Tag: balen

De doos van Pandora

Zoals het opduikberichtje hierboven vermeldt, heb ik, in arren moede, de commentaarbox van mijn blog dichtgeklapt. Het aantal spamberichten liep werkelijk de spuigaten uit. Ik heb het hier niet over enkele tientallen, maar over een kleine duizend per dag. Spamjager Akismet verhinderde weliswaar vrij nauwgezet dat die op mijn blog verschenen, maar ik diende ze toch te verwijderen, nadat ik ze eerst op authentieke exemplaren gevlooid had.

Hoewel mijn blog volgens de statistieken op heel wat belangstelling kan bogen, reflecteerde zich dat niet in de commentaren. Ik mocht al blij zijn als ik er vier per dag ontving en dat sop is de kool niet waard.

Wie iets aan me kwijt wil, zal het contactformulier moeten gebruiken. Het is jammer maar helaas.

Hoe Brugge in het water viel

Ik was gisteren van plan om met mijn tijdelijke huisgenoot een bezoek aan Brugge brengen, dus bevond ik me rond halftien in de badkamer, teneinde er de laatste hand aan mijn opsmuk te leggen. Terwijl ik krachtdadig in de weer was met flessen, potten en tubes vol heerlijke balsems, crèmes, gels, lotions, poeders en parfums doofde plots de lamp boven mijn hoofd.
“Krijg nu tieten!” foeterde ik. “Die ledlampen zouden toch een levensduur van twintigduizend branduren hebben? Die van mij is nog geen maand oud.”
Ik was nog bezig me te ergeren toen de deur een bedeesd geklop te verwerken kreeg.
“¡Adelante!” riep ik manhaftig, want de Vlaamse of Nederlandse varianten – Kom moa bin! of Kom binnen! – zouden Chinees geweest zijn voor mijn Spaanstalige logé.
“Je computer heeft opeens rare kuren”, vernam ik uit zijn mond. “Hij flikkert en hij piept …”

Er bleek in mijn woning wel meer te flikkeren en te piepen, want het overgrote deel van de stopcontacten en lichtschakelaars hapte naar adem, of beter gezegd naar stroom, terwijl een paar daar kennelijk geen last van hadden. Er was duidelijk een kink in de kabel ─ ik schreef bijna stront aan de knikker, maar ik wil het proper en welvoeglijk houden ─ dus telefoneerde ik naar de klantendienst van mijn distributeur, doorliep het onvermijdelijke keuzemenu en kon er, na het al even onvermijdelijke wachten met muziek, mijn verhaal kwijt aan het bereidwillig oor van een kostgangster der aardkloot.
“Ik kan een technicus naar u toesturen,” zei ze, “maar als het defect te wijten is aan de binneninstallatie, zal hij u doorverwijzen naar uw elektricien en zult u van ons wel een rekening van € 97,09 gepresenteerd krijgen voor de nutteloze verplaatsing.”
“Nu nog mooier!” protesteerde ik. “Hoe kan ik, in mijn hoedanigheid van leek die zelfs een beetje bang is van elektriciteit, in vredesnaam achterhalen waar de boel spaak loopt?”

Dat kon ze me vertellen. Ik diende achtereenvolgens de hoofdschakelaar, de verliesstroomschakelaar en alle zekeringen op het verdeelbord uit te zetten en vervolgens in dezelfde volgorde weer aan te zetten. Als ik dan nog geen stroom had, mocht ik haar terugbellen, want dan was er waarschijnlijk een fase uitgevallen en dat diende mijn distributeur te verhelpen.
Vijf minuten later hing ik weer aan de telefoon en ze beloofde om meteen een technicus te waarschuwen, die gegarandeerd binnen de twee uur te mijnent zou neerstrijken.

Ik begon meteen met verlengsnoeren en verdeeldozen te goochelen om de belangrijkste toestellen ─ koelkast, diepvries, Senseo, computer, telefoon, verwarming ─ in mijn woning van stroom te voorzien. Met onverholen bewondering sloeg mijn huisgenoot mijn bezigheden gade. Of was het verbazing en ongeloof? Als twee spinnen zaten we daarna in ons dradenweb op onze prooi te wachten. Er verstreek een uur. Er verstreken twee uren. Er verstreken drie uren. Er smeulde al enige tijd dreiging in mijn ogen en mijn mond begon op een sabelhouw te lijken. Er verstreken vier uren. Ik vloog op als buskruit, greep de telefoon, toetste met nijdige vingers het nummer in …

“Er is blijkbaar iets fout gelopen”, zei ze laconiek. “Ik informeer even bij dispatching.”
Dispatching! Dispatching?! Hebben ze daar geen Nederlands woord voor?! Opnieuw probeerden ze me met die vervloekte pokkenmuziek te paaien. Men kan me martelen met dat soort deunen.
“Over tien minuten zal onze technicus bij u zijn”, verzekerde ze me toen haar stem bij me terugkeerde.
“Ik hoop voor u dat het waar is”, sprak ik dreigende taal.

Het was waar. De technicus kwam. Eerst probeerde hij ons te imponeren met het manipuleren van wat meettoestellen en daarna verkondigde hij dat hij bij een verderop gelegen verdeelkast het euvel diende te herstellen. Dat kon wel een uurtje duren.

Om drie uur waren alle plooien eindelijk gladgestreken en konden we weer naar hartenlust over stroom beschikken. We hebben Brugge niet meer gezien …

… maar nu zijn we weg!

Trut van Troje

─”Kun je ons volgende week maandag naar onze advocaat brengen?” vroeg de vrouwelijke helft van het echtpaar dat Belgenland om asiel verzocht had en waaraan ik lessen Nederlands verstrekte.
Ik trok mijn agenda, zag dat ik al een andere afspraak had en besloot om die naar een latere datum te verschuiven.
─”Dat moet lukken”, zei ik dus. “Hoe laat?”
─”Negen uur”, zei ze.

Vanmorgen om negen uur meldde ik me bij ze aan.
─”O, we zijn vrijdag al geweest”, zei ze. “Een kennis van mijn man moest daar in de buurt zijn.”
─”Heb je een vinger gebroken of zo?” vroeg ik.
─”Nee!” antwoordde ze. “Waarom?”
─”Omdat je me niet gebeld hebt om me daarvan te verwittigen”, sprak ik misnoegd.
Ze haalde de schouders op en sloot de deur.

Daar sta je dan met je goeie gedrag. Daar krijgt een mens toch een kunstkop van.

De Snaaskerkse plassen

Snaaskerke

Hierboven zien jullie een bank.
Die staat in Snaaskerke, bij Oostende.
Vanmorgen zat ik op die bank, in het genadeloze licht van de ochtendzon,
genietend van het weldadig ontbreken van mensen.
Opeens daagde er een auto op: een BMW.
Die reed me aan hoge snelheid voorbij.
Ik slaakte een gil en sprong overeind, alsof er onder me een krachtige veer in werking trad.
De auto reed namelijk dwars door de plas die jullie op de foto zien.
Ik kreeg een niet geringe hoeveelheid van het opspattende water over me heen.
Ik was zo nat als een vaatdoek en zo smerig als een dweil.
Ik ben er vrijwel zeker van dat de chauffeur zich met opzet doorheen die plas stuurde.
Ik denk zelfs dat ik hem hoorde lachen.
Sindsdien ben ik in een humeur dat me naar een drankhol kan drijven.
Misschien doe ik dat wel.

Tafelmanieren

Als ik soep eet, wat ik vrij zelden doe, pleeg ik de lepel altijd in de lengterichting en dus met de punt voorwaarts naar mijn mond te brengen. Het valt mij echter op dat de tafelgasten in films en feuilletons, die zich in chique huishoudens afspelen, de lepel dwars voor de lippen brengen. Ik heb dus even een uit 1940 daterend boekje met etiquetteregels geraadpleegd – Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp–Ten Have – en lees daar op bladzijde 251:

Men eet van den zijkant van den lepel en niet van de punt, daar de eerstgenoemde houding iemand in staat stelt de ellebogen zooveel mogelijk aan het lichaam gesloten te houden, hetgeen bij een goede tafelhouding behoort.

Andere bronnen die ik via internet ontdekte, verkondigden eveneens die stelling.

Toen ik gisteren aan een feesttafel diende aan te schikken, wilde ik natuurlijk laten blijken dat ik wist hoe het hoorde. Wel, ik kan jullie verzekeren dat tomatensoep buitengewoon hardnekkige vlekken maakt.

Die etiquetteregels kunnen me gestolen worden!

Nul, ik houd een bokje

Sinds jaar en dag hangt er een plafondventilator boven mijn schrijftafel. Mijn trouwe lezers zullen zich herinneren dat ik het ding wentelteefje heb gedoopt, waarschijnlijk in een vlaag van zinsverbijstering, of anders tijdens een poëtische opwelling. Tja, je bent normaal of je bent het niet. Bij het hittegolfje van enkele dagen geleden bood dit toestel evenwel weinig soelaas. Het teefje wentelde te traag om effect te sorteren en als ik de snelheid ervan verhoogde, fladderden al mijn paperassen in de rondte als waren het van een haas gepoepte vlinders.

Ik zou mijn woning van klimaatregeling kunnen voorzien – airconditioning in keurig Nederlands – maar dat kan mijn Bruintje niet trekken en als ik al over de nodige middelen beschikte, ben ik eigenlijk veel te gierig om die aan airco te spenderen. Nu ben ik weliswaar geen verlicht genie en zelfs geen wonder van intelligentie, maar evenmin een achterlijk ezelsveulen. Ik heb me dus even aan het denken gezet. Toen ik daarmee klaar was, voorzag ik de diepvries van een aantal petflessen met water. Toen die bevroren waren, haalde ik een vloerventilator uit de kast, zette die op een strategische plek in mijn bureau en plaatste een paar van die ijsflessen in de luchtstroming. Het wonder geschiedde. Het duurde niet lang of de temperatuur in het vertrek daalde met zo maar eventjes drie graden Celsius.

Het spreekt vanzelf dat ik buitengewoon fier was op mijn uitvinding, maar toen ik die aan internet wilde toevertrouwen, kwam ik tot de ontdekking dat tientallen anderen me voor geweest waren. Rijk zal ik er dus niet van worden. Beroemd evenmin. We blijven proberen.

Temirreld van de stikk’n

Je kunt het vermoedelijk niet aan me zien, maar ik ben van nature een beetje een avonturier, om niet te zeggen een ontdekkingsreiziger. Zowel te voet als per fiets durf ik me nogal eens op vrijwel onbetreden paden te wagen, al kan er in sommige gevallen nauwelijks sprake zijn van paden. Het gebeurt dan ook regelmatig dat ik in het Engelse middle of nowhere terechtkom, of in het Nederlandse hol van Pluto, of temirreld van de stikk’n (te midden van de velden) zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen.

Het was in zo’n ongerept gebied dat ik gisteren van heel dichtbij getuige was van de achtervolging van een haas door een kat, waarbij de kat tot haar eigen verbazing het onderspit dolf. Even later kwam ik bij een uitgestrekt terrein met duizenden en nog eens duizenden in slagorde opgestelde bloempotjes, waarin zich plantjes bevonden die nog maar net kwamen kijken en waartussen zich, enigszins verdoken, een groot aantal sproeiers ophielden, die uitgerekend op het moment dat ik daar kwam aangefietst met bruisend enthousiasme in werking traden.

Wel godverdomme hier en gunter! Ik kreeg me daar een koude douche van je welste en was binnen de kortste keren natter dan een dweil. Men moet mij niet komen vertellen dat die sproeiers automatisch ontwaakt zijn. Volgens mij hield zich daar ergens een ondeugende boer verscholen, die gnuivend de kraan openzette als hij iemand in het vizier kreeg. Hij zal zich verkneukeld hebben. Ik ietsje minder. Ik had het te druk met het uitwringen van mijn gewaden. 

Daar zal je op zitten wachten

In een vroeger leven heb ik hier de loftrompet gestoken over en wierook gebrand voor de pechverhelping voor fietsers van de VAB. Lees in dit verband Fietsbijstand en Een heugelijke tijding. Ik vrees dat ik wat voorbarig geweest ben met mijn tuitingen. Er is me namelijk een minder prettige ervaring met deze dienst te beurt gevallen en dat wil ik toch even aan jullie kwijt. Als het slecht is, zeg ik het ook.

Tijdens een van mijn talloze zwerftochten hoorde ik plots een onheilspellend geluidje en meteen daarna ging mijn fietszadel letterlijk te gronde. Ik kon dat ding geen ongelijk geven. Als ik iedere dag van mijn lieve leven onder een mannenkont diende te slijten, zou ik er ook de brui aan geven. Ik bevond me in Nergenshuizen. Gelukkig had mijn mobiel GPS aan boord, zodat ik haarfijn kon bepalen op hoeveel graden, minuten en seconden noorderbreedte en oosterlengte ik aan het onheil ten prooi gevallen was. Voorzien van die gegevens telefoneerde ik naar de alarmcentrale van de VAB, waar ik het luisterend oor van een meisje of een vrouw vond.
“Een ogenblikje”, zei ze, nadat ik haar tekst en uitleg had verschaft over wie ik was en wat er met me scheelde.
In afwachting trakteerde ze me op het soort pokkenherrie dat sommigen muziek noemen, maar daar hoor ik niet bij.

Haar ogenblikje duurde iets meer dan drie minuten en toen kwam ze met de verrassende mededeling dat er geen bijstand voorzien was voor een gebroken zadelpen en dat ik me tot een fietsenmaker diende te wenden. Ik protesteerde heftig en argumenteerde me ongeveer de ziel uit het lijf, maar ze liet me gewoon aan mijn lot over.

Na een wandeling van zes kilometer kon ik me eindelijk opnieuw in een zadel hijsen en huiswaarts fietsen, waar ik me meteen in de Algemene Voorwaarden van de VAB-fietsbijstand verdiepte en onder veel meer las:

De immobilisatie moet ontstaan zijn uit een ongeval, een technisch defect, een lekke band, batterijprobleem, vandalisme, diefstal of poging tot diefstal.
Indien de fiets ter plaatse niet door de VAB-wegenwachter terug rijklaar kan worden gemaakt, heeft men recht op één gratis vervoer van de aangesloten fiets. De fiets wordt gebracht naar de plaats die het meest geschikt is voor de herstelling. De bestuurder kan tijdens deze rit meerijden naar de bestemming van de fiets.

Ik heb meteen de klachtendienst gebeld en hen gezegd dat een gebroken zadelpen wel degelijk een technisch defect is, dat ik dus recht had op de hulp van een wegenwachter en dat die me, als hij het zadel niet kon herstellen, naar een fietsenmaker had moeten brengen. Men verzekerde me dat men de zaak nauwgezet zou onderzoeken en dat ik binnen de tien weken een antwoord mocht verwachten. Tien weken?! Daar zal je op zitten wachten. Voor iets dat zo klaar en helder is als geslepen glas!? Werken ze bij de VAB nog met perkamentrollen en vederpennen misschien?

Ik heb niet gekregen waar ik recht op had en dat zullen ze moeten compenseren. Zeker weten!   

Goed stom van me!

Het was tussen de middag en ik zat aan tafel een sobere maaltijd te nuttigen, toen mijn mobieltje op nogal opdringerige wijze van zich liet horen en verklapte dat iemand met een onbekend nummer me probeerde te bereiken.
─”Ga sterren plukken met je moeder!” mopperde ik.
Ik word niet graag gestoord tijdens het eten en zeker niet door iemand die moedwillig zijn telefoonnummer verbergt. Anderzijds ben ik ook buitengewoon nieuwsgierig, zodat ik desalniettemin het contact tot stand bracht.
─”Hallo!” sprak ik op nogal barse toon, want dat is de gebruikelijke begroeting als men telefoneert, maar ik wilde toch laten blijken dat de onderbreking van mijn middagpauze geen onverdeeld genoegen was.
Het meisje aan de overkant jubelde iets in het onverstaanbaars en nog voor ik haar kon vragen om dat even te herhalen draafde ze door:
─”We hebben vernomen dat u regelmatig gaat fietsen. Is dat zo?”
─”Dat is zo.”
Ik begon me al af te vragen wat ik zou kunnen gewonnen hebben.
─”Hebt u ook een fiets-gps?” wilde ze weten.
─”Die heb ik”, bekende ik aarzelend.
─”Dan wens ik u nog een prettige middag”, zei ze en ze verbrak de verbinding.

Ik had nee moeten zeggen. Nu heb ik weer niets gewonnen. Eigen schuld, dikke bult.

Wel gekakel, maar geen eieren

Ze zijn met velen, die ieder jaar opnieuw en vooralsnog tevergeefs van een white christmas dreamen. Ik hoor daar niet bij. Neen, ik droom van een witte Pasen, meer bepaald van witte paaseitjes met een smeuïge vulling van pistachecrème. Om die droom te verwezenlijken begaf ik maar een supermarkt van Colruyt en wendde daar mijn rasse schreden naar hun zogenoemde Choklabar, waar zich in groten getale allerhande eitjes ophielden … om vast te stellen dat alle bakken met witte exemplaren leeg waren. Ik vloekte binnensmonds en keutelde naar het rek van Milka, maar ook daar ontbraken de maagdelijk blanke chocolaatjes. “Wel godverdomme hier en gunter”, mompelde ik mistevreden.

Ik zocht noodgedwongen mijn heil in twee andere winkels, om er eveneens bot te vangen, of de duvel ermee speelde. Nu ben ik thuis, zonder witte eitjes. Ik ben daar in die mate misnoegd over dat ik me van een nogal platte Vlaamse uitdrukking moet bedienen om er lucht aan te geven:
Ze mogen die witte eitjes aan hun gat plakken!!

Hèhè, dat lucht op.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme