voor uw begrip en wensen u een fijne dag toe!

Waarna ik weer:

Na de slechte ervaringen die ik met jullie had, voel ik me absoluut niet geroepen om jullie met beleefdheid tegemoet te treden. Wel integendeel. Jullie zijn een prutsbedrijf.

Besluit: Unigro is met voorsprong het slechtste bedrijf van België en belendende percelen. Jullie zijn gewaarschuwd. Zeg niet dat jullie het niet wisten.

Belgische bagger

Als de jaarwisseling in het verschiet ligt, mogen bekende Vlamingen en andere kloothommels die zichzelf zo geweldig vinden dat ze hun eigendunk nauwelijks kunnen tillen, in het weekblad Humo kond doen van hun antwoord op enkele vragen, die op toepasselijke wijze eindejaarsvragen heten. Zoals jullie merken, ken ik nog steeds heel goed de weg in samengestelde zinnen, maar dat is vandaag de zaak niet.

Ene Stijn Meuris, Vlaamse zanger van het zevende knoopsgat, behoort tot de gegadigden die hun mening mochten spuien. Hij kreeg onder meer deze vraag voorgeschoteld:
Wie wenst u wat toe voor 2018 (ten goede of ten kwade)?
Zijn antwoord luidde:
De toekomstige lone shooter die Donald Trump te grazen zal nemen (ik schat tijdens het triomfantelijk afdalen van een vliegtuigtrap): een vaste hand. Met een beetje geluk komt-ie vrij wegens ‘begrijpelijke redenen’.

Dat staat er, zwart op wit, in Humo! Ik had al niet zo’n vreselijk hoge pet op van het heerschap Meuris, maar nu trek ik hem helemaal niet meer. Ik ben ook geen fan van Trump, maar deze eindejaarswens overschrijdt absoluut de grenzen der welvoeglijkheid. Meuris, je moest je schamen!

Wie zich ook moeten schamen zijn de televisiezender RTBF, het weekblad Paris Match en de krant La Libre Belgique.

Enkele maanden geleden heeft de jongerenafdeling van Ecolo (de Franstalige groenen) een pamflet verspreid met een gefotoshopte afbeelding van een gewapende Theo Francken, de Belgische staatssecretaris voor Asiel en Migratie, die ze voor de gelegenheid ook nog in een nazi-uniform gehuld hadden. Alsof dit op zich al geen aanfluiting van het fatsoen is, hebben bovenvermelde media deze foto nu bovendien de prijs van de Waalse media toegekend, als zijnde het communicatiemoment van 2017. Daar valt me toch de bek van open!

We zullen het nog ver schoppen met die onbeschofte Walen. En Theo Francken heeft een wit voetje bij me. Hij doet dat hoegenaamd niet slecht in deze nochtans moeilijke omstandigheden.

Jup!

Het gebeurt niet zelden dat ik tijdens mijn fietstochten personen ontmoet die me kennen. Dat blijkt uit hetgeen ze me tijdens het voorbijrijden toeroepen. Deze confrontaties vinden meestal dicht bij huis plaats, maar soms hoor ik ook mijn naam weerklinken als ik me op grote afstand van mijn woning bevind, soms wel vijftig kilometer, of een enkele keer zelfs meer.

Wat wil nu het geval? De mensen die me zo enthousiast met een saluut bedenken, behoren vrijwel altijd tot het soort fietsers die we in de wandeling als wielertoeristen omschrijven. Ze kleden zich dan ook overeenkomstig de usanties van deze volksgroep: huidstrakke spandex, stoere helmen en zonnebrillen met spiegeleffect.

Het zijn precies de helmen en brillen die voor problemen zorgen en het herkennen van de persoon in kwestie bemoeilijken. Meestal heb ik er geen idee van wie er achter die vermomming schuilgaat en dat irriteert me mateloos.
“Jup!” roep ik dan, want dat is een Vlaamse groet die volkomen neutraal is en geen uitsluitsel geeft omtrent het al dan niet herkennen van de ontvanger ervan.
Als ik dan mijn weg vervolg, blijft dat dusdanig door mijn kop malen dat ik nog amper van mijn fietstocht geniet en nauwelijks oog heb voor de mij omringende natuur.

Ik heb ter gelegenheid van Halloween een masker gekocht, hoewel ik zo’n ding hoegenaamd niet nodig heb om er angstaanjagend uit te zien. Misschien moet ik dat geval voortaan opzetten als ik ga fietsen, zodat niemand me nog herkent en me dientengevolge met een groet bedenkt.

Doen!

Vuile manieren – 2

Binnenkort reis ik opnieuw en nog maar eens naar mijn geboorteland: Argentinië. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dit keer doe ik het echter niet in mijn eentje. Een getrouwe vriend, met wie ik al heel lang kan lezen en schrijven, zal me vergezellen. Om alvast wat te oefenen begaven we ons gisteren naar een Argentijns restaurant. Daar lieten we ons een typisch, want uit de criollokeuken afkomstig, gerecht voorzetten: de locro.

Wat we opgedist kregen, zag eruit als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en getuigde van gekruide agressie. Na één hap moest je je inhouden om niet tegen het plafond te vliegen, of van een rots te springen, verondersteld natuurlijk dat je je in de buurt van zo’n geografisch ongemak bevond. Ik heb me in mijn leven al vaak aan locro vergrepen en … ik heb er haar van op mijn borst gekregen.

Het duurde dan ook niet lang of we hadden beiden dooie katten in de mond. We vergingen van de dorst en zagen ons genoodzaakt een drenkplaats op te zoeken, waar we ons elk over een braaf glas agrum van Schweppes ontfermden. Als ik over een pracht van een dorst beschik, durf ik nogal eens mijn toevlucht te zoeken tot en mijn keel te smeren met een koele agrum, want dat is volgens mij de dorstlesser bij uitstek.

Nu heeft mijn vriend zich in de loop der jaren een aantal hebbelijkheden eigen gemaakt. Ik trouwens ook, maar daar gaat het vandaag niet over. Een van zijn eigenaardigheden is het uit een glas opvissen van citroen- of sinaasappelschijfjes, om het vruchtvlees ervan weg te knagen en de schil vervolgens opnieuw in het glas te deponeren. Het is me een gezicht!

Onze dorst bleek groter dan gedacht, dus bestelde ik een tweede agrum, terwijl mijn gezel op pils overschakelde. Jullie kunnen nooit raden wat er toen gebeurde. Mijn vriend kreeg zijn blonde rakker en ik een agrum … waarin de schillen dreven, die kort daarvoor door hem van hun vruchtvlees beroofd waren. Ik diende de kelner vanzelfsprekend een uitbrander toe. Stond hij nog te lachen ook.
“Zal ik me van kant maken?” vroeg hij, maar toen ik hem mesblikken toewierp, besloot hij toch maar de  agrum te vervangen.

Ik liet die onaangeroerd en ben even later op hoge poten vertrokken. Mij zien ze daar alleszins niet meer.

En toen … kwam er sleet op

Zo’n acht maanden geleden ontstond er op strompelafstand van mijn woning een nieuw eethuis.

Door nieuwsgierigheid gedreven, begaf ik me op weg om deze nieuwkomer te bezienswaardigen en er mijn licht op te steken. Er brandde daar al licht en omdat ik een hekel aan verloren moeite heb, besloot ik me neer te vlijen en wat te nuttigen. Ik meen me te herinneren dat ik de scampi van het huis koos. Aangezien die nogal bij me in de smaak vielen en ook de bediening mijn goedkeuring kon wegdragen, wijdde ik hier op mijn blog een lovende paragraaf aan dat etablissement, dat ik vervolgens wekelijks met een bezoek vereerde.

Zoals dat vaker gebeurt, snijden nieuwe messen scherp, maar komt er al spoedig wat sleet op. Soms kreeg ik bij het aperitief geen peuzelhapje meer; men schotelde me iets voor dat ik niet besteld had; de biefstuk die ik in doorbakken toestand wenste, bloedde als een rund; men serveerde me witte wijn op kamertemperatuur … en meer van dat soort … eh … laten we het schoonheidsfoutjes noemen. Ik pleeg niet op alle slakken zout te leggen.

Verleden week zat ik er bijna een half uur op het door mij bestelde nagerecht ─ een crema catalana ─ te wachten, hoewel het daar hoegenaamd niet druk was, dus wenkte ik het meisje dat daar rondliep en kleine beroepsbezigheden verrichtte.
─”Is het vliegtuig uit Catalonië nog niet geland?” vroeg ik.
─”Pardon?” fronste ze en ze keek me aan alsof er snotkevers uit mijn neus kropen.
─”Ik heb een half uur geleden een crema catalana besteld,” verduidelijkte ik, “maar die duikt niet op. Nu hoeft het niet meer, want ik heb er geen tijd meer voor. Breng me de rekening maar.”

Natuurlijk stond het dessert op mijn nota vermeld, of wat hadden jullie gedacht? Toen ik haar op die fout wees, besloot ze er de ‘bazin’ bij te halen. De bazin kwam en presenteerde me de verbeterde rekening.
─”Ik heb de crema geschrapt”, zei ze en ze wees naar de plaats op het papiertje waar dat gebeurd was. “We hadden trouwens vergeten de wijn aan te rekenen, dus heb ik die toegevoegd.”
Ze wees ook die correctie aan.
─”Sinds wanneer kost een halve liter witte wijn elf euro?” vroeg ik. “De kaart vermeldt die aan negen euro.”
─”Ach”, zuchtte ze en ze verminderde snel het eindbedrag met twee euro.

Omdat er geen enkel excuusje over haar lippen kwam, stak er onbehagen in me op, al liet ik dat niet merken. Ik betaalde en vertrok en terwijl ik vertrok, besloot ik dat ze mij daar nooit meer zullen zien. Iedere week spendeerde ik daar minstens vijftig euro: 52 weken x 50 euro. Tel uit mijn winst! Tel uit wat ze verliezen. Dat scheelt een slok op een borrel.

Opgeruimd

Plassendale

Op de plek waar de kanalen Gent-Oostende en Oudenburg-Nieuwpoort zich verenigen, vind je het sluizencomplex Plassendale, dat een beschermd dorpsgezicht is. Men ─ het stadje Oudenburg ─ heeft er een idyllische pleisterplaats ingericht met een half dozijn robuuste picknicktafels. Het is er heerlijk toeven aan de rand van het water, behalve tijdens de weekends. Dan krioelt het er immers van veelal luidruchtige wielerterroristen en van galeislaven in roeiboten, die vanaf de oever bijgestaan worden door fietsende trainers met roeptoeters die een herrie als een oordeel maken.

Op weekdagen is deze plek echter een oase van rust. Af en toe spartelt er een boot door het water; eenden spelevaren; vogels repeteren eindeloos; vissers zitten te vissen … en heel soms verschijnt er plots een vuilniswagen. Dat gebeurde gisterenmorgen toen ik daar zat. Een bemanningslid van dat voertuig bekommerde zich om de vier tjokvolle, overlopende bakken die daar opgesteld stonden, maar hetgeen op de grond lag liet hij ongemoeid.

Ik was daaromtrent in niet geringe mate verbaasd en diepte mijn cameraatje op, om deze aanfluiting van beroepsijver vast te leggen. Terwijl ik de opname maakte, kwam er een dame met een labrador aangewandeld. Of was het een labrador met een dame? Wie zal het zeggen? Ze begon de boel op te ruimen.
─”Dat ze dat niet meenemen!” gaf ik lucht aan mijn verwondering.
─”Daar worden ze niet voor betaald”, zei ze. “In hun contract staat dat ze die bakjes moeten leegmaken, maar niet dat ze het zwerfvuil dienen op te ruimen, dus doen ze dat ook niet.”
─”Heb je van je leven!” schuddekopte ik.
─”En daar!” vervolgde ze en ze wees naar een van de gebouwen. “Daar zitten vijf van die sluiswachters godganse dagen met hun tenen te spelen en met hun duimen te draaien, want veel bootverkeer is er hier niet, maar even naar hier komen om de boel netjes te houden … Vergeet het!”

Waarna we samen het zwerfvuil opruimden en opgeruimd onze weg vervolgden.

Plassendale2

Telenet, wat is dit voor ongein?

Er is een tijd geweest dat ik niet over voldoende loftuitingen beschikte om Telenet te bejubelen. Ze voorzien mijn woning van een groot aantal zenders, die ze me per digitale televisie bezorgen, van een snelle internetverbinding en van zowel vaste als mobiele telefonie. Dat kost me iedere maand een flinke stuiver, maar daar mem ik niet over, als hetgeen ik er voor in de plaats krijg van deugdelijke kwaliteit is. Zelfs een sporadisch kinkje in de kabel neem ik er dan graag bij.

Sinds een aantal weken wordt de mailbox die ik bij Telenet heb echter overstelpt door een lawine van spamberichten. Schijthuizen kun je ermee dekken. Het loopt werkelijk de spamgaten … eh  … de spuigaten uit. Die boodschappen lijken afkomstig van grote bedrijven zoals onder meer Carrefour, NMBS, Bol.com, Ici Paris, Delhaize, Colruyt, Dreft, Nokia en Dyson, maar eigenlijk vinden ze allemaal hun oorsprong op de Filippijnen, in India of in de USA. Ik zou inmiddels talloze prijzen gewonnen hebben, kon allerhande vouchers incasseren en van adembenemende kortingen genieten als ik tenminste een link in die boodschappen had aangeklikt, wat ik vanzelfsprekend niet gedaan heb en ook nooit zal doen.

Ik loop het risico dat ik door de bomen het bos niet meer zie, of eerder omgekeerd: dat ik door het bos de bomen niet meer zie. Tussen die vele tientallen nepberichten kan er altijd eentje schuilgaan dat er voor mij wel toe doet en dat ik argeloos naar mijn spammap wegklik.

Het probleem doet zich enkel voor bij mijn mailadres bij Telenet, dat ik overigens zelden gebruik. Ik heb drie mailboxen bij Gmail, twee bij Outlook, twee bij Yahoo! en drie op mijn eigen domeinnaam. Die krijgen zelden of nooit spam binnen.

Het is een schrale troost dat in mijn kennissenkring vrijwel alle bezitters van mailboxen bij Telenet die ongewenste post over zich heen krijgen.

Foei Telenet! Doe er wat aan!

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Mijn auto, mijn vrijheid?

De meeste jaagpaden langs kanalen en andere waterlopen zijn luidens verkeersborden voorbehouden aan personen die zich per benenwagen of per rijwiel verplaatsen. Morgen brengen! Vanmorgen fietste ik ongeveer twaalf kilometer langs zo’n pad en diende ik minstens vijftig keer uit te wijken, of zelfs halt te houden, voor een auto. Vanwege dat grote aantal verwachtte ik dat ik binnen de kortste keren een agglomeratie ter grootte van New York op mijn weg zou aantreffen, maar dat was niet het geval. Ik passeerde nauwelijks een dozijn huizen.

Het valt derhalve niet te ontkennen dat steeds meer chauffeurs de verkeersborden aan hun laars lappen en de jaagpaden als sluipweg gebruiken. Dat is een bedenkelijke evolutie en ik ben er als kwetsbare weggebruiker hoegenaamd niet blij mee. Ik vraag me af hoe automobilisten zouden reageren als wij, fietsers, wandelaars en joggers, ons in jolig en ongeordend groepsverband op autowegen zouden vermeien.

Ik zit weer te walmen

Walmen … Aan dat werkwoord heeft mijn spitsvondige ik een aparte betekenis toegekend, die jullie niet in verklarende woordenboeken zullen aantreffen, hoe dik die ook mogen zijn. Als ik me knorrig in mezelf terugtrek en nauwelijks aanspreekbaar ben, dan zit ik te walmen. Nu heeft een fijne teen ─ die gekipt en gebroed is met de psychologie en derhalve de streepjescode van mensen kan lezen ─ me recht voor m’n raap gezegd dat oppotten niet goed voor me is. Ik zou een uitlaatklep nodig hebben om mijn ergernissen te spuien, om de dingen die me ellenlang de strot uithangen of waar ik een kunstkop van krijg te lauwen. Ik hoop derhalve dat jullie me zullen vergeven dat ik mijn blog even als uitlaatklep gebruik om mijn gal uit te spuwen.

Ik krijg langzamerhand goed balen van het lamlendige weer dat nu al een niet gering aantal dagen mijn plannen dwarsboomt. De februarimaand mag gerust met wat grauwe, gure dagen op de proppen komen, maar trop is te veel en te veel is trop, zoals wijlen een Belgische premier, Paul Vanden Boeynants, placht te zeggen. Dat is één!

Er zijn wat problemen met de hosting van mijn weblog, waardoor Uilenvlucht af en toe onbereikbaar is. Nu ja, af en toe … Zondagmorgen, tussen 7 uur en 13 uur, waren er bijvoorbeeld maar eventjes 27 onderbrekingen, die alles samen twee uur en vijfentwintig minuten duurden. Ik heb dat gisteren aan mijn provider gemeld, maar die treft natuurlijk geen enkele schuld, of wat hadden jullie gedacht? Meer zelfs, men laat doorschemeren dat men aan mijn bewering twijfelt, al durft men het niet met zoveel woorden tegen me te zeggen. Tja, ik had zondagmorgen natuurlijk eerst een dozijn pretsigaretten opgestookt, mezelf vervolgens gemarineerd in allerhande verdovende substanties en tot slot ook nog een groot aantal slokken te veel opgenomen. Ik was zo high als een tros bananen, zo stoned als een garnaal, zo dronken als een kanon en ik hallucineerde er lustig op los. Vandaar allicht dat ik me die 27 onderbrekingen ingebeeld heb. Ik vind het alleszins geen manier van doen en mijn snaren zijn dan ook danig ontstemd. Dat is twee!

Verleden week heb ik bezoek gekregen van een snipverkouden persoon en die heeft me natuurlijk aangestoken, zodat ik nu zelf in de lappenmand lig en heel veel last ondervind van een hardnekkige neuscatarre. Mag ik een teiltje? Ik moet kotsen! Dat is drie!

Aangezien niet alleen goede, maar blijkbaar ook slechte dingen uit drie bestaan, zet ik er hier en nu een punt achter.

Punt!

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme