Tag: drugs

Slaap in hemelse rust

jotieOoit was er een jongen die Jotie T’Hooft heette. Veertig jaar geleden zocht hij, nauwelijks eenentwintig jaar jong, zijn heil in de dood door middel van een overdosis drugs. Het gebeurde in een Brugs achterafkamertje.

Het is inmiddels al van 6 oktober 2014 geleden dat ik hier op mijn blog een gedachte aan hem wijdde en een gedicht van zijn hand publiceerde. Lees in dit verband: Een zeer treurige prins. Ik was, ben en blijf immers een groot bewonderaar van deze jongeman, die een overweldigend talent tentoonspreidde en volgens mij een van de grootste dichters is die Vlaanderen heeft voortgebracht.

Jotie woont nu al vier decennia in een sober graf op een kerkhof in Oudenaarde, zijn geboorteplaats, en nu is daaromtrent enige deining ontstaan. De concessie van het graf verviel en daardoor dreigde het te verdwijnen, hoewel sommigen dat probeerden tegen te gaan met het voorstel om het graf als waardevol erfgoed te laten erkennen. Dat viel niet in goede aarde bij sommige lokale politici. In haar hoedanigheid van schepen van burgerzaken stelde ene Carine Portois bijvoorbeeld: “Stop er eens mee om van Jotie T’Hooft een heilige te maken. We spreken hier tenslotte over iemand die aan drugs verslaafd was. En ook zijn dood was het gevolg van die verslaving. We moeten dat niet verheerlijken.”

Het is waar dat Jotie er niet bepaald een lovenswaardige levenswandel op na hield, maar wie zonder zonde is … Ik meen te weten dat ook de schepen die ik hierboven citeerde al twee keer een ongeval veroorzaakte terwijl ze onder de invloed van alcohol was. De pot verwijt de ketel …

Jotie T’ Hooft blijft een weergaloze dichter. Ze zijn met weinigen die dergelijke adelbrieven kunnen voorleggen. Schepen Portois kan daar alleszins een punt aan zuigen.

Een onbekende heeft inmiddels de concessie van het graf met vijf jaar verlengd. Daar ben ik blij om. Het leven van Jotie was al een grote puinhoop. Mag hij nu misschien in vrede rusten?

Wie was Jacques?

smicob2

Ik keer nog even terug naar het stukje dat ik hier verleden donderdag plaatste en meer bepaald naar de tekening, die ik gebruikte om de tekst te verluchten en die ik hierboven in een ietwat vergrote versie herhaal. Er is namelijk een anekdote aan dat portret verbonden.

Het moet ondertussen meer dan twintig jaar geleden zijn dat ik in een drenkplaats, waar ik af en toe mijn neus liet zien en natuurlijk ook de rest van mijn lijf, een gesprek aanknoopte met mijn buurman aan de tapkast. De man zal een jaar of twintig geweest zijn, vermoed ik, en hij heette Jacques. De inhoud van ons gesprek herinner ik me niet, maar de koetjes en de kalfjes zullen wellicht aan bod gekomen zijn, net als het weer. We zaten zo’n uur of twee tegen elkaar aan te kakelen en op te proosten, maar toen scheidden onze wegen.

Toen ik enkele weken later opnieuw in die kroeg kwam, vernam ik van de kastelein dat er iets voor me afgegeven was. Hij overhandigde me een map, waarin ik de tekening in kwestie aantrof. Het met een papierklem eraan bevestigde kattebelletje luidde: “Nog bedankt voor de leuke babbel. Jacques.”

Het mag gezegd dat de gelijkenis treffend was. Je kon de afgebeelde kop meteen als de mijne herkennen. Men moet ongetwijfeld over een uitzonderlijk visueel geheugen en veel talent beschikken om iemand na nauwelijks twee uur helemaal uit het hoofd en zo raak af te beelden.

Ik vroeg de kastelein of hij me wat meer over die Jacques kon vertellen. Dat kon hij, maar hetgeen ik van hem vernam, vervulde me met verbijstering en was absoluut niet wat ik wilde horen. Jacques was een week eerder aan een overdosis gestorven.

Hij is dus al twintig jaar dood, maar ik heb zijn tekening ingelijst en die hangt nog steeds op een ereplaats in mijn bureau. Af en toe mag ik er graag naar kijken.

Waarom, zo vraag ik me af, heeft hij me eigenlijk als een slang afgebeeld? Ik zal het nooit weten.

Een delicate vondst

Toen ik de gordijnen openschoof en de mij omringende natuur overschouwde, zag ik in de verte tussen de bomen een felrode glinstering.
“Wat zou dat kunnen zijn?” vroeg ik me af.
Ik duikelde inderhaast een verrekijker op ─ waarmee ik broedende vogels pleeg gade te slaan, of dartelende eekhoorns bespioneer, of vrijende stelletjes … het paringsgedrag van zoogdieren bestudeer ─ en hoewel ik het object in niet geringe mate dichterbij kon halen, kreeg ik nog geen uitsluitsel over wat het was, dus zag ik me genoodzaakt om me naar buiten te begeven en het bos in te wandelen.

rugzakHet bleek de hiernaast afgebeelde rugzak van een deugdelijk merk te zijn. Ik nam die mee naar huis en inspecteerde daar de inhoud, teneinde te achterhalen wie de rechtmatige eigenaar ervan was. Ik ontdekte achtereenvolgens:
– een pilsflesje van Jupiler (leeg)
– een kurkentrekker
– een zakdoek (proper)
– een als doppenwipper vermomde sleutelhanger met 2 sleutels en 3 USB-sticks
– een blisterverpakking met 4 Rennietabletjes
– een potje met een restje sportgel van fytoSil (gratis staal)
– een schaartje
– drie aansluitingskabeltjes

en dan ook nog …
– een plastic zakje met een hoeveelheid marihuana
– een bokaal, eveneens met een hoeveelheid marihuana
– een metalen cannabismolentje, beter bekend als een grinder

Daar was ik dan mooi klaar mee! Niets verklapte me aan wie de rugzak toebehoorde. Vanwege de nogal delicate inhoud kon ik het ding bezwaarlijk aan de politie overhandigen, want ik wilde de persoon in kwestie niet in de problemen brengen. Toen ik nog jong en boosaardig was, lurkte ik immers ook regelmatig aan een joint en ik zou het waarschijnlijk nu nog doen, als ik vijf jaar geleden niet met roken gestopt was.

Ten einde raad controleerde ik de inhoud van de geheugensticks en zodoende stuitte ik op een naam. Toen ik die aan internet toevertrouwde, bleek dat weliswaar een jonge dorpsgenoot van me te zijn, maar ik kende hem niet en ik kreeg ook nergens zijn coördinaten te pakken. Hij zit weliswaar op Facebook, Netlog, LinkedIn en nog wat sociale media, maar daar ben ik geen lid van en dus kan kan ik hem via die weg niet bereiken.

Ik denk dat ik een kroegentocht zal moeten ondernemen om hem op te sporen of tegen het lijf te lopen.

De druppel die …

Ik moest heel erg lachen met de bovenstaande tweet van Omroep Zeeland. Ze waren in het bezit van een zak wiet, ze verplaatsten zich met een gestolen brommer, ze negeerden een stopteken van de politie en tot overmaat van ramp waren ze dan nog Belg ook.

Een zeer treurige prins

Vandaag, maar dan 37 jaar geleden, stapte de amper 21-jarige ‘zeer treurige prins’ uit het leven in een miserabel achterafkamertje in Brugge. Hij was een buitengewoon getalenteerd dichter, maar helaas ook een uitermate getourmenteerde ziel. Zijn naam was Jotie T’ Hooft.

Liefde en ellende

Brood van weken oud heb ik geweekt in water
en opgegeten, terwijl de kou aan mijn tenen
knaagde. Met naalden heb ik in mijn bloed
gewoeld en gezocht. En niets gevonden.
Ik heb op straatstenen geslapen met honger
die door niets nog gestild kon worden
leek het wel.

In nachten, nat en donker, was ik alleen
en mijn stem hoorde niemand. Ziektes
hebben mij bezocht in de jaren, ik wou
vluchten in de dood.

Maar niets was erger dan nu, ik wou
dat je bij me kwam en in mijn ogen keek.

Jotie T’ Hooft

Opstekers

Het Europese parlement heeft een strengere tabaksrichtlijn goedgekeurd. Europarlementariër Marianne Thyssen verscheen dienaangaande op de televisie en ze stak het niet onder stoelen of banken dat ze daar bijzonder opgetogen over was … eh … zowel over die nieuwe richtlijn als over haar verschijning op het ruitje. Ze opende haar mond en sprak:

“We willen vooral vermijden dat jongeren starten met roken, want daar begint de verslaving.”

Ik was perplex. Dat was een bewering waarmee men een afro kon ontkroezen. Wie had ooit kunnen bevroeden dat een rookverslaving begint met het roken van een sigaret?

Ik dacht onwillekeurig terug aan lang vervlogen tijden, aan een gespreksavond over drugs die ik samen met mijn spitsbroeder Reinhold bijwoonde. De spreker van dienst probeerde ons te overtuigen van het bestaan van de steppingstonetheorie: het denkbeeld dat het gebruik van softdrugs automatisch tot het consumeren van het zwaardere spul leidt. Hij opende zijn mond en sprak:

“Het is een vaststaand feit dat de grote meerderheid der heroïneverslaafden met marihuana begonnen is.”

Waarop Reinhold de hand opstak, om zodoende het woord te vragen en te krijgen. Hij opende de mond en sprak:

“Het is een nog vaststaander feit dat een nog grotere meerderheid der heroïneverslaafden begonnen is met melk.”

Ja, Reinhold was een gisse knaap en dat is hij overigens nog steeds. In een zalig vroeger ─ mais où sont les neiges d’antan? ─ lurkten we regelmatig samen aan stevige pretsigaretten, maar we hebben ons geen van beiden ooit aan het zwaardere spul gewaagd. Dat is een vaststaand feit.

Dat zijn toeren!

Vandaag trekt de Tour de France zich voor de honderdste keer op gang. Mijn belangstelling en mijn enthousiasme voor deze hoogmis van de wielersport zijn danig bekoeld, sinds ik weet dat de hoofdmoot van het peloton uit vals spelende dopinggebruikers bestaat. Als ik desalniettemin sommige ritten op het ruitje zal volgen, is dat louter vanwege het fraaie natuurschoon dat de camera’s ons zullen opdissen, want laten we wel wezen: Frankrijk voldoet op velerlei gebied aan het toeristische verwachtingspatroon en beschikt zeer zeker over tal van glorieuze landschappen.

In weerwil van mijn argwaan heb ik toch een paar favorieten uitgekozen. Voor de vlakke ritten is dat een olijk enfant terrible: het sprintkanon Peter Sagan, die op het podium van de Ronde van Vlaanderen bewees dat hij de katjes niet enkel in het donker knijpt. Voor de bergritten en de eindoverwinning staat de bescheiden en ouderwets hoffelijke Christopher Froome ─ you are a gentleman, sir! ─ helemaal bovenaan mijn lijstje. Entre les deux, mon coeur balance.

Allez, vooruit met de geit en gaan met de banaan, tourkaravaan!

Manten en Kalle

Ik heb jullie gisteren kond gedaan van het onaangename akkefietje dat ons, mijn reisgezel Reinhold en ik, aan de grens van Turkije met Griekenland te beurt viel en groot oponthoud veroorzaakte, waardoor we in de auto dienden te overnachten. Er bestaan ongetwijfeld comfortabelere plekken, maar we overleefden het …

… en brachten vervolgens een meerdaags bezoek aan Athene, waar de heerlijkste gewrochten, ooit door mensenhand geschapen, onze bewondering afdwongen. Daarna toerden we een week of wat door de Peloponnesus. Het was tijdens deze tocht dat we twee Griekse landschildpadden van het asfalt plukten, ze Manten en Kalle doopten en ze in een kartonnen doos een plaatsje op de achterbank gaven, waar we ze gul van sla en tomaten voorzagen. Met zijn vieren bereikten we de havenstad Patras, waar we inscheepten teneinde de Ionische Zee over te steken en voet aan wal te zetten in het Italiaanse Bari.

Ik reed mijn auto van het schip en terwijl ik die richting douane stuurde, gaf ik mijn passagier nog de goede raad mee om vooral zijn kakel te houden, want met zijn charmante babbel had hij aan de Turks-Griekse grens de boel verziekt en het oponthoud veroorzaakt, zoals jullie gisteren konden lezen. Hij gehoorzaamde braafjes, maar het mocht niet baten: men rangeerde ons opnieuw uit de rij en weer dienden we het voertuig te verlaten. Ze kwamen met een hond aandraven. Die hond snuffelde. En die hond blafte! En weer maakte men aanstalten om het slopen van mijn voertuig aan te vatten.
─“Zou het niet aan onze schildpadden kunnen liggen?” opperde ik snel.

Toen ze van hun verbazing bekomen waren en lacherig enkele opmerkingen over zuppa di tartaruga gemaakt hadden, kregen we de toestemming om Manten en Kalle uit te laden, waarna de hond een nieuwe inspectieronde maakte en net als Reinhold zijn klep dichthield.

En weg waren we, nieuwe avonturen tegemoet …

Manten en Kalle zijn later gerepatrieerd en in hun habitat uitgezet.

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme