Vliegt de Blauwvoet!

rodenbachIk knap er danig op af, maar ik vecht waarschijnlijk tegen de bierkaai, hetgeen je in dit geval bijna letterlijk mag nemen.

Steeds meer Vlaamse bedrijven en organisaties zijn de mening toegedaan dat slogans in het Engels interessanter klinken dan in hun moerstaal. De bierbrouwerij Rodenbach uit het West-Vlaamse Roeselare ligt nu ook in hetzelfde gasthuis ziek. Ze vinden het namelijk nodig om hun brouwsel aan te prijzen met de slagzin: Cheers to the unexpected. Je zou het van Rodenbach niet dadelijk expecten.

De naam Rodenbach heeft immers nogal wat weerklank in de Vlaamse contreien. Albrecht Rodenbach, de dichtende supervlaming, was een neef van de stichter van de brouwerij. Hij schreef onder meer De Blauwvoet, het lied der Vlaamsche zonen, dat toentertijd het strijdlied van de katholieke Vlaamse studentenbeweging was en nu nog steeds op Vlaamsgezinde bijeenkomsten – zoals bijvoorbeeld de  IJzerbedevaart en het Vlaams Nationaal Zangfeest – te horen is.

Ik denk niet dat Albrecht zich nu zal omdraaien in zijn graf, maar in mijn hoedanigheid van Vlaamsche zoon en bierdrinker nodig ik andere Vlaamsche zonen en bierdrinkers uit om  … eh … uit een ander vaatje tappen, om to the unexpected te cheeren.

Even stoom afblazen

Mijn fietstocht was geen onverdeeld genoegen. Al na een paar kilometer kreeg ik een niet bepaald hartverheffend schouwspel opgedist. Een kalfje, dat nochtans niet verdronken was, lag toch dood in de wei. Een boer was bezig het kadaver in een kruiwagen te laden, om het naar de eeuwige jachtvelden te transporteren. Nu ja, laat ik het de Elysese velden noemen. Dat klinkt wat minder rauw.

Ik zou trouwens nog meer krengen te zien krijgen. Een gesneuvelde eekhoorn, een geradbraakte eend en een grotendeels tot moes gereden zeemeeuw waren niet van aard om me op te vrolijken.

Een aantal zwaluwen scheerden voor me uit over de grond. Ik vroeg me af hoe die er in vredesnaam in slaagden, om tijdens het vliegen gespuis te verschalken en op te vreten, of naar de hongerige bekjes in het nest te brengen. Alsof de duvel ermee speelde, dook op dat moment een niet zo klein insect mijn mond in en … ik slikte het toch wel naar binnen zeker! Dat veroorzaakte een hoestbui van je welste, waardoor ik halt moest houden, teneinde me in de berm op te stellen en het op een klaterend kotsen te zetten. Het was me een gezicht. Bewaar me, zeg!

Toen ik daar enigszins van bekomen was, vervolgde ik mijn weg. Omdat mijn humeur inmiddels een dieptepunt bereikt had, zat ik me mateloos te ergeren. Eerst aan het alomtegenwoordige fluitenkruid, dat ik een archilelijk gewas vind. Ik kan het voor mijn ogen niet geschilderd zien, maar Moeder Natuur is duidelijk een andere mening toegedaan: deze uitbundige vegetatie overwoekert beemden en bermen dat het niet mooi meer is, maar lijkt nu gelukkig stilaan uitgebloeid te zijn.

Ik had gedacht dat er dit jaar aanzienlijk minder mais geteeld zou worden, maar ik heb me vergist: de planten schieten nu pas uit hun sloffen en uit de grond, om me binnen afzienbare tijd op hoogbenige wijze het uitzicht op de Vlaamse landschappen te ontnemen. Wie vreet ze eigenlijk op, die massa’s goudgele korrels? Ik alleszins niet.

Daarna raakte ik danig ontstemd door de wind, die in West-Vlaanderen – dat tochtgat aan de Noordzee – vrijwel altijd aanwezig is, en niet te min! Als ik een fietstocht maak en me dus in een lus verplaats, zou ik normaliter ten halve de wind mee en voor de helft tegenwind moeten hebben. Jawel, morgen brengen! Het gebeurt niet zelden dat ik de hele rit lang tegen een forse bries op moet tornen, omdat de waai meent van richting te moeten veranderen tijdens mijn uitstap. Ik zou echt niet weten waarom men me daarboven met zwarte kool getekend heeft. Ik ben nochtans de beroerdste niet.

Vervolgens werd ik aangevallen door een hond. Hij schoot uit een landweg op me af, probeerde me in de kuit te bijten en ging in de achtervolging toen ik er dusdanig de sokken in zette, dat ik bijna terugreisde in de tijd. Ik won, maar was nog niet helemaal op adem toen een tweede hond op me toesprong als een bok op een haverkist en ik opnieuw een spurtje moest trekken. Ja zeg, maak het een beetje!

Dan heb ik nog met geen woord gerept van de miserabele toestand van de fietspaden, de bruusk openslaande portieren, het geen voorrang krijgen als ik er recht op heb, het rakelings passeren … Ik zou tijdens iedere tocht talloze prenten kunnen uitdelen. Misschien moeten agenten zich wat vaker per fiets verplaatsen, in plaats van gemotoriseerd.

Nee, zo vind ik er geen lol meer aan. Ik denk dat ik beter naar een andere sportieve bezigheid kan uitkijken. Diepzeeduiken lijkt me wel wat. Hoewel …

Op de vingers getikt

In een verloren uurtje zat ik naar het tennis op Roland Garros te kijken. Een landgenoot, David Goffin, evolueerde over het scherm en het rode gravel. Hij deed dat op nogal stuntelige wijze en sloeg ook voortdurend de bal mis, zodat ik me geërgerd naar het scherm wendde en riep: “Kun je eigenlijk tennissen?!”

Op hetzelfde moment namen mijn hersens een duik in het verleden. Ik kwam terecht in een nogal muffige kantoorruimte, die zes mensen behelsde, schrijver dezes incluis. Ik zat daar een tijdelijke klus te klaren, met name het vertalen van een gebruiksaanwijzing. De anderen, drie mannen en twee vrouwen, kweten er zich van hun dagtaak.

Noël was een van hen. Uit de oeverloze gesprekken die ze met zijn allen in de aanbieding hadden, begreep ik dat hij er nog maar enkele dagen werkte. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat hij aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had. Zijn oogopslag deed een minimum aan hersenactiviteit vermoeden en ik zou me afgevraagd hebben wat er zijn oren gescheiden hield, ware het niet dat mijn moeder me steevast op het hart drukte dat ik nooit mensen mocht beoordelen, afgaand op het uiterlijk dat ze tentoonspreidden. Ik probeer dat nog steeds te doen, maar het lukt me lang niet altijd.

Opeens ging Noël over het tot het schrijven van een brief. Te dien einde nam hij plaats achter een schrijfmachine – de computers stonden toen nog in hun kinderschoenen – en begon te typen. Nu ja, typen … Hij gebruikte slechts één vinger, die hij met ruime tussenpozen op een toets drukte. Ik heb er werkelijk geen idee van hoeveel aanslagen per minuut hij aldus bewerkstelligde, want ik heb nooit traag kunnen tellen, maar het zullen er alleszins bitter weinig geweest zijn.

Uitgerekend op dat moment kwam de zaakvoerder het vertrek binnen. Hij sloeg een wijle het geklungel van Noël gade en vroeg toen op barse toon:
–”Zeg eens even … Kun jij eigenlijk typen?”
–”Nee meneer”, zei Noël.

Ik heb achteraf vernomen dat Noël daar niet lang in dienst geweest is. Tja, als je tegen je baas zegt dat je geen verstand hebt van hetgeen je aan het doen bent, ligt dat in de lijn der verwachtingen.

Ook de prestatie van Goffin lag in de lijn der verwachtingen: hij verloor die wedstrijd.

Nu doen ze ‘t weer!

Anderhalve maand geleden verscheen hier het schrijfsel: Als het niet goed is, zeg ik het ook. Daarin uitte ik mijn ongenoegen over een nogal onnozele, want in mijn geval contraproductieve reclamestunt van het weekblad Humo.

Verleden week viel er een verse Humo bij me in de bus en nu doen ze het weer. Ik mag een krulstaart krijgen als het niet waar is. Ze geven hun lezers een blikje energiedrank cadeau, maar je moet het ding wel zelf afhalen. In mijn geval zou ik me dus opnieuw vijftien kilometer moeten verplaatsen om het in mijn bezit te krijgen. Ja, ik ben daar gekke Gerrit op een houtvlot!

Als Humo probeert de duivel in me wakker te maken, zijn ze goed bezig. Ik zeg gegarandeerd mijn abonnement op als ze me nog een keer zoiets lappen. En aan dat energiedrankje zal ik dus nooit een bek zetten. Ik heb me laten vertellen dat het een beetje naar smaakt, en dat het in je maag blijft staan, en dat je er gemarineerde oprispingen van krijgt …

nalu

Heden ik, morgen jij!

“Laat de lenteschoonmaak een aanvang nemen!” riep ik toen ik in een berghok een falanx lege flessen en bokalen opmerkte. Ik voegde de daad bij het woord, verhuisde het glaswerk naar mijn fietstassen en toog glasbolwaarts.

Het is een plek waar ik niet graag kom. De grond is er immers bezaaid met scherven, die verlekkerd naar de banden van mijn fiets loeren. Zodra je iets in een van die openingen gooit, duiken er uit de ingewanden van die bol bijen op, en wespen, en homo’s … eh … hommels, en horzels … en meer van dat bloeddorstig gespuis, zoals bijvoorbeeld Bengaalse tijgers en Tasmaanse duivels.

Ik probeerde me derhalve met bekwame spoed – nu ja, bekwaam? – van mijn overtolligheden te ontdoen, maar merkte te laat dat de ring met mijn huissleutels, die ik op nogal nonchalante wijze in mijn fietstas pleeg te droppen, zich tijdens het hobbelen onderweg in een van die bokalen genesteld had en mee de dieperik indook. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag. Het noodde geenszins tot lachen en ik was er alleszins niet mee opgezet.

Een mens maakt wat mee, dacht ik en ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met die glasbollen onledig houdt. Daar konden ze mij niet helpen, althans niet direct en wellicht ook niet in de toekomst, omdat alles kennelijk automatisch gebeurde.

Nu ben ik gelukkig een voorzienig persoon, dus heb ik dubbels van al mijn sleutels en die bewaar ik – jullie kunnen het ongetwijfeld al raden – in een lade van mijn bureau in de woning waar ik, bij gebrek aan sleutel, niet binnen kon komen.

Aangezien er, althans voor zover ik het weet, geen inbrekers tot mijn kennissenkring behoren, diende ik noodgedwongen een beroep te doen op een slotenmaker. Nou moe, ik kan jullie verzekeren dat die luiden smakken geld verdienen. Potverdriedubbeltjes!

Maar laat ik vooral optimistisch blijven, hoezeer ik mezelf daar ook geweld moet voor aandoen. Er rest me verder niets dan de weinig historische woorden ‘zo, dat hebben we ook weer gehad’ uit te spreken.

De natuur zal ooit eens wraak nemen

De koekoek roept, de merel fluit,
de mus tsjilpt opgetogen.
Sa, jongen, wipt de nesten uit,
de velden ingevlogen.

We schrijven mei en de natuur wurmt zich uit zijn winterverpakking. Bomen en struiken tonen trots hun pril gebladerte; bloemen maken reclame om insecten aan te trekken; vogels repeteren eindeloos; kikkers concerteren luidruchtig …

Ik zat op een bank van al dat glorieuze fraais te genieten toen plots twee dames in mijn blikveld opdoemden, gehuld in roekeloos strakke broeken en tietse borstrokjes, die berekend waren om indruk te maken, want uitgevoerd in opzichtig fluoroze en fluogeel en voorzien van panoramische halsuitsnijdingen, waarin je met een smak omlaag stortte, indien al niet kopje-onder ging.

Niettegenstaande hun uitmonstering gaven ze zich geen van beiden aan sportieve activiteiten over. Wat ze deden, kon je zelfs bezwaarlijk wandelen noemen. Ze kwamen aandweilen als luizen op een teerton en hadden volstrekt geen oog voor de wonderlijke landschappen rondom, want ze staarden onafgebroken naar de schermpjes van de slimfoons die ze in hun hand hielden en tokkelden als bezetenen op de ruitjes ervan. Ze bestonden het zelfs om me voorbij te lopen en me volkomen te negeren, hoewel ik toch een wezen ben waar de Schepper extra aandacht aan besteedde. Eigen lof stinkt, ik weet het, maar als ik mezelf niet kietel, lach ik nooit.

Kijk, als ik Moeder Natuur was en ten prooi viel aan zoveel onverschilligheid zou ik die dames met bliksems bestoken, ze de oren ontredderen met gedonder als kanongebulder, snoeiharde regen op ze laten neergutsen, stormwinden laten waaien, vulkanen laten uitbarsten, de aarde laten beven, tsunami’s op ze afsturen …

Hu paard, je staat te schuimbekken!

De tekst boven dit stukje is van Ferdinand Vercnocke en werd op muziek gezet door Maurits Veremans. Als jullie de onbedwingbare behoefte gevoelen om dit lied te aanhoren, of zelfs te beluisteren, kunnen jullie door het aanklikken van de hiernavolgende link jullie verlangen bevredigen: Als de winden vrij

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme