Categorie: Habberdegrieks

Een beetje verstrooid zeker?

lasagneTegen de middag kreeg ik plots rare trek. Ik had evenwel geen tijd (lees ‘zin’) om te koken, dus begaf ik me met vastberaden tred naar de diepvriezer en beroofde die van een portie Lasagne Salmone van Come a casa. Dat beschouw ik als een ongemeen lekker gerechtje.

Nauwgezet las en volgde ik de instructies: de heteluchtoven voorverwarmen op 180 graden Celsius en er vervolgens de lasagne gedurende vijfentwintig minuten in huisvesten. Terwijl die tijd verstreek, vestigde ik me in een vleesetende fauteuil en hield me onledig met een gin-tonic.

Toen de oven op nogal luidruchtige wijze kenbaar maakte dat de gaartijd verstreken was, spoedde ik me naar de keuken en kwam daar tot de ontdekking dat ik nagelaten had de lasagne in dat kooktoestel onder te brengen. Ik baalde vanzelfsprekend als een stekker en er stak onbehagen in me op: ik spuwde wat nagels, een beetje gif en gal …

… en trakteerde mezelf op nog een gin-tonic, teneinde de daaropvolgende vijfentwintig minuten door te komen.

Beet! (2)

De hengelaar zat bij de oever van de vliet, enigszins verscholen in hoogbenig riet, zoals de karekiet kiet kiet uit het bekende lied lied lied.

Zoals het een door de wol geverfde hengelaar betaamt, gooide hij met veel panache, om niet te zeggen bravoure, zijn hengel uit. Hij zwaaide de roede achterwaarts, om die vervolgens met een ruk naar voren te zwiepen, zodat de haak en de dobber met een keizerlijke zwaai op ruime afstand in het water neerdaalden …

… edoch dat gebeurde niet. Ons loze vissertje was kennelijk vergeten dat er een pad achter hem langs liep. Zijn haak vatte de wandelaar, die daar uitgerekend op dat moment voorbijstapte, letterlijk bij de kraag, om zich vervolgens brutaal los te rukken en een joekel van een winkelhaak in het kledingstuk van het slachtoffer achter te laten. De man was daar hoegenaamd niet blij mee, al mocht hij eigenlijk nog van geluk spreken. Voor hetzelfde geld had hij dat ding in zijn lip of zijn oog gekregen. Er ontstond dan ook een heftige discussie tussen beide partijen, maar ik heb niet op de uitkomst ervan gewacht.

Zodoende weet ik nu hoe ik iemand aan de haak moet slaan, om die vervolgens de kleren van het lijf te sleuren. Het kan haast niet anders of daar moet seks van komen en dat is mooi meegenomen.

Mikken

Omdat ik er maar niet in slaagde om na mijn Argentijnse esbattementen ─ galopperen over de pampa, tango’s kronkelen in de boites van Buenos Aires, aanschikken aan pantagrueleske asado’s en urenlang door het luchtruim klieven ─ op dreef te komen en mijn draai te vinden, klom ik gisterenmorgen op de fiets en trapte me doorheen het Brugse Ommeland. Dat bleek lang geen slechte zet van me te zijn: ik vond heel veel draaien en kwam in talloze dreven terecht.

Als ik me per auto verplaats, heb ik er minder last van, maar als ik me fietsend op weg begeef, kun je er donder op zeggen dat ieder verkeerslicht dat voor me opdoemt op rood zal springen, dat elke slagboom voor mijn neus zal neerdalen en dat alle bruggen die ik moet oversteken opstijgen of openzwenken. Ik was dan ook hoegenaamd niet verbaasd dat ik in het nogal vertierloze stadje Oudenburg een brug met een joekel van een erectie aantrof en twee motorjachten doorgang moest verlenen voor ik me naar de overkant van het kanaal kon verplaatsen. De stuurman van het eerste vaartuig zag er vrij belegen uit, maar hij glunderde zijn ouderdom weg. Zodra hij groen licht kreeg, gaf hij de gashendel een duw van heb ik jou daar. De boot leek even te steigeren, schoot toen met een ruk voorwaarts en zette er de sokken in, regelrecht naar een onvermurwbare dukdalf. De kapitein in spe zag dat ding op zich afkomen, rukte op overcompenserende wijze aan het stuurwiel, waardoor het jacht tegen de schampkant van de brug sloeg en van de weeromstuit naar de overkant ricocheerde, waar het eveneens onzacht met de betonnen wand in aanraking kwam. De stootkussens langszij gaven gelukkig goed weerwerk, zodat de schade beperkt bleef, maar twee dames die als de hoofdrolspelers van Titanic op de voorplecht stonden, kantelden als kegels, rolden heen en weer en konden slechts met de moeite der wanhoop verhinderen dat ze in het water terechtkwamen. Hoongelach klonk op, afkomstig van wandelaars en fietsers, schrijver dezes incluis, die vanaf de oever deze felbewogen doortocht gadesloegen. 

De stuurman van het tweede jacht was een jongen van een jaar of tien. Een volwassen man stond hem op toezichthoudende wijze terzijde, maar dat was nergens voor nodig, want het bijdehante joch loodste het vaartuig met veel bravoure onder de brug door. We applaudisseerden enthousiast.

Een paar kilometer verderop zouden ze het nogal ingewikkeld sluizencomplex van Plassendale  op hun weg ontmoeten, met een reeks nauwe doorgangen. Ik vraag me af hoe die klunshark het er daar afgebracht heeft. De nieuwsberichten maken vooralsnog geen melding van calamiteiten.

Een mirakel!

Vrienden van me hebben ruim twee jaar geleden een reis naar Portugal ondernomen. Dat is weliswaar niet meteen naast de deur, maar de afstand kan geen verklaring zijn voor het feit dat de prentbriefkaart die ze me van daarginds toestuurden pas vanmorgen in mijn brievenbus tuimelde.

Ze sturen me zonnige groeten uit Fatima. Dat is een bedevaartsoord waar de Moedermaagd Maria in 1917 zes keer verschenen is aan drie herderskinderen en waar sindsdien wonderlijke dingen gebeuren.

Het mag inderdaad een wonder heten dat het kaartje na zo’n lange tijd alsnog bij me terechtgekomen is.

De wonderen zijn de wereld niet uit.

Tafelmanieren

Als ik soep eet, wat ik vrij zelden doe, pleeg ik de lepel altijd in de lengterichting en dus met de punt voorwaarts naar mijn mond te brengen. Het valt mij echter op dat de tafelgasten in films en feuilletons, die zich in chique huishoudens afspelen, de lepel dwars voor de lippen brengen. Ik heb dus even een uit 1940 daterend boekje met etiquetteregels geraadpleegd – Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp–Ten Have – en lees daar op bladzijde 251:

Men eet van den zijkant van den lepel en niet van de punt, daar de eerstgenoemde houding iemand in staat stelt de ellebogen zooveel mogelijk aan het lichaam gesloten te houden, hetgeen bij een goede tafelhouding behoort.

Andere bronnen die ik via internet ontdekte, verkondigden eveneens die stelling.

Toen ik gisteren aan een feesttafel diende aan te schikken, wilde ik natuurlijk laten blijken dat ik wist hoe het hoorde. Wel, ik kan jullie verzekeren dat tomatensoep buitengewoon hardnekkige vlekken maakt.

Die etiquetteregels kunnen me gestolen worden!

Gezondheid!

Ik ben vrij tevreden over mijn stoffelijk omhulsel en over hetgeen ik er allemaal vermag mee uit te voeren. Ik doe eens even iets geks, dacht ik nog niet zo lang geleden en toen stelde ik een lijstje op met de top vijf van de dingen waaraan ik het meeste plezier beleef: de lichamelijke geneugten met andere woorden.

Op de eerste plaats, met ruime voorsprong, staat klaarkomen. Verdere uitleg lijkt me overbodig en een tekeningetje hoef ik er waarschijnlijk ook niet bij te maken. Nummer twee is met een wattenstaafje in mijn oren pulken. Dat is een genot, hoor! Het knakken van mijn kneukels is de derde in het rijtje: een verfoeilijke en door velen verafschuwde gewoonte, waaraan ik me evenwel met grote graagte overgeef. Vier is krabben waar het jeukt, vooral als ik er, al dan niet gebruik makend van een hulpmiddel, in slaag om een schier ontoegankelijk plekje op mijn rug te bereiken. Niezen maakt mijn top vijf compleet …

Zoals jullie weten is niezen een reflectorische beweging, waarbij de lucht met kracht uit de neus wordt gestoten, ten gevolge van een prikkeling van de slijmvliezen. Ik doe het gaarne, ook al gaat dat in mijn geval gaat dat met grote onstuimigheid gepaard. Als ik nies, beleef ik een soort orgasme in mijn hersens en verlies ik heel even de controle over mijn lichaam en mijn ledematen. Op het moment dat zich gisteren een nies aankondigde, hield ik evenwel met mijn hand een kop koffie in labiel evenwicht op een schoteltje. Ik probeerde mijn neus nog op andere gedachten te brengen, door mijn tong tegen mijn gehemelte aan te drukken ─ ik heb ergens gelezen of gehoord dat dit een nies kan onderdrukken ─ maar het mocht niet baten. Ik ontplofte, mijn hele lichaam schokte … en de kop sprong gezwind van het schoteltje, om neer te strijken op de schouder van de persoon die ik koffie aangeboden had.

Gelachen dat we hebben. Nu ja, niet heus eigenlijk.

Ik heb al eerder over mijn lichamelijke geneugten geschreven. Voor wie eens echt wil lachen …
Over niezen: Een nieuw mobieltje
Over oorpulken: Het oorgasme
Over kneukelknakken: Krakende wagens …

Kurremul

In de supermarkt kocht ik, onder veel meer, een doos natuurboterwafels van Jules Destrooper. Op doktersbevel mag ik zelf niet snoepen, maar ik wil wat in huis hebben en kunnen presenteren als er bezoek komt. West-Vlaamse lukken zijn heel lekkere koekjes voor bij de koffie. Nu wil het geval dat ik slechts zelden bezoekers over de vloer krijg, dus moet ik, niettegenstaande het verbod van mijn arts, soms zelf wat van die wafeltjes opvreten, om te vermijden dat de houdbaarheidsdatum ervan zou verstrijken. Ik heb jullie al verteld dat ik nooit voedsel weggooi … maar ik dwaal af, zij het niet met tegenzin.

Ik kocht dus natuurboterwafels in de supermarkt en toen de caissière die wou scannen gaf ze blijk van grote onhandigheid, want de doos ontglipte haar en smakte op de vloer.
“Gaan we er even mee gooien, ja?” grapte ik nog.
Ze raapte de doos op en wilde die doodgemoedereerd in mijn kar deponeren, maar ik protesteerde, bewerend dat de West-Vlaamse lukken van Jules Destrooper tot de buitengewoon brosse koekjes behoorden, zodat we geredelijk mochten veronderstellen dat die tijdens hun val en zeer zeker bij het neerkomen aan gruzelementen (kurremul in het West-Vlaams) gegaan waren. Of ik die mocht omruilen?

Dat mocht ik niet. Ik zei dat ik in dat geval de doos niet wenste mee te nemen. Of ze die even van mijn rekening wilde schrappen? Dat wilde ze niet en zodoende maakte ze het duiveltje in me wakker. Ik pleeg zelden in het openbaar in discussie te treden, maar als ik het doe … Deuren en ramen dicht!

Ik heb de wafeltjes niet betaald, maar als jullie vandaag bij me op de koffie komen zullen jullie tevreden moeten zijn met een mignonnette van Côte d’Or. Da’s ook lekker, denk ik (want ik mag niet snoepen van de dokter). 

Kunstjes leren

Ze proberen me bang te maken. Ik lees, hoor en verneem dat mobieltjes bijzonder schadelijk zijn voor de gezondheid. De straling die uit dergelijke toestelletjes opstijgt, zou je hersens binnendringen en daar mogelijkerwijze tumoren veroorzaken. Men raadt derhalve het gebruik van oortjes aan. Op die manier vergroot je immers de afstand tussen je gsm en je hoofd en verminder je de directe blootstelling aan straling.

Ik ben niet alleen een lichtgelovig mens, maar ik koester ook grote angst voor tumoren en andere gezwellen. Ik wil me dus van oortjes voorzien, maar zelfs met de beste wil van de wereld kan ik die dingetjes niet aan mijn gehoororgaan toevertrouwen. Als het al een keer een beetje wil lukken, springen die smeerlapjes binnen de paar seconden gegarandeerd weer vrolijk uit mijn schelpjes. Je kunt ermee sukkelen. Nu is het zo dat ik niet bepaald groot geschapen ben, althans wat oren betreft, maar er zullen allicht nog mensen in dat geval verkeren. Daarom vermoed ik dat ik iets fout doe. Bestaat er misschien een truc of een handigheid om die gevalletjes dusdanig in te brengen, dat ze niet binnen de kortste keren ontsnappen?

Wie het weet, mag het zeggen. 

Een freudiaanse verspreking

Als ik in de brievenbus een aan mij geadresseerd overlijdensbericht aantref, is dat altijd even slikken, omdat ik licht geneigd ben te veronderstellen dat een mens die mij nauw aan het hart ligt schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft. Vanmorgen was dat ook weer het geval. Gelukkig voor mij – de aflijvige vond het wellicht niet zo’n dofje – betrof het iemand uit een over zijn vervaldatum gesukkelde vriendschap. Niettegenstaande onze danig versloomde relatie deelde men me op een bijgevoegd kaartje mee dat men me na de rouwplechtigheid aan de familietafel verwachtte en verzocht men me om wat van me te laten horen als ik niet op die uitnodiging kon of wilde ingaan.

Jullie weten inmiddels dat ik niet van bijeenkomsten houd en al helemaal niet als de aanleiding een betreurenswaardige gebeurtenis is. Ik toetste dus het vermelde nummer in, kreeg een vrouwenstem in mijn oor, betuigde mijn medeleven met een gevoileerd stemtimbre dat in de betere sterfkamer niet zou misstaan en vervolgde:
“Ik kom wel naar de rouwplechtigheid, maar niet naar het feest achteraf.”

Er viel een besmuikte stilte, maar toen hoorde ik de dame aan de overkant naar adem happen, om vervolgens los te barsten:
“Feest? Feest! Denkt u misschien dat we op zijn graf zullen dansen?”
Toen pas drong het tot me door dat ik me versproken had. Ik wilde me uitputten in verontschuldigingen, maar de verbinding was al verbroken.

Feest!? Hoe kwam ik daar in vredesnaam bij? Ik heb wat last van jetlag, maar dat is geen excuus natuurlijk.

En dat men lache en dat men danse
want ik hou niet van gehuil.
En dat men lache en dat men danse
als ik neerlig in mijn kuil.
Will Ferdy

Slobberspul

Toen ik in de badkamer een kraan openzwengelde, proestte die het uit. Met horten en stoten, gesis en gepruttel, vergastte ze me vervolgens op gulpen modderige vloeistof in een bonte mix van ontlastingskleuren.

Dat bleef duren en twee uur later raakte ik dusdanig geagiteerd dat ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met de leverantie van leidingwater bemoeit. Ten prooi aan groeiende ergernis worstelde ik me doorheen het inmiddels onvermijdelijke en tijdrovende keuzemenu, hetgeen tot overmaat van ramp dan ook nog met pokkenmuziek gepaard gaat, tot ik uiteindelijk bij een persoon terechtkwam die me wist te vertellen dat men op de hoogte was van het probleem, dat door een ernstig lek veroorzaakt werd en nog wel eventjes kon aanslepen. Dat ‘eventjes aanslepen’ nam nog ruim acht uur in beslag, maar in de late middag kon ik opnieuw over deugdelijk water beschikken.

Nu heb ik daar toch een bedenking bij. Ik pleeg ‘s morgens vroeg, meestal in het halfduister, mijn koffiezetter te vullen. Stel dat ik niet zou merken dat er wat loos is en doodgemoedereerd begin te slurpen van een ochtendlijk bakje leut, dat ik met zulk vies water toebereid heb, waardoor ik niet veel later het hoekje omga, vermoedelijk om zeep …

Kan dat allemaal zomaar? Waarom eigenlijk, zo vraag ik me af, draait men de kraan niet helemaal dicht als er … eh … stront aan de knikker is?

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme