Tag: dierenleed

Een mens maakt wat mee

Ga vooral even zitten, want dit is niet mis. Bereid jullie voor op het bloederig tafereel van de gorgonische historie die ik aan jullie kwijt wil.

De man, een dorpsgenoot van me, keerde laat op de avond huiswaarts via een oude heirweg, waarop in lang vervlogen tijden Romeinse heirscharen galoppeerden en marcheerden. Je kunt het je eigen haast niet indenken dat misschien zelfs Julius Caesar van dit weggetje gebruik maakte, al behoort het zeer zeker tot de mogelijkheden … maar ik dwaal af, omdat ik daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe. Ik ben de optelsom van allerlei menselijke zwaktes.

Maar ik kom ter zake en dan wel als volgt: ik keer terug naar die dorpsgenoot van me, die op een onchristelijk uur een smalle, in duisternis gehulde weg gebruikte om huiswaarts te tijgen. De koplampen van zijn auto betastten het asfalt, dat zich voor hem uit in bochten kronkelde als een aal in doodsnood en waarop plots een dier opdoemde, dat met een doodsmak tegen zijn voertuig knalde.

De man kon op talloze kwaliteiten bogen, maar een dierenvriend was hij niet. Hij schrok weliswaar even en vervolgde toen doodgemoedereerd zijn weg, zonder zich om het slachtoffer te bekommeren.

Thuis reed hij zijn auto de garage in en besloot om er zich toch even van te vergewissen of hij schade had opgelopen. Hij begaf zich naar de voorzijde van het voertuig, begilde zich op nogal onmannelijke wijze en deinsde terug als een duivel die een veeg met een wijwaterkwast krijgt. Verstrengeld in de radiateurgrille van de motorkap hing er namelijk een vos … en die leefde nog, al konden de bewegingen van zijn poten ook stuiptrekkingen geweest zijn.

De man hield evenwel zijn darmen bij elkaar en belde de politie. De heren, en dames, die daar de dienst uitmaakten, vonden die klus beneden hun waardigheid en raadden hem aan de hulp van de brandweer in te roepen, wat hij toen deed. Toen die ter plaatse kwam, was het dier inmiddels overleden, hetgeen het secure werkje van het lospeuteren ervan in niet geringe mate vereenvoudigde.

Aangezien ik over een nogal lenige fantasie beschik, kan ik het allemaal voor mijn ogen geschilderd zien, hoezeer ik die beelden ook tracht te verdringen. Ik zal er ongetwijfeld eng van dromen …

… maar laat me dit stukje tot een aanvaardbaar einde brengen: ik mag een krulstaart krijgen als het niet waar is.

Hondenleed 2

Ik heb jullie eergisteren, na mijn in het gemoed grijpende confrontatie met een driepotige hond, een beetje in het luchtledige laten hangen door geen vervolg aan mijn relaas te breien, zij het met de belofte dat ik dat eerlang wel zou doen. Vandaag keer ik dus terug naar het onderwerp dat ik toen bij de kop had.

Drie uur na de hierboven vermelde confrontatie was ik tijdens een wandeling getuige van een verkeersongeval. Een klein en zeer onschuldig autootje werd op onrechtvaardige wijze in de flank gegrepen door een ongehoord brutale BMW. Er giechelde brekend glas en metaal scheurde krijsend. Het aangereden voertuigje tolde een paar keer in het rond en bleef toen zwaar gehavend in het midden van de weg staan.

Een van de gedeukte portieren zwaaide niet zonder moeite open en er dook een langharige man op, die eerst enigszins verdwaasd om zich heen keek en vervolgens een kleine hond uit het wrak haalde. Het dier beefde als … eh … een juffershondje, hoewel hij dat hoegenaamd niet was. Hij behoorde tot het ras dat men Mops noemt: een naam die volgens mij helemaal overeenstemt met het mollige uiterlijk van dat wezen. De man deponeerde de viervoeter op een deken in de berm, voorzag hem van een bakje water en ging toen verhaal zoeken bij de eigenaar van de BMW.

Toen ik daar een kwartier later opnieuw voorbijkwam, was de politie volop bezig zich met de zaak te bemoeien en zat het hondje nog steeds te rillen op zijn deken in de graskant. Ik knielde bij hem neer, sprak bemoedigende en troostende woorden, streelde behoedzaam zijn kop en toen … kreeg mijn hand opeens drie likjes van hem. Ik was daar heel blij mee. Mijn dag kon niet meer stuk.

Drie likjes. Meer heb ik niet nodig om een beetje gelukkig te zijn. Ik ben met weinig tevreden.

Hondenleed

De man wandelde vrijwel iedere dag voorbij mijn woning, steevast in het gezelschap van een buitengewoon sierlijke windhond, meer bepaald een Galgo Español. Als ik toevallig buiten was als hij passeerde, wisselden we niet meer uit dan een eenvoudige groet, al herinner ik me dat ik één keer tegen hem gezegd heb dat ik hem een bijzonder fraaie hond vond hebben: compliment waarvoor hij me vriendelijk bedankte.

Enkele maanden geleden kwam er plots een eind aan hun dagelijkse passage. Zeggen dat ik me daaromtrent zorgen maakte, zou overdreven zijn, maar toch vroeg ik me soms af waar ze gebleven waren. Gisteren kreeg ik opheldering.

Ik stond buiten bij de brievenbus toen ik ze in de verte zag aankomen, de hond huppelend van blijdschap. Spoedig bleek echter dat het huppelen niet door blijdschap veroorzaakt werd, maar door het ontbreken van een voorpoot.
– “Oei!” schrok ik. “Hoe is dat zo gekomen?”
– “Een kwaadaardige tumor,” verduidelijkte de man, “maar hij houdt zich kranig, hoor.”
– “Doet u dat dan ook maar”, zei ik, want ik zag dat hij zich even verloor.
– “Ze zijn niet met velen die me dierbaar zijn,” vertrouwde hij me toe en er wankelde vertedering in zijn stem, “maar hij staat helemaal bovenaan dat lijstje.”

Ze vervolgden hun weg en ik keek ze na, scheel van emotie. Tja, die weekhartigheid van me … Het is een kwaaltje dat met de jaren verergert.

Nauwelijks drie uur later … maar dat vertel ik jullie eerstdaags. Voor vandaag is het welletjes geweest met de ellende.

Een ronkedoor?! Ik?!

“Je bent en je blijft een ronkedoor”, zei mijn logeergast, Reinhold, vanmorgen tegen me.

Ik vermoed dat velen van jullie niet weten wat een ronkedoor is. Nog even geduld: ik zal jullie straks van dat gat in jullie kennis verlossen door jullie de correcte definitie van het woord op te dissen.

Ronkedoor is echter ook de bijnaam die me in lang vervlogen tijden ─ hoe lang is dat wel niet geleden? ─ toebedeeld werd door mijn overigens zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die wellicht geen onbekende is voor mijn trouwe lezers, want hij is hier al vaker opgedoken en vernoemd.

Het gebeurde in de aldoor aan de wolken krabbende stad, New York, waar wij samen een kamer betrokken in het Sheraton hotel, in het nette vanzelfsprekend. Toen we ons na een nachtje doorzakken ‘s morgens enigszins probeerden te fatsoeneren om wat te gaan bezienswaardig, zei Reinhold:
─”Ja man, jij kunt me daar ook een stukje luidop slapen zeg!”
─”Luidop slapen?” lummelden mijn hersens nog in pyjama rond.
─”Snurken!” verduidelijkte hij. “Zowel een kettingzaag als een os moeten het tegen je afleggen. Jij bent een ronkedoor.”

De bijnaam beklijfde, want Reinhold en ik bleven kamers delen, in belendende en verre buitenlanden, en ik bleef snurken natuurlijk. Ooit hebben ze me tijdens een bioscoopbezoek aangemaand om met bekwame spoed de zaal te verlaten. De film die men vertoonde was zo spannend dat ik indutte en met het geronk dat aan mijn mond ontsteeg het plezier van allen daar aanwezig vergalde.

Ronkedoor vind ik trouwens geen vlag die de lading dekt. Oordelen jullie zelf aan de hand van de definitie hieronder:

Ronkedoor
zelfstandig naamwoord, mannelijk
Ontleend aan het Portugese roncador en hetzelfde woord als ronkadoor, in Engelse reisbeschrijvingen van de 18e eeuw voorkomend als ronkedor en runkedor.
Benaming (oorspronkelijk door de Europeanen op Ceylon) gegeven aan een van zijn kudde afgescheiden, alleen levende olifant (meestal, zo niet altijd een mannetje); hetzij (in de meeste gevallen) daaruit gestoten als overwonneling door zijn medeminnaar, hetzij bij een jachtgelegenheid afgedwaald, hetzij ook als getemde vluchteling.
Deze verstotelingen zijn zeer boosaardig van karakter en gevaarlijk voor de mens; vandaar de Portugese benaming roncador, dit is snorker, snoever, grootspreker en vervolgens: twistzoeker, of in ‘t algemeen: schadelijk individu.
De Franse en de Engelse benaming is rogue.

Zeg nu zelf: ben ik een ronkedoor? Enkel de benaming snorker is op mij van toepassing … en ja, misschien ben ik een heel klein beetje van de kudde afgedwaald.

Ambetante groeisels

Ik heb ergens gehoord of gelezen dat de mais dit jaar vroegrijp is, waardoor de oogst ervan ongeveer een maand eerder – namelijk eind september – kan plaatsgrijpen. Voor mij niet gelaten. Meer zelfs: het verheugt me ten zeerste, want ik haat mais.

Dat hoogbenig gewas hindert me tijdens het overschouwen van de Vlaamse landschappen en als het in slagorde op kruispunten opgesteld staat, belemmert het in niet geringe mate het uitzicht en verhoogt het aldus het risico op ongevallen.

Bovendien behoren maisvelden tot de favoriete speelterreinen van klein wild. Het gebeurt niet zelden dat ik er hazen, konijnen of gevogelte zie spelemeien, met alle gevolgen van dien.

Toen ik me vanmorgen tussen uitgestrekte maisakkers bevond, weerklonken vlak naast me twee oorverdovende knallen, waardoor ik me bijna een hartverzakking schrok. Ik maakte een sprong alsof er onder me een krachtige veer in werking trad en gilde als een konijn in de beet van een wezel. Meteen daarna verscheen er een jager op mijn pad.
“Moet dat nu nodig zo dicht bij de openbare weg?” foeterde ik. “Voor hetzelfde geld krijg ik een lading hagel in mijn lijf.”
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet.

Ik stond op het punt om hem een vuile moordenaar te noemen, maar besloot wijselijk om dat verwijt in te slikken. Veel jagers hebben immers een kort lontje en lange tenen. Voor je het weet richten ze hun geweer op je en knallen ze je af.

Dwarsliggers

De ochtend schotelde prachtig zomerweer voor, dus klom ik onverwijld op mijn rijwiel en trapte me met vastberaden en tevens atletische tred de ruige ruimte van de natuur in.

Een klein uur later sloeg het tragisch noodlot toe … nu ja, ik was niet het slachtoffer van het onheil, maar in zekere zin wel de aanstoker ervan. Er sprong namelijk een eekhoorntje uit de berm, uitgerekend op het moment dat ik daar voorbijreed. Het roekeloze dier kwam in mijn wiel terecht. De molenwiekende spaken maakten een zingend geluid, alsof ze een soort dodenmars aanhieven, want onze Wip overleefde de gewelddadige confrontatie niet. Daar zat ik absoluut niet op te wachten en ik werd er ook niet bepaald vrolijk van. Toenemende weekhartigheid is naar verluidt een kwaaltje dat met de jaren komt. Ik raakte eerst in grote droefenis, raapte me toen enigszins tezamen en vervolgde druilorend mijn weg.

slakkenTer compensatie heb ik niet veel later de wacht opgetrokken bij een de weg overstekende huisjesslak, teneinde het verkeer attent te maken op zijn/haar slome manoeuvre. Dat bleef echter duren. Die beesten hebben echt geen opschiet, maar zoals dat in het Engels heet: if you do the crime, you’ve got to do the time. Dat is ook in het Nederlands het geval, al klinkt het wat minder fraai als het niet rijmt.

Nu heb ik al niet veel geduld en bovendien verloor ik het schaarse beetje dat ik van die eigenschap bezit. Ik pakte die slak bij het woninkje beet en transporteerde hem/haar gezwind naar de overkant. Dat viel kennelijk niet in goede aarde, want hij/zij draaide zich resoluut om en begon opnieuw aan de oversteek in de tegenovergestelde richting.
– “Kus een beetje mijn klooster!” foeterde ik en ik vertrok.

En zo eindigde de ochtend die nochtans veelbelovend begonnen was toch een beetje in mineur.

De wetten van Pernikkel

Mijn vriend Reinhold is gedurende een week bij me te gast. Sinds jaar en dag noem ik hem Pernikkel, al kunnen we ons geen van beiden herinneren op welke manier hij die bijnaam verworven heeft. Het moet gebeurd zijn in onze dartele jaren, toen we jong en boosaardig waren en heil zochten bij onze onbetrouwbare vrienden: alcohol en marihuana. De vlag dekt trouwens de lading niet. Een pernikkel is in West-Vlaanderen een klein en onbeduidend mannetje en Reinhold is noch het een, noch het ander. Wel integendeel! Hij is groot, slank, knap, zowaar een beetje pienter en een uitermate bijdehante knaap. Zo baant hij zich bijvoorbeeld met aangeboren bravoure en achteloze zwier een weg door het woud van hovenierswerk. Dat is trouwens de reden waarom ik hem te logeren gevraagd heb, want mijn gestoethaspel tijdens het uitvoeren van tuinkarweien is vooralsnog door niemand overtroffen.

Verleden donderdag stond ik toe te kijken hoe hij zich aan de vormsnoei van enkele struiken wijdde, toen ik plots last kreeg van overweldigende dorst en voorstelde om die binnenshuis te lessen. De televisie stond aan en vertoonde beelden van het vragenuurtje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar Kristof Calvo ─ de fractieleider van Ecolo-Groen ─ opnieuw en nog maar eens het hoge woord voerde en probeerde alle aandacht naar zich toe te trekken. Ik heb een bloedhekel aan die arrogante klootzak. Hij is er helemaal in zijn eentje verantwoordelijk voor dat ik nooit op Groen zal stemmen, zolang hij daar de dienst uitmaakt.
─”Wat is dat toch een gefrustreerd konijn!” riep ik toen ik hem bezig zag en hoorde.
─”Wie een klein pietje heeft, probeert zijn frustratie daaromtrent door arrogantie te verdoezelen”, formuleerde Pernikkel zijn eerste wet van die dag.

Diezelfde avond zagen we stiekem gefilmde, weerzinwekkende taferelen die zich in een slachthuis van het West-Vlaamse Tielt afspeelden: varkens werden er geschopt, geslagen, aan de oren voortgesleurd, bij volle bewustzijn aan slachthaken opgetakeld, onverdoofd gekeeld en nog meer van dat fraais. Door die wanpraktijken heeft de Vlaamse minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts, met directe ingang de vergunning van dat bedrijf ingetrokken en de supermarktketen Delhaize heeft onmiddellijk de samenwerking met dat slachthuis opgezegd: maatregelen die ik ten zeerste toejuich. Reinhold en ik zaten verbijsterd naar dat ontluisterende schouwspel te kijken.
─”Dierenbeulen zijn mensen die thuis onder de pantoffel zitten”, formuleerde hij zijn tweede wet van de dag en ik was geneigd om het met hem eens te zijn.

Nee, Pernikkel is absoluut geen klein en onbeduidend mannetje.

Anders

Het jaar 2016 geeft er vannacht de brui aan en de intrede van 2017 zal ongetwijfeld weer gepaard gaan met het gebruikelijke feestgedruis, waaronder het zeer door mij verfoeide vuurwerk. Mijn afkeer is niet gestoeld op een persoonlijke weerzin, maar op het besef dat zowel de huisdieren, als de wilde beesten en de vogels danig in paniek raken door dergelijk spektakel. Ze zullen ooit wel eens wraak nemen.

Ik stel dus voor dat we de rotjes, de luchthuilers en de gillende keukenmeiden laten voor wat ze zijn en in plaats daarvan voor een rustiger klank-en-lichtspel zorgen. Ik zal vanavond de vlam in wat kaarsjes jagen, enkele wierookstokjes opstoken en om middernacht een paar knallende scheten laten.

Ik wens jullie een even aangename jaarwisseling. 

Persmuskiet

Toen ik in Oudenburg langs de Zeeweg fietste, dook er plots een bebaarde man op, die mij met molenwiekende armen verzocht halt te houden en me aansprak toen ik dat deed:
─”Meukekiè utwa vroah’n? Ziej van de stroate?”
Ik vertaal het even voor mijn lezers die het West-Vlaams niet beheersen: “Mag ik eens wat vragen? Ben je van de straat?”

Ik schoot in de lach en zei dat ik dat een nogal onbescheiden vraag vond. ‘Van de straat zijn’ betekent in West-Vlaanderen ─ en allicht ook in andere Vlaamse contreien ─ dat men verloofd of getrouwd is. Hij haastte zich om te beweren dat hij het niet zo bedoelde, maar gewoon wilde weten of ik in de straat gehuisvest was, hetgeen ik vanzelfsprekend al begrepen had, maar zo’n woordspeling kon ik onmogelijk laten liggen.
─”Wel dan,” grijnsde ik, “ik ben niet van de straat en ik ben ook niet van de straat.”
─”Dan zul je me vermoedelijk niet kunnen helpen”, veronderstelde hij. “Gisteren zou men in deze straat een illegale slachterij van schapen ontdekt hebben en ik ben hier in mijn hoedanigheid van journalist. Je weet er wellicht niet meer over, wel?”
─”Het is het eerste wat ik hoor”, schokschouderde ik, waarna ik zijn dankwoord in ontvangst nam en mijn weg vervolgde.

Ik heb later op de dag via Google vernomen dat er in die straat werkelijk op ontoelaatbare wijze schapen geslacht werden. Het artikel was verlucht met een foto van de schuur in kwestie en ik herkende die. Ik ben er tientallen keren voorbijgereden en ik meen me zelfs te herinneren dat ik daar in doodsnood verkerende schapen luidkeels heb horen blaten. Of beeld ik me dat in?

Mijn moeder heeft altijd gezegd dat mijn inlevingsvermogen te groot is.

Uitgelaten en uitgelaten

In deze mooie lentedagen verschijnen runderen van beiderlei kunne en alles daartussenin druppelsgewijs in de weiden, al kun je zulke massief geschapen dieren bezwaarlijk met druppels vergelijken. Als ik een vrachtwagen zijn lading groot vee aan de natuur zie toevertrouwen, mag ik graag halt houden om die gebeurtenis gade te slaan, want ik vind het een hartverheffend tafereel als koeien huppelend van plezier hun montere kontjes … nu ja, hun barokke achterkastelen in de lucht gooien.

Sommige zien er gelikt en proper uit, alsof ze net onder een douche vandaan komen. Bij andere daarentegen is de achtersteven bedekt met een korstige laag substantie, waarvan ik geredelijk veronderstel dat het modder is, al ben ik er vrijwel zeker van dat die veronderstelling niet met de waarheid strookt. Appetijtelijk is anders.

smeerstier

Maar goed, dan mag je als koe, stier of os na de lange wintermaanden eindelijk uit die donkere, bedompte stal en dan denk je dat je alles hebt gehad, maar dan krijg je dit nog:

modderbad

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme