Tag: dialect

Persmuskiet

Toen ik in Oudenburg langs de Zeeweg fietste, dook er plots een bebaarde man op, die mij met molenwiekende armen verzocht halt te houden en me aansprak toen ik dat deed:
─”Meukekiè utwa vroah’n? Ziej van de stroate?”
Ik vertaal het even voor mijn lezers die het West-Vlaams niet beheersen: “Mag ik eens wat vragen? Ben je van de straat?”

Ik schoot in de lach en zei dat ik dat een nogal onbescheiden vraag vond. ‘Van de straat zijn’ betekent in West-Vlaanderen ─ en allicht ook in andere Vlaamse contreien ─ dat men verloofd of getrouwd is. Hij haastte zich om te beweren dat hij het niet zo bedoelde, maar gewoon wilde weten of ik in de straat gehuisvest was, hetgeen ik vanzelfsprekend al begrepen had, maar zo’n woordspeling kon ik onmogelijk laten liggen.
─”Wel dan,” grijnsde ik, “ik ben niet van de straat en ik ben ook niet van de straat.”
─”Dan zul je me vermoedelijk niet kunnen helpen”, veronderstelde hij. “Gisteren zou men in deze straat een illegale slachterij van schapen ontdekt hebben en ik ben hier in mijn hoedanigheid van journalist. Je weet er wellicht niet meer over, wel?”
─”Het is het eerste wat ik hoor”, schokschouderde ik, waarna ik zijn dankwoord in ontvangst nam en mijn weg vervolgde.

Ik heb later op de dag via Google vernomen dat er in die straat werkelijk op ontoelaatbare wijze schapen geslacht werden. Het artikel was verlucht met een foto van de schuur in kwestie en ik herkende die. Ik ben er tientallen keren voorbijgereden en ik meen me zelfs te herinneren dat ik daar in doodsnood verkerende schapen luidkeels heb horen blaten. Of beeld ik me dat in?

Mijn moeder heeft altijd gezegd dat mijn inlevingsvermogen te groot is.

Stevige kost

Ruim vier weken na mijn ongeval was ik eindelijk in staat om op de fiets te klimmen en me op weg te begeven. Mensen kinderen, dat was genieten! Mijn hart zong op van vreugde en dat werkte zo aanstekelijk dat mijn mond begon mee te zingen.

Hoewel ik me aanvankelijk tot wat geneurie beperkte, durfde ik, toen ik me eenmaal in de beschutting van een bos bevond, uit volle borst en met luider stemme een lied aanheffen: De trommel slaat, de fluite gaat, de wind ontvouwt de vane … Dat is eigenlijk een staplied, maar ik denk niet dat er specifieke fietsliederen bestaan, tenzij misschien ‘Fietsen op de heide’, maar daar ken ik de tekst niet van en bovendien was er in geen velden of wegen heide te bespeuren. Ik hield op met kwelen toen ik een picknicktafel passeerde, waaraan een kroostrijk gezin had plaatsgenomen. Ze keken me aan alsof ze een vis op een vouwfiets aanschouwden, dus leek het me geraadzaam om mijn al te uitbundige gezang wat te temperen.

mosselpanDra kwam ik bij een door de horeca geëxploiteerd boerderijtje dat luidens een uithangbord – dat eigenlijk een uitstandbord was – ook mosselen van Prins & Dingemanse serveerde. Ik zette het daar op een geweldig eten, want was dat even lekker! Vooruit! Ik doe eens even iets geks, dacht ik nadat ik de pot schelpdieren leeggeratst had en ik bezondigde me aan een aardbeiencoupe, die een lust voor lepels bleek te zijn.

Terwijl ik zat uit te buiken in het gezelschap van een kop koffie sloeg ik tersluiks een bejaard echtpaar gade. Toen de man met een universeel vingergebaar kenbaar maakte dat hij wilde betalen en de serveerster ─ die vermoedelijk tevens de eigenares van het etablissement was ─ hem de rekening bracht, vroeg ze:
─”Was alles naar wens?” Ze staarden haar aan alsof ze snot zagen branden en ze zag zich genoodzaakt om haar toevlucht tot het West-Vlaams te zoeken. “Was ’t e bitje no juldre hedacht?”
─”Joat wei”, zei hij en zijn echtgenote beaamde dat met heftig geknik. “Toed an de ribb’n.”

Dat het aan de ribben kleefde, verbaasde me niet. Ze hadden beiden uitgebreid aan ribbetjes zitten peuzelen en zij had zelfs haar mond van een kunstgebit beroofd, om het onappetijtelijke ding met een tandenstoker van overtolligheden te bevrijden. Mens toch!

Verloedering

De meesten van jullie zullen onderhand weten dat ik een fervent en warm pleitbezorger ben van het Nederlands in het algemeen en van de West-Vlaamse streektaal in het bijzonder. Zo duld ik bijvoorbeeld geen woekeringen van het Engels in Nederlandse zinnen en ik probeer er alles aan te doen om mijn moedertaal, het West-Vlaams, voor aftakeling en ondergang te behoeden.

Ik erger me bijvoorbeeld mateloos aan de vlees noch vis zijnde tussentaal, waarvoor Geert van Istendael de term Verkavelingsvlaams bedacht, die men in de vervolgseries van Vlaamse televisiezenders hanteert en waarmee ouders vandaag de dag hun kinderen te woord staan. Het is een verloedering van zowel het dialect als van de standaardtaal en het is zo gekunsteld als de neten. Ik smeek jullie op mijn blote knieën: roer zo weinig mogelijk Engels door je Nederlands en bedien je, naargelang de omstandigheden, van je  dialect of van het algemeen Nederlands, maar laat je niet verleiden tot een overspannen brouwsel daartussenin.

Kijk, ik sprak West-Vlaams met mijn moeder, Castellano ─ de Zuid-Amerikaanse variant van het Spaans ─ met mijn vader, Esperanto met mijn buren … en met mij is dat toch ook goed gekomen, wel? Ik blijf vechten, ook al is dat dan misschien tegen de bierkaai.

Jommoa, azo nie hé!

Wat hoor, lees en verneem ik?

Mijn zo gekoesterde dialect, het West-Vlaams, zou op sterven na dood zijn, of toch zeker met uitsterven bedreigd. Dat beweert althans de Unesco: de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur.

Het spreekt vanzelf dat ik dit niet zal laten gebeuren, of wat hadden jullie gedacht? Ot a mie liht, hoat da hi woa zien zulle! Teneinde mijn sappige moedertaal te rugsteunen zal ik hier zo nu en dan een West-Vlaams stukje uit mijn mouw en mijn mond schudden, want ik ben van plan om het schrijfsel telkens van een geluidsfragment met de gesproken versie te voorzien.

Dat wordt lachen!

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme