Roet in ‘t eten

Ik ben een fervente gebruiker van een digicorder van Telenet. Dat dit me maandelijks een aantal euro’s lichter maakt, neem ik erbij, zij het met een vleugje tegenzin, want ik ben een beetje op de penning … en niet zo’n klein beetje.

Zo’n digicorder is een uitermate praktisch toestel. Je kan er immers televisieprogramma’s in opslaan, hetgeen handig is als je die niet rechtstreeks kunt bekijken, maar toch graag wil zien, of als je ze om ik weet niet wat voor reden wenst te bewaren.

Nu hebben sommige zenders de buitengewoon verfoeilijke hebbelijkheid om uitzendingen te laten uitlopen. De VRT heeft daar alleszins een handje van, vooral als het sport betreft. Ze schrikken er bijvoorbeeld niet voor terug om een ordinaire babbel over voetbal meer dan een kwartier te rekken. Als je dan je digicorder de opdracht hebt gegeven om bijvoorbeeld de achteropkomende film op te nemen, ben je eraan voor de moeite. Dan zit je te gelegener tijd vol spanning de avonturen van een held van het witte doek te aanschouwen, om er een kwartier voor het einde brutaal uitgebonjourd te worden en ten eeuwigen dage in het ongewisse te blijven omtrent de afloop ervan.

Zouden jullie geloven dat ik daar stenen kloten van krijg?!

Uitgeblust

Ik had bij de bakker een paar appelflappen gekocht en wilde me met verlekkerde spoed naar huis begeven om die op te vreten, maar ik ontmoette een man die nu oud en der dagen zat was, maar in lang vervlogen tijden vaak met mijn vader zaliger optrok, waardoor ik me beleefdheidshalve genoodzaakt zag een gesprek met hem aan te knopen.

Zoals jullie hierboven zien, weet ik nog steeds de weg in volzinnen en mag ik er me graag aan bezondigen, ook al hebben leraren me op schoolbanken ingeprent dat ik me beter van korte, krachtige bewoordingen kan bedienen. Ik was en ben het nog steeds niet met ze eens, dus kan hun raad me aan de reet roesten.

Het gesprek dat ik in die frase vermeld, was eigenlijk geen gesprek, want zelfs de koetjes en de kalfjes bleven onaangeroerd, omdat de man zich uitputte in een jeremiade over het ouder worden, dat volgens hem gelijkstond aan een ramp die steeds weer toesloeg.
─”Ach,” sprak ik troostend, “zolang je nog ergens kunt komen en dingen kunt doen …”
Dingen kunt doen?! Laten we wel wezen: dat was ook niet bepaald een vooruitzicht waarmee je iemand kon opmonteren.
─”Ik kan nog veel dingen doen,” zei hij en hij haalde de schouders op, “maar ik doe niks meer.”
Dan ben je gauw uitgepraat natuurlijk.

Tja, ik kan er hier geen smartelijk boek over schrijven. Er rest me niets meer dan de weinig historische woorden ‘zo, dat heb ik ook weer gehad’ neer te pennen …

… maar desalniettemin waren die appelflappen verdomd lekker. Ik denk dat ik er nog twee haal.

Ambetante groeisels

Ik heb ergens gehoord of gelezen dat de mais dit jaar vroegrijp is, waardoor de oogst ervan ongeveer een maand eerder – namelijk eind september – kan plaatsgrijpen. Voor mij niet gelaten. Meer zelfs: het verheugt me ten zeerste, want ik haat mais.

Dat hoogbenig gewas hindert me tijdens het overschouwen van de Vlaamse landschappen en als het in slagorde op kruispunten opgesteld staat, belemmert het in niet geringe mate het uitzicht en verhoogt het aldus het risico op ongevallen.

Bovendien behoren maisvelden tot de favoriete speelterreinen van klein wild. Het gebeurt niet zelden dat ik er hazen, konijnen of gevogelte zie spelemeien, met alle gevolgen van dien.

Toen ik me vanmorgen tussen uitgestrekte maisakkers bevond, weerklonken vlak naast me twee oorverdovende knallen, waardoor ik me bijna een hartverzakking schrok. Ik maakte een sprong alsof er onder me een krachtige veer in werking trad en gilde als een konijn in de beet van een wezel. Meteen daarna verscheen er een jager op mijn pad.
“Moet dat nu nodig zo dicht bij de openbare weg?” foeterde ik. “Voor hetzelfde geld krijg ik een lading hagel in mijn lijf.”
Het ging aan hem voorbij en het raakte hem niet.

Ik stond op het punt om hem een vuile moordenaar te noemen, maar besloot wijselijk om dat verwijt in te slikken. Veel jagers hebben immers een kort lontje en lange tenen. Voor je het weet richten ze hun geweer op je en knallen ze je af.

Vindersloon

Luidens een spreekwoord vangt een vliegende kraai altijd wat. Dat zal vermoedelijk ook het geval zijn voor de fietsende kraai die ik ben, al verkies ik toch een uil te zijn. Het gebeurt immers niet zelden dat mijn arendsblik ─ ik heb vandaag kennelijk wat met vogels ─ onderweg een verloren voorwerp ontwaart, dat ik me dan zonder schroom en zonder aarzelen toe-eigen.

Tot op heden behoren een bankbiljet van vijftig euro en een verrekijker van een duur merk tot mijn belangrijkste vondsten. Verder heb ik in de loop der jaren een niet gering aantal onbenulligheden verzameld, die te mijnent geen andere functie hebben dan voortdurend in de weg liggen.

Verleden vrijdag vond ik een identiteitskaart en een bankpas in de berm. De eigenaar ervan bleek gelukkig lid van een fietsclub te zijn, want de ledenlijst ervan was de enige plek op internet waar ik hem aantrof, inclusief zijn adres en telefoonnummer. Hij woonde in een naburig dorp en was zo opgetogen dat hij al nauwelijks een kwartier later bij me aanbelde.

Hij wilde me belonen en probeerde me herhaaldelijk een briefje van twintig euro toe te stoppen, maar ik bleef dat resoluut weigeren.

Hij vertrok en ik bleef onbeloond achter …

… maar toen ik gisterenmorgen mijn brievenbus opende, lag dat geld daar verleidelijk naar me te lonken.

Sommige mensen zijn ongezeglijk en hebben blijkbaar geld in overvloed.

Handtastelijkheden

Jullie weten inmiddels dat ik het niet zo op wielertoeristen begrepen heb, vooral niet als ze in jolig groepsverband en vaak onder het uitstoten van vervaarlijke oorlogskreten akelig dicht langs me heen hengsten, in splijtende vaart, alsof ze door een horde pitbulls worden achternagezeten.

Terwijl ik gisteren op gezapige wijze door een bedaard landschap fietste, werd ik ingehaald door zo’n leger des onheils. Een van die onversneden rotzakken vond het nodig om me en passant zo’n stevige klap op de rug te geven, dat men die bezwaarlijk als een bemoedigend of vriendschappelijk schouderklopje kon bestempelen. Ik schrok daar zo hevig van dat ik een kreet slaakte en bijna uit koers raakte, hetgeen aanleiding gaf tot grote hilariteit bij dat zootje ongeregeld.

Ze moeten van mijn lijf blijven als ik aan het fietsen ben. En anders ook. Nu ja, meestal toch.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme