Tag: confrontaties

Ten aanval!

prei

Voor de verandering regende het ‘s morgens eens niet, dus hees ik me op het zadel van mijn fiets en ging er als een reetscheet vandoor, want ik trap met elektrische ondersteuning.

Het eerste wat me opviel, was de opdringerige geur die me hier en daar de neusvleugels streelde. Op diverse plaatsen was men bezig prei te oogsten en die activiteit pleegt een aroma te verspreiden, dat ik als aangenaam, of zelfs appetijtelijk ervaar. Het duurde dan ook niet lang of ik vervolgde likkebaardend en watertandend mijn weg, vastbesloten om me ‘s middags aan een met prei toebereid gerecht te verlustigen.

Het zal nog eens zo gaan dat ik fietsen niet langer als een aangenaam tijdverdrijf beschouw. Dat komt niet zozeer door de erbarmelijke toestand van de Vlaamse fietspaden – als die er al zijn – of door het onbeschofte gedrag van andere weggebruikers, maar wel door de viervoeters, meer bepaald de honden die sommigen van ons op hun levenspad vergezellen. Ik weet dat ik in herhaling val, maar het is niet anders.

Dra zag ik immers een bejaard echtpaar voor me opdoemen. Ze liepen in ganzenmars: de vrouw voorop en de man, die een vrij grote hond aan de lijn had, keutelend in haar kielzog. Ik gaf het drietal ruimschoots ruimte, maar terwijl ik hen voorbijreed, sprong de hond met wijd open muil en blikkerende tanden op me af. Hij miste mijn kuit op een haar en beet zich vast in mijn fietstas, waardoor mijn evenwicht in het gedrang kwam en ik bijna ten val kwam. De eigenaar van het beest rukte verwoed aan de veel te lange lijn en slaagde erin om de hond op andere gedachten te brengen. Hij liet me los.

Ik hield halt, ontdekte eerst de scheur in mijn fietstas en wendde me vervolgens tot het echtpaar, dat enigszins bedremmeld naar me stond te kijken, de hond tussen hen in.
─”Wat krijgen we nu?!” riep ik.
─”Hij mag dat nochtans niet doen”, stamelde de man totaal verbouwereerd.
─”Stel je voor dat hij het wel zou mogen doen”, snoof ik.
─”Hij is nochtans heel braaf”, deed de vrouw haar duit in het zakje.
─”Dat heb ik gemerkt”, diende ik haar van antwoord.
─”Nog een geluk dat ik hem aan de lijn had”, vond de man.
─”En dat die lijn net geen kilometer lang was”, schamperde ik.
─”Heb je schade?” wilde de vrouw weten.
─”Er zit een scheur in mijn fietstas”, zei ik.
─”Hoeveel moet dat kosten?” vroeg de man en hij trok al een portefeuille.
─”Laat maar!” wuifde ik. “Ze zijn oud en versleten. Ik was toch al van plan om die eerstdaags te vervangen.”
─”Bedankt dat je het zo sportief opvat”, behaalde ik een plasdankje.

Waarna ieder zijns weegs ging. Ik begaf me naar huis en bereidde daar een vlotte hap met heel veel prei. Nu ja, heel veel. Twee stengels.

Is ‘t nu gedaan ja met die ambetante honden? Mag ik misschien een keertje ongestoord van het fietsen genieten?

hondenaanval

De hond die niet blafte

Hoewel het een vrij smal pad betrof, zagen twee heren op leeftijd er geen been in om het bijna over de volle breedte in te palmen, teneinde een boom op te zetten en de doorgang te versperren. Een van de mannen was bovendien toegerust met een hond, die ik niet bepaald bij de categorie van de kutlikkertjes of de West-Vlaamse preutelekkertjes zou indelen. Het loeder zat weliswaar aan een lijn vast, maar leek toch over vrij veel speelruimte te beschikken.

Ik vertrouwde het zaakje niet, kneep de remmen van mijn fiets dicht en hield dientengevolge halt.
─”Zal ik er heelhuids voorbij raken?” vroeg ik.
─”Dat staat nog te bezien”, kreeg ik als antwoord. “Hij bijt enkel naar stoute mensen. Ben jij een stoute mens?”
─”In de verste verte niet”, stelde ik resoluut.
─”Dan kan er je niets overkomen”, vernam ik.

Ik stapte dus schoorvoetend voorbij het tot de tanden gewapende beest en wat denken jullie dat er gebeurde? Het monster haalde uit, hapte naar me, kreeg mijn broekspijp te pakken en bezorgde die een kloeke winkelhaak.
─”Godvermiljaardedju!” riep ik geschrokken en woedend. “Je moet nog eens zeggen dat hij niet zal bijten.”
─”Jij bent kennelijk minder braaf dan je van jezelf denkt”, kon de eigenaar van de viervoeter er nog mee lachen ook.

Hij slikte zijn gelach in toen ik eiste dat hij de schade aan mijn pantalon zou vergoeden. Aanvankelijk weigerde hij dat, maar toen ik met politie dreigde, kwam hij toch over de brug, zij het met zichtbare tegenzin.

Zou het onderhand niet eens tijd worden dat hondeneigenaars begrijpen dat ze hun metgezellen moeten aanlijnen, dat die zelfs in aangelijnde toestand verrassend uit de hoek kunnen komen en dat ze hun uitwerpselen dienen op te ruimen?

En voort raast de tijd

smicobHeb ik jullie al eens verteld dat ik de eigenaar ben van wat men eertijds een kunstenaarskop placht te noemen? Neen wellicht. Hoe men zo’n artistiek hoofd tegenwoordig omschrijft, weet ik niet, maar ik heb het over door een nogal woeste baard en knevel omkroesde lippen en de rebelse haardos van iemand die verslaafd is aan opstijgende helikopters.

Een aantal jaren geleden begon het me tijdens mijn sessies in de badkamer op te vallen dat er kerkhofbloemen tevoorschijn kwamen. Kennen jullie die uitdrukking? Het is een ietwat eufemistische manier om het opduiken van grijze haren te verdoezelen. Aangezien ik de schadelijke tijd met alle mogelijke middelen op een afstand probeer te houden, verkeerde ik vrij lang in een ontkenningsfase, maar omdat het proces in een stroomversnelling leek te raken, kon ik mezelf niet langer voorliegen dat ik jong was. Ik ben op m’n retour en heb meer verleden dan toekomst.

Inmiddels zijn zowel mijn koptooi als mijn kincreatie juichend blond, om het woord leliewit niet te gebruiken. Ik had het liever anders gewild, maar het is niet anders en laten we wel wezen: het zou zijn charmes hebben, ware het niet dat men me voortdurend met de feiten meent te moeten confronteren door me een ouwelullengevoel te bezorgen.

Verleden week wandelde ik langs een hoog gebouw, waarop zich een jonge dakwerker bevond, die het verrichten van beroepsbezigheden onderbroken had om een sigaretje op te steken. Hij keek op me neer en riep:
“Dag opa!”
Ik keek naar hem omhoog en antwoordde:
“Sneeuw op het dak betekent niet dat de kachel niet brandt.”
Daar had hij niet van terug, want hij zweeg.

Eergisteren diende ik tijdens een fietstocht een vader met twee kinderen te kruisen. Omdat we ons op een nogal smalle weg bevonden, gebood hij zijn kroost om achter elkaar te rijden teneinde …
“de Kerstman door te laten.”

Nu ja … het is lang niet altijd een kommer en een kwel. Toen ik vanmorgen bij de groenteboer binnenstapte, begroette hij me met een joviaal …
“Dag jonkheid!”

Er is nog hoop.

Boerenbedrog

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik boven Vlaamse velden plotsklaps een roofvogel van niet geringe afmetingen aanschouwde, die daar hing te bidden, want zo heet die bijna roerloze activiteit. Onderstaande foto die ik van deze waarneming nam, is een beetje wazig. Ik diende immers op ruime afstand te blijven en flink in te zoomen, want het vogeltje dat in mijn camera huist ─ kijk eens naar het vogeltje! ─ was nogal bang van zijn grote soortgenoot.

roofvogel

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik even later ontdekte dat de roofvogel in kwestie aan een buigzame stok bleek vast te hangen en dat het dus eigenlijk een namaaksel betrof en niet meer dan een mobiele vogelverschrikker was.

roofvogel2

Wie beschrijft mijn verbazing toen ik in Vlaamse velden plotsklaps een rosse gedaante ontwaarde, die daar een eigenlijk niet thuishoorde …

vos

… en bij nader toezien een vos bleek te zijn die mij aan het besluipen was…

vos2

… en zich bij nog nader toezien tot een plastieken geval ontpopte dat daar neergepoot was om ik weet niet wie of wat af te schrikken.

vos3

Die boeren! Ze worden met de dag vindingrijker.

“Niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt”, schreef de Utrechtse auteur C.C.S. Crone in lang vervlogen tijden. Hij had nog gelijk ook.

Ze kon het nog niet goed

Plaats des onheils: een smalle asfaltweg en een nog smaller zijpad.

Deelnemers: een wielertoerist, een achteropkomende fietser (ikke), een auto en op het zijpad een fietsende moeder en een fietsend (nu ja!) kind.

De feiten: de wielertoerist, de fietser (ikke) en de auto verplaatsen zich in dezelfde richting op de asfaltweg. Op het moment dat de auto de fietser inhaalt, duikt uit het zijpad een fietsend meisje op, gevolgd door de eveneens fietsende moeder.
“Pas op! Ze kan het nog niet goed!” riep laatstgenoemde, ten prooi aan grote en dus hoorbare vertwijfeling.

Daar was de wielertoerist dan mooi klaar mee. Het kind stevende recht op hem af. Omdat de auto hem op dat moment ter linkerzijde voorbijreed, kon hij geen kant op. Zo botsten en stortten beiden grondwaarts. Vanwege het bescheiden formaat van haar fietsje viel het meisje van niet hoog en daardoor bleef ze ongedeerd. De wielertoerist daarentegen had minder geluk: hij raakte niet tijdig uit zijn klikpedaal, toeterde zwaar op zijn bek en brak een been.

“Ik heb toch geroepen dat ze ‘t nog niet goed kon”, jammerde de moeder, maar daar had de wielertoerist geen boodschap aan en ik eigenlijk ook niet.
“Blijf dan met haar van de openbare weg af!” diende de wielertoerist haar van antwoord en ik was het met hem eens, al gaf ik daar geen ruchtbaarheid aan, om de zaken niet op de spits te drijven.

Terwijl ik me in afwachting van noodhulp om het slachtoffer bekommerde, probeerde de moeder ervanonder te muizen, maar daar stak ik een stokje voor.
“Als je niet blijft wachten, krijg je gegarandeerd een vluchtmisdrijf op je dak”, waarschuwde ik haar.
Ze keek me aan alsof ik een giftig reptiel was, maar besloot toch te blijven.

Een halfuurtje later was de wielertoerist afgevoerd, mocht ik als ooggetuige vertrekken en konden moeder en dochter de terugtocht aanvatten. Het meisje kon nog niet goed fietsen – het was haar aan te zien – maar ze was het aan het leren. Met vallen en opstaan.

Het roggeventje*

Ik kwam op een plek waar de wereld onbetreden leek. Er waren alleen maar nauwelijks door de mens verstoorde vertes en horizon te zien, maar toch trof ik daar een onbeheerde damesfiets aan. Het rijwiel stond in de berm en was voorzien van frivole fietstassen met een patroon dat tropische vegetatie moest suggereren. Het stuur torste een korfje van metalen vlechtwerk en een guirlande van weelderig rankende bloemen.

De wijde omgeving bood nergens gelegenheid tot verschuilen, maar toch viel er in heinde noch verre een levend wezen te bespeuren. Wel zag ik iets verderop een auto staan, dus veronderstelde mijn verdorven geest dat de eigenares van de fiets zich wellicht aan boord van dat voertuig bevond, waar ze zich samen met een geheime aanbidder aan niet nader te beschrijven dadelijkheden overgaf.

Toen ik echter bij die wagen kwam, bleek dat ding eveneens onbemand te zijn. Dat leek me stug. Ik kon als het ware uren in het rond kijken en naar onbelemmerde vertes turen, maar toch ontbrak iedere menselijke aanwezigheid in het gebied dat ik overschouwde. Waar waren de wielrijdster en de chauffeur gebleven? Was er misdaad in het spel?

Mijn toch al lenige, om niet te zeggen razende fantasie schoot vleugelen aan en in gedachten begon ik alvast aan een thriller à la Stephen King: Het roggeventje*. Het wordt ongetwijfeld een meesterwerk, dat men eerlang zal verfilmen. Het kan haast niet anders of er staat me obscene rijkdom te wachten. Misschien hangt er me zelfs een standbeeld boven het hoofd. En een Nobelprijs natuurlijk.

*Ik heb hier al eens eerder over roggeventjes geschreven ─ zie in dit verband Het roggeventje ─ en met die passage ben ik zelfs in het Vlaams woordenboek terechtgekomen, zoals jullie hier kunnen zien: http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/roggeventje

En de boer, hij klungelde voort

Zij die zich gemotoriseerd verplaatsten, met uitzondering van elektrische fietsers en landbouwvoertuigen, mochten het weggetje niet gebruiken. Dat stond op niet mis te verstane verkeersborden vermeld.

Uitgerekend zo’n landbouwvoertuig – een tractor met een hooischudder als aanhangsel – versperde de doorgang. Het gevaarte stond dwars over de weg, die aan beide zijden door een onoverbrugbare sloot begrensd was. Er was geen doorkomen aan. Ik hield derhalve noodgedwongen halt en sloeg de lome bezigheden gade van de morsige boer, die desalniettemin een agrarisch soort stevigheid over zich had en zonder veel enthousiasme aan de machine sleutelde. Het was duidelijk geen aangenomen werk. De man was nog luier dan een pamper.
─”Ik wil je niet haasten, maar duurt het nog lang?” durfde ik te vragen.
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet. Hij negeerde me straal.

Niet veel later kreeg ik het gezelschap van een aantal andere fietsers en ook aan de overkant daagden wat wielertoeristen op. Met zijn dertienen stonden we daar te heisteren en met hel en verdoemenis te dreigen, maar dat was volkomen aan dat heerschap verspild. Hij bleef onhandig met sleutels en schroevendraaiers schutteren en algehele onverschilligheid tentoonspreiden. Sommigen maakten rechtsomkeer, maar samen met een half dozijn anderen volhardde ik in de boosheid en bleef wachten. Bijna een kwartier stonden we daar. Toen klom die boerenpummel eindelijk op zijn tractor, om ons doorgang te verlenen. De verwijten die we hem en passant naar het hoofd slingerden, waren kennelijk niet aan hem besteed. Ze dropen van hem af als water van een eend.

Sommige mensen kun je prikken met een speld, maar voor andere volstaat zelfs een hooivork niet.

Dwarsliggers

De ochtend schotelde prachtig zomerweer voor, dus klom ik onverwijld op mijn rijwiel en trapte me met vastberaden en tevens atletische tred de ruige ruimte van de natuur in.

Een klein uur later sloeg het tragisch noodlot toe … nu ja, ik was niet het slachtoffer van het onheil, maar in zekere zin wel de aanstoker ervan. Er sprong namelijk een eekhoorntje uit de berm, uitgerekend op het moment dat ik daar voorbijreed. Het roekeloze dier kwam in mijn wiel terecht. De molenwiekende spaken maakten een zingend geluid, alsof ze een soort dodenmars aanhieven, want onze Wip overleefde de gewelddadige confrontatie niet. Daar zat ik absoluut niet op te wachten en ik werd er ook niet bepaald vrolijk van. Toenemende weekhartigheid is naar verluidt een kwaaltje dat met de jaren komt. Ik raakte eerst in grote droefenis, raapte me toen enigszins tezamen en vervolgde druilorend mijn weg.

slakkenTer compensatie heb ik niet veel later de wacht opgetrokken bij een de weg overstekende huisjesslak, teneinde het verkeer attent te maken op zijn/haar slome manoeuvre. Dat bleef echter duren. Die beesten hebben echt geen opschiet, maar zoals dat in het Engels heet: if you do the crime, you’ve got to do the time. Dat is ook in het Nederlands het geval, al klinkt het wat minder fraai als het niet rijmt.

Nu heb ik al niet veel geduld en bovendien verloor ik het schaarse beetje dat ik van die eigenschap bezit. Ik pakte die slak bij het woninkje beet en transporteerde hem/haar gezwind naar de overkant. Dat viel kennelijk niet in goede aarde, want hij/zij draaide zich resoluut om en begon opnieuw aan de oversteek in de tegenovergestelde richting.
– “Kus een beetje mijn klooster!” foeterde ik en ik vertrok.

En zo eindigde de ochtend die nochtans veelbelovend begonnen was toch een beetje in mineur.

Beet! (2)

De hengelaar zat bij de oever van de vliet, enigszins verscholen in hoogbenig riet, zoals de karekiet kiet kiet uit het bekende lied lied lied.

Zoals het een door de wol geverfde hengelaar betaamt, gooide hij met veel panache, om niet te zeggen bravoure, zijn hengel uit. Hij zwaaide de roede achterwaarts, om die vervolgens met een ruk naar voren te zwiepen, zodat de haak en de dobber met een keizerlijke zwaai op ruime afstand in het water neerdaalden …

… edoch dat gebeurde niet. Ons loze vissertje was kennelijk vergeten dat er een pad achter hem langs liep. Zijn haak vatte de wandelaar, die daar uitgerekend op dat moment voorbijstapte, letterlijk bij de kraag, om zich vervolgens brutaal los te rukken en een joekel van een winkelhaak in het kledingstuk van het slachtoffer achter te laten. De man was daar hoegenaamd niet blij mee, al mocht hij eigenlijk nog van geluk spreken. Voor hetzelfde geld had hij dat ding in zijn lip of zijn oog gekregen. Er ontstond dan ook een heftige discussie tussen beide partijen, maar ik heb niet op de uitkomst ervan gewacht.

Zodoende weet ik nu hoe ik iemand aan de haak moet slaan, om die vervolgens de kleren van het lijf te sleuren. Het kan haast niet anders of daar moet seks van komen en dat is mooi meegenomen.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme