Categorie: Handel en wandel

Vijgen na Halloween

Het had ‘s nachts flink gevroren, maar de morgenstond hulde zich in prachtig wandelweer, dus besloot ik om me per benenwagen naar het dorp te verplaatsen, teneinde daar wat mondvoorraad in te slaan. Ik liep zodoende door een lange dreef, afgelijnd met berijpte bomen, die zich in de zon bakerden en er genoegen in schepten om het ijs van hun takken te schudden en me ermee te bekogelen. Ik probeerde die projectieltjes te ontwijken, maar kon niet verhinderen dat ik een niet gering aantal keren door eentje getroffen werd.

Terwijl ik door een kleine supermarkt scheerde, viel het me op dat menigeen me nogal doordringend, om niet te zeggen lichtelijk verbijsterd aanstaarde, zodat ik me begon af te vragen of ik soms een tweede kop gekregen had.
“Weet u dat u er nogal toegetakeld uitziet?” vroeg het meisje dat de kassa bediende.
Ik wist het niet en ze verwees me naar een spiegel daar in de buurt. Ik was wellicht op gemene wijze door zo’n ijsbrok geraakt en verwond. Op mijn slaap ontstond immers een bloedspoor, dat naar mijn wang neerdaalde en zich daar vertakte, om op grillige wijze zowel naar mijn oor als naar mijn kin te koersen.

Het is toch verbazingwekkend dat een tiental mensen dat opmerkten, me bekeken alsof er zich een geest manifesteerde, maar er het zwijgen toededen.

Tante Pos

Het valt haast niet te beschrijven welke vreugde er ten huize Uilenvlucht heerste, toen ik een paar maanden geleden van de fiscus de heuglijke tijding kreeg dat ik te veel belastingen betaald had en derhalve eerlang wat restitutie mocht verwachten, te weten de kapitale som van net geen dertien euro. Ja kijk, zulke interessante geldbedragen mag men me in onbeperkte mate blijven aandragen.

Ik was aanzienlijk minder verheugd toen die peulenschil niet op mijn bankrekening terechtkwam, maar door een administratief bokkensprongetje vermomd als postassignatie bij me in de bus viel. Zo’n ding kan je uitsluitend in contanten laten uitbetalen aan het loket van een postkantoor. Aangezien men mijn woonplaats van zijn postkantoor beroofd heeft, diende ik me zes kilometer te verplaatsen om aan mijn gerief te komen.

Het meisje dat daar de dienst uitmaakte, had tijdens haar opleiding vermoedelijk een commerciële hersenspoeling ondergaan, want ze zei met de plichtmatige lach van een stofzuigerventer:
“Als u bij ons een rekening opent, kunnen de belastingen voortaan uw tegoeden daarop storten en hoeft u zich niet te verplaatsen voor zo’n futiliteit.”
Ik deelde haar mee dat ik al de trotse eigenaar van een paar bankrekeningen was, maar dat de fiscus dat kennelijk even veronachtzaamd had.
“Hebt u soms postzegels nodig?” vroeg ze. “Of misschien een postogram?”
Ze had kennelijk niet veel zin om die futiliteit aan me uit te betalen.
“Nee,” schuddekopte ik, “maar u kunt me wel plezieren met een pakje gezouten boter en een kwart kilo belegen kaas.”

Ze keek me aan alsof ze van plan was om tot een handgemeen over te gaan. Luttele seconden later was ik in het bezit van mijn schamele dertien euro. Of toch bijna.
“Daag!” zei ik vriendelijk.
Er kwam niets terug. Tijdens haar opleiding had men haar niet bijgebracht dat ze in alle omstandigheden beleefd moest blijven.

Alle zegen komt van boven

Een zakenrelatie van me ─ het klinkt heel wat, maar het betreft gewoon een overgewaardeerde politicus, die ook in drukwerk doet en voor wie ik zo nu en dan wat tekst mag redigeren ─ hield een zogeheten informele bijeenkomst naar aanleiding van een gedenkwaardige aangelegenheid. Ik had een uitnodiging gekregen met de zeer door mij verafschuwde formule dat er me ‘een hapje en een drankje’ te wachten stond, maar dit keer zou men de aanwezigen zowaar ook op ‘een muziekje’ vergasten. Tja, het was niet meteen een aanvulling waardoor ik in laaiend enthousiasme ontstak.

Ik zag er lang niet verkeerd uit. Nu ja, van een schopsteentje maak je geen diamant natuurlijk, maar in feestverpakking vermag ik op elegante wijze de charmes van mijn leeftijd rond te dragen. Gekooid in m’n goeie goed en een gekleed pak liep ik door de hoofdstraat van een vertierloos dorp. Plots hoorde ik een mannenstem roepen:
─”Pas op, hoor!”
Ik keek omhoog naar de plek waar de waarschuwing vandaan kwam en kreeg op hetzelfde moment een niet te onderschatten lading natte bladeren en modder over me heen. Het leek alsof ik onder een steen vandaan kwam en vervolgens door een haag gesleurd was.
─”Ben jij nu helemaal van de ratten besnuffeld?!” foeterde ik tegen de man die blijkbaar bezig was een dakgoot van overtolligheden te ontdoen.
─”Ik heb toch geroepen dat je op moest passen”, verdedigde hij zich.
─”En op hetzelfde moment gooi je die bagger naar beneden. Ik ben het niet die moet oppassen. Jij moet uitkijken of de stoep onder je vrij is.”

Er volgde nog een heftige woordenwisseling over wie er voor de kosten van stomerij moest opdraaien, maar toen dat geregeld was, ben ik naar huis teruggekeerd. Door overmacht is het hapje en het drankje me bespaard gebleven. Het muziekje eveneens. 

Sport en Spel

epke

De Olympische Spelen lopen op hun laatste benen, of doen een beroep op andere lichaamsdelen die men voor sportdoeleinden pleegt te gebruiken. Ik heb er niet bijster veel aandacht aan besteed, want ik ben niet echt een sportieveling, zelfs niet in de passieve zin.

Tot mijn verbijstering en die van het hele Nederlandse koninklijke gezin zag ik Epke Zonderland van zijn stokje vallen ─ ik bedoel een rekstok ─ en niet zonder bewondering was ik er getuige van hoe hij na die doodsmak overeind krabbelde, om doodgemoedereerd opnieuw aan zijn oefening te beginnen. Ga d’r maar aan staan!

Ook heb ik gezien ik hoe de Red Lions ─ de Belgische mannelijke hockeyploeg ─ bij de aanvang van de halve finale tegen Nederland onvervaard en a capella het Belgische volkslied ten beste gaf, toen de muziekinstallatie van het stadion het liet afweten. Dat ze de wedstrijd achteraf nog wonnen ook, verschafte me intense vreugde.

En dan was er nog dat lieftallige ankervrouwtje van het sportjournaal, die ten prooi aan opperste staat van opwinding verklaarde: “Terwijl de Belgen de medailles aaneenrijgen op de Olympische Spelen …” Aaneenrijgen?! Men moet nu ook niet overdrijven. Met zes medailles in veertien dagen kan er volgens mij bezwaarlijk van aaneenrijgen sprake zijn.

Nu is de Vuelta a España aan de beurt, die in de wandeling de ronde van Spanje heet. Als fervent supporter van Chris Froome mag ik dat evenement zeker niet missen, ook al ben ik slechts een passieve sportieveling. Gaan met de banaan! Jammer dat ik het uitgerekend in deze periode beroepshalve zo druk heb.

In het verdomhoekje

Ik wil jullie niet meesleuren in mijn sores, maar het moet me toch even van het hart dat ik nogal wat te verstouwen krijg op lichamelijk gebied.

Verleden donderdag ben ik tijdens het wandelen plompverloren van de sokken gereden door een ladderzatte motorrijder. Daarbij heeft mijn linkse onderdaan, zowel het been als de voet, dusdanige averij opgelopen dat ik wederom, want al voor de derde keer, genoodzaakt ben om op krukken rond te stumperen. Daardoor neemt het verrichten van huishoudelijke taken en rituelen, die ik normaliter bijna spelenderwijs uitvoer, opeens onfatsoenlijk veel tijd in beslag, om van de ermee gepaard gaande moeite en pijn nog te zwijgen. Bovendien dien ik een aantal in meer of mindere mate belangrijke afspraken af te zeggen, want ik kan me niet verplaatsen, niet met de fiets en niet met de auto. Je kan wel kwaad worden, maar je doet er niks aan. Ik zal het moeten uitzitten.

Ik was van plan om hier een foto te plaatsen van mijn toegetakelde lidmaat, maar ik heb besloten om dat maar niet te doen, want het zijn echt geen appetijtelijke prentjes en ik wil jullie zondag niet vergallen.

En tevreden strompelen we voort. Nu ja, tevreden?

Slechte manieren

airwickOnlangs heb ik drie automatische luchtverfrissers van Airwick Freshmatic gekocht. Als je die ieder voor zich en elk apart voorziet van twee batterijtjes en een spuitbus, produceren ze met geregelde tussenpozen ─ je kan dat instellen ─ een zuchtend, ja bijna proestend geluid als een hefboomsysteem in werking treedt en een wolkje parfum verstuift. Airwick beschrijft het als volgt: er wordt een explosie van heerlijke geuren verspreid door het vertrek. Mij best, al vind ik explosie toch een beetje overdreven.

Mijn toestellen staan opgesteld in het woongedeelte, in de badkamer en in mijn bureau. Om het halfuur ─ dat is de spaarstand ─ geven ze zich over aan de explosie van heerlijke geuren waarvan hierboven sprake was. De keuze aan parfums is legio, maar mijn voorkeur gaat uit naar een lekker luchtje uit het gamma Exotic Inspiration, ofte odeurs die, alweer volgens Airwick, geïnspireerd zijn door de rijkdom van de natuur, meer bepaald de blauwe klaproos uit de Himalaya. Nu ben ik in mijn leven één keer in de buurt van de Himalaya geweest, maar die blauwe klaproos heb ik daar niet gezien of geroken. Wel integendeel! Ik was in Kathmandu, de hoofdstad van Nepal, en daar stonk het niet te min … maar ik dwaal af, omdat ik daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe.

Zoals ik al schreef laten die luchtverfrissers op gezette tijden een zuchtend, of zelfs proestend geluid horen. Aangezien ik het kluizenaarschap aankleef en dientengevolge geregeld op de rand van de eenzaamheid balanceer, ben ik dat geluid beginnen imiteren en beantwoorden. Alleen zijn doet wat met een mens. Telkens als een van die toestellen in mijn aanwezigheid van zich laat horen, laat ik me niet onbetuigd en dien ik het van weerwoord. Het is weer zo’n aanwensel van me ─ in West-Vlaanderen noemen we dat een ipnimsle, in Vlaanderen algemeen een opneemsel, maar die dikke van Van Dale weigert halsstarrig om dat achterlijke Vlaamse woord te vermelden ─ en met een hebbelijkheid stoor je niemand als je in je eentje woont, maar …

… op dit moment woon ik niet alleen, want het leven heeft me met een buitenlandse logeergast opgezadeld en gisteravond keken we samen televisie.
“Zit jij nu naar me te spuwen?” vroeg hij opeens.
Toen de luchtverfrisser stoom afliet, had ik bijna automatisch en alleszins onwillekeurig hetzelfde gedaan.
Ik gaf mijn huisgenoot tekst en uitleg en hij schudde meewarig het hoofd. Dat hij maar gauw vertrekt, zodat ik ongestoord mijn gang kan gaan.

Hoe Brugge in het water viel

Ik was gisteren van plan om met mijn tijdelijke huisgenoot een bezoek aan Brugge brengen, dus bevond ik me rond halftien in de badkamer, teneinde er de laatste hand aan mijn opsmuk te leggen. Terwijl ik krachtdadig in de weer was met flessen, potten en tubes vol heerlijke balsems, crèmes, gels, lotions, poeders en parfums doofde plots de lamp boven mijn hoofd.
“Krijg nu tieten!” foeterde ik. “Die ledlampen zouden toch een levensduur van twintigduizend branduren hebben? Die van mij is nog geen maand oud.”
Ik was nog bezig me te ergeren toen de deur een bedeesd geklop te verwerken kreeg.
“¡Adelante!” riep ik manhaftig, want de Vlaamse of Nederlandse varianten – Kom moa bin! of Kom binnen! – zouden Chinees geweest zijn voor mijn Spaanstalige logé.
“Je computer heeft opeens rare kuren”, vernam ik uit zijn mond. “Hij flikkert en hij piept …”

Er bleek in mijn woning wel meer te flikkeren en te piepen, want het overgrote deel van de stopcontacten en lichtschakelaars hapte naar adem, of beter gezegd naar stroom, terwijl een paar daar kennelijk geen last van hadden. Er was duidelijk een kink in de kabel ─ ik schreef bijna stront aan de knikker, maar ik wil het proper en welvoeglijk houden ─ dus telefoneerde ik naar de klantendienst van mijn distributeur, doorliep het onvermijdelijke keuzemenu en kon er, na het al even onvermijdelijke wachten met muziek, mijn verhaal kwijt aan het bereidwillig oor van een kostgangster der aardkloot.
“Ik kan een technicus naar u toesturen,” zei ze, “maar als het defect te wijten is aan de binneninstallatie, zal hij u doorverwijzen naar uw elektricien en zult u van ons wel een rekening van € 97,09 gepresenteerd krijgen voor de nutteloze verplaatsing.”
“Nu nog mooier!” protesteerde ik. “Hoe kan ik, in mijn hoedanigheid van leek die zelfs een beetje bang is van elektriciteit, in vredesnaam achterhalen waar de boel spaak loopt?”

Dat kon ze me vertellen. Ik diende achtereenvolgens de hoofdschakelaar, de verliesstroomschakelaar en alle zekeringen op het verdeelbord uit te zetten en vervolgens in dezelfde volgorde weer aan te zetten. Als ik dan nog geen stroom had, mocht ik haar terugbellen, want dan was er waarschijnlijk een fase uitgevallen en dat diende mijn distributeur te verhelpen.
Vijf minuten later hing ik weer aan de telefoon en ze beloofde om meteen een technicus te waarschuwen, die gegarandeerd binnen de twee uur te mijnent zou neerstrijken.

Ik begon meteen met verlengsnoeren en verdeeldozen te goochelen om de belangrijkste toestellen ─ koelkast, diepvries, Senseo, computer, telefoon, verwarming ─ in mijn woning van stroom te voorzien. Met onverholen bewondering sloeg mijn huisgenoot mijn bezigheden gade. Of was het verbazing en ongeloof? Als twee spinnen zaten we daarna in ons dradenweb op onze prooi te wachten. Er verstreek een uur. Er verstreken twee uren. Er verstreken drie uren. Er smeulde al enige tijd dreiging in mijn ogen en mijn mond begon op een sabelhouw te lijken. Er verstreken vier uren. Ik vloog op als buskruit, greep de telefoon, toetste met nijdige vingers het nummer in …

“Er is blijkbaar iets fout gelopen”, zei ze laconiek. “Ik informeer even bij dispatching.”
Dispatching! Dispatching?! Hebben ze daar geen Nederlands woord voor?! Opnieuw probeerden ze me met die vervloekte pokkenmuziek te paaien. Men kan me martelen met dat soort deunen.
“Over tien minuten zal onze technicus bij u zijn”, verzekerde ze me toen haar stem bij me terugkeerde.
“Ik hoop voor u dat het waar is”, sprak ik dreigende taal.

Het was waar. De technicus kwam. Eerst probeerde hij ons te imponeren met het manipuleren van wat meettoestellen en daarna verkondigde hij dat hij bij een verderop gelegen verdeelkast het euvel diende te herstellen. Dat kon wel een uurtje duren.

Om drie uur waren alle plooien eindelijk gladgestreken en konden we weer naar hartenlust over stroom beschikken. We hebben Brugge niet meer gezien …

… maar nu zijn we weg!

Kokeren

Als ik vroeger tijdens het fietsen aandrang voelde om te snuiten, hetgeen bij frisse temperaturen om de haverklap het geval was, placht ik zo goed en zo kwaad als het ging een zakdoek op te duikelen en daarin mijn ‘gevoeg’ te doen. Sinds een paar weken ben ik echter overgeschakeld op professioneel snuitgedrag, zoals wielrenners en ervaren fietsers dat uitvoeren. Het is louter een kwestie van vaardigheid en van mikken. Eerst moet je diep ademhalen, vervolgens het hoofd zijwaarts draaien en buiten de aslijn van je lichaam brengen, om je dan met een korte en stevige ademstoot via de neus van de overtolligheid te bevrijden, door die richting berm of asfalt af te vuren.

Gisteravond zat ik op de bank en ik was zo geconcentreerd met mijn iPad bezig ─ ik probeerde het waarlijk ingenieuze spel Monument Valley tot een goed einde te brengen ─ dat ik compleet vergat waar ik me bevond en snoot alsof ik aan het fietsen was, zodat mijn kwakje op het vloerkleed belandde …

Ik ben tot veel in staat als ik op stoot ben.

Vriendendienst

Het gebeurde enkele jaren geleden …

Ik was neergestreken in een restaurant en bevond me in het verkwikkende gezelschap van een goede vriend, die onbedaarlijk veel plezier aan zijn tocht door het bestaan beleefde en altijd wel een aardigheid klaarzitten had. Toen ik aanstalten maakte om me naar het toilet te begeven zei hij: “Als je mijn naam noemt, zul je een mooie plaats krijgen.” Ik zou me een natte luier gelachen hebben als ik op dat moment zo’n ding gedragen had, maar dat was niet het geval.

Het gebeurde gisteren …
De deurbel kondigde een bezoeker aan en even later stond ik oog in oog met een nogal nerveuze jongeman, die niet echt met een vlotte babbel gesierd was.
─”Ik ben gestuurd door mompel mompel”, begon hij.
─”Door wie?” fronste ik, want ik had de naam niet begrepen.
─”Door Cédric M…”, herhaalde hij. “Da’s een vriend van je, hè?”
Ik moest even de registers van mijn geheugen openslaan voor ik de Cédric M… in kwestie kon plaatsen. Ik vond hem alleszins niet terug in mijn uiterst beknopte vriendenrubriek ─ als je meer dan vijf vrienden hebt, heb je er eigenlijk geen ─ maar wel tussen de vage ‘cafékennissen’.
─”Laten we zeggen dat ik hem ken”, nuanceerde ik dus.
─”Ik heb dringend de vertaling van een Duits artikel nodig”, kwam hij ter zake en hij wees naar de map die hij in zijn hand hield. “Cédric zei dat je ‘t wel voor een zacht prijsje zou doen als ik zijn naam noemde.”
─”Cédric heeft makkelijk praten”, snoof ik. “Mag ik dat artikel even zien?”

Ik schatte dat ik toch zeker twee dagen aan die vertaling zou werken en toen mijn bezoeker vernam dat ik het niet gratis wou doen, stak hij zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken. Hij vertrok met ontstemde snaren en met het onvertaalde artikel.

Wat moet ik in vredesnaam doen om te verhinderen dat sommigen mijn leven willen beredderen?  

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme