Categorie: Angulus ridet

Praatjesmaker

Ik stel met genoegen vast dat er zich in de door de natuur gekoloniseerde omgeving van mijn woning tal van diersoorten ophouden en niet in het minst vogels van diverse pluimage, want net als Guido Gezelle hoor ik zo geern de vogeltjes schuifelen.

Nu hebben er zich echter een stelletje Turkse tortels in mijn tuin gevestigd en het mannetje daarvan vindt het nodig om van ‘s morgens heel vroeg, als het daghet in den oosten, tot het invallen van de duisternis, als men aan de kust de zon in de zee ziet zakken, te zitten ouwehoeren op mijn dak: oehoe-hoe oehoe-hoe. Die gozer weet echt niet van ophouden en soms krijg ik er dusdanig de riebels van, dat ik in arren moede alle ramen dichtgooi, maar zelfs dan …
─”Hou nu toch eindelijk eens je kop!” roep ik soms.

Het is dat ik er prat op ga dat ik een dierenvriend ben, maar er zijn grenzen. Waar is mijn schietepoef?

Het sprookjesbos

peuterDe peuter zat vooraan op de fiets van de man die waarschijnlijk zijn opa was. Ze naderden de rand van het bos.
“En nu moet je goed kijken!” hoorde ik hem zeggen. “En naar de vogeltjes luisteren!”
Het kind zette gelijk stuitergrote ogen op en keek om zich heen als een stokstaartje. Toen ze het donkere bos inreden, hoorde ik hem een kreetje slaken. Het was een geluid dat enkel door verrukking kon ontstaan. Pure verrukking.

En zie, ook mijn hart zong op van vreugde.

Bekijk de wereld met de ogen van een kind en je zult zien hoe mooi die is.

Dovemansoren

Het bospad dat langs mijn woning koerst, is eigenlijk een privaat weggetje. Dat staat ook in lapidaire letters vermeld op een bord bij de oorsprong ervan. Desalniettemin passeren hier dagelijks tientallen wandelaars, joggers, bezadigde fietsers en driestere mountainbikers, ja zelfs ridders … eh … ruiters. Ik heb daar nooit bezwaar tegen gehad, maar nu begin ik me toch omstandig op te winden over een nevenverschijnsel ervan, met name over hetgeen sommigen hier menen te mogen achterlaten: plastic tassen, petflessen, drankkartons, blikjes, papierflarden, snoepverpakkingen, voedselresten, zakdoeken, ondergoed, hondendrollen, paardenkeutels …

opruimenTwee weken geleden heb ik met grote tegenzin anderhalve vuilniszak met overtolligheden bijeengeraapt, maar ik vecht blijkbaar tegen de bierkaai, want gisteren kon ik al opnieuw een zak vullen en dan moet het recreatieseizoen eigenlijk nog beginnen. Het weze mij toegestaan om daar beleefd van te balen. Als het zo doorgaat, zal ik op mijn strepen staan en niet langer veroorloven dat men het pad gebruikt. Ik voel me daar onbehaaglijk bij, want de goeden bekopen het weer met de slechten, maar ik ben heus niet van plan om de hele zomer andermans troep op te ruimen.

Ik ben een tamelijk rekkelijk type en ik laat heel lang over me lopen, maar op een dag is het uit.

Watersnoodje

De mysterieus om zich heen woekerende natuur die me omringt, is meestal een verzachtende omstandigheid, maar vandaag is dat niet het geval. Het is immers echt lamlendig weer en de beek achter mijn woning, die normaliter onverdroten pleegt voort te huppelen langs met mos begroeide stenen en zodoende een in hoge mate romantisch kabbelen teweegbrengt, is vannacht buiten haar oevers getreden. Het wassende water bedreigt inmiddels mijn tuinhuis. Wellicht zullen zieltogende herfstblaren een verstopping veroorzaakt hebben, want er zijn in deze streek geen dieren gesignaleerd die zich met het opwerpen van dammen onledig houden, zoals bijvoorbeeld bevers.

laarzenIk moet dus het huis uit, om de prut en de drab te trotseren, wat ik niet eens erg zou vinden, ware het niet dat ik ook rubberen laarzen zal moeten aantrekken. Er bestaan geen woorden die kunnen beschrijven wat voor een hekel ik aan dergelijk schoeisel heb. Slobber flotsj slobber flotsj.

Ik zit me trouwens af te vragen wat de uitdrukking ‘buiten de oevers treden’ eigenlijk bij overstromingen komt doen. Als ik het zo bekijk, komt daar bitter weinig treden bij te pas. Water heeft namelijk geen voeten, maar dat wisten jullie ongetwijfeld al. Allez, ik ben weg … slobber flotsj slobber flotsj …  

Nestwarmte

haardvuurIk kreeg bezoek van mensen die ik best wel graag mag en daarom had ik zowel voor lafenis en versnaperingen als voor gezelligheid gezorgd: romantische tiffanylampen, flakkerende kaarsen, een doorleefd wijntje, noten en kastanjes, bonkjes kaas, paté, peren … Ik speelde zelfs even met de gedachte om het haardvuur aan te leggen. Mijn woonkamer is wel degelijk voorzien van een ouderwetse stookruimte, waarin men een os kan onderbrengen om die te braden als men dat al zou willen, wat bij mij nooit het geval is. Het bijslepen van stronken en blokken is echter een karwei dat me lang niet altijd kan bezielen, om van het schoonmaken achteraf nog te zwijgen, dus besloot ik om die klus uit het verhaal van de avond te schrappen.

We hadden ons nog maar net in vleesetende fauteuils geschurkt, of de vrouwelijke helft van het gezelschap gaf te kennen hoe jammer ze het vond dat we ons niet bij het haardvuur konden verschansen.
─”Het leek me niet koud genoeg”, deed ik de waarheid een beetje geweld aan.
Ze was het natuurlijk niet met me eens en ze kreeg vanzelfsprekend ruggensteun van haar geliefde, dus schikte ik me naar hun wens.

Nu heb ik echter een vraag: waarom volstaan twee dozen lucifers en een complete krant niet om een haardvuur aan te steken, als je bosbranden kunt starten door één lucifer of één peuk weg te gooien?

Wie het weet, mag het me vertellen.

Kom dat tegen!

Wie mijn woning wil bereiken, dient gebruikt te maken van een vrij smal en onverhard bospad, dat zich ‘s nachts bovendien in een Egyptische duisternis hult. Het is niet echt een hachelijke onderneming, al moet je vooral bij kliederig weer niet te voortvarend handelen en enige stuurvaardigheid aan de dag leggen, om niet uit te glijden en in de belendende percelen terecht te komen, waar stugge stammen in slagorde opgesteld staan.

Ik had gisteravond een vriend op bezoek en toen hij iets na middernacht naar huis terugkeerde, is hij op dat pad aan het slippen gegaan en kledder tegen een boom geknald. Nu ja … geknald … laten we het geschoven noemen, want men kan dat weggetje bezwaarlijk een formule 1-circuit noemen. Hij beweerde bij hoog en laag dat hij op de rem ging staan, omdat er plotsklaps een enorm everzwijn ─ met zijn handen toonde hij het formaat van een volwassen bizon ─ in het licht van zijn koplampen tevoorschijn sprong. Ik geloofde hem onvoorwaardelijk, want hij is allesbehalve een fantast en hij gebruikt nooit alcohol of andere verdovende substanties.

Enkele jaren geleden wemelde het hier van de everzwijnen ─ ik overdrijf, en niet zo’n klein beetje! ─ maar volgens het zeggen van stoere jagers hadden ze die uitgemoord. Tja, stoere jagers zijn aan hun eerste leugen niet gebarsten, voor hun tweede niet opgehangen en in hun derde niet gestikt.

Ik kan voortaan dus maar beter op mijn hoede zijn als ik buitenkom.

ever

Schone schijn?

Ik ben niet zo goed in het schatten van afstanden, maar ik denk dat mijn dichtste buren in uilenvlucht … eh … in vogelvlucht ongeveer tweehonderd meter bij me vandaan wonen. Ik ken die mensen niet en ik zie ze ook zelden of nooit, want ik zit verscholen in een bos, omsingeld door bomen die weinig doorkijk bieden. Bovendien ben ik nogal op mezelf. Een aantal minder gelukkige ervaringen en ingrijpende incidenten hebben mijn sociale vaardigheden behoorlijk gefnuikt.

Als de wind uit het westen waait ─ en in deze tochtige contreien is dat meestal het geval ─ kan het gebeuren dat het motorgeluid van een tuinwerktuig tot bij mijn oor raakt, of dat de brandlucht van hun barbecue mijn neus bereikt. Ik vermoed evenwel dat er onlangs nieuwe bewoners neergestreken zijn. Sinds een paar weken kan ik immers af en toe pianomuziek horen en het gekweel van een vrouw. Men zou me kunnen folteren met het soort deunen dat ze speelt. Omdat ze tot overmaat van ramp al zingend op zoek gaat naar een toon die ze niet kan vinden, vrees ik dat Hyacinth Bucket (Bouquet) daar haar intrek genomen heeft. ‘t Kan erger, hè? Of niet soms?

Zolang ze het maar niet in haar hoofd haalt om me op de koffie te vragen, of erger nog: me uitnodigt op een van haar soupertjes bij kaarslicht.

Op het liefdespad

Aan de overkant van waar ik woon, koerst het pad van de heimelijke vreugde ─ die naam heb ik eraan gegeven ─ het bos in naar een honderd meter verderop gelegen, door groeis struikgewas en kroezige heesters omsingelde poel. In de zomer van verleden jaar heb ik daar glimwormpjes als sieraden rond zien zweven en kikkers horen kwaken tegen de avondschemering. Kun je nagaan wat voor bucolisch en romantisch plekje dat is.

Ik ben natuurlijk niet de enige die kennis draagt van dit idyllische oord, waar lusten makkelijk overspringen. Mensenkinderen die elkaar hevig beminnen of gewoon zin in seks hebben, gaan er graag voor anker om er aan voorhuwelijksparen te doen. Begrijp me niet verkeerd en let vooral op de schrijfwijze van het woord: wat ik bedoel is geenszins de activiteit die men voorhuwelijkssparen — met dubbele s — noemt.

Vannacht rond de klok van enen zag ik weerom een voertuig dat weggetje inslaan. Mij bekroop de lust om voor de afwisseling even te gaan gluren — ik raak wat uitgekeken op die pornofilms — maar aangezien ik nauwelijks voyeuristische trekjes vertoon, zag ik van dat voornemen af. Bovendien schitterde de maan door afwezigheid en was het daarginds waarschijnlijk zo donker als in het gat van een neger. Ik kon bezwaarlijk een toorts meenemen. Ze zouden mij letterlijk zien aankomen! Wat viel er trouwens te bekijken aan een heupwiegende auto met beslagen ruiten? In de zomer … ja dan lagen ze soms open en bloot op het sponzige mos … maar dat zijn andere tijden.

Een halfuurtje later ging de deurbel. Ik was op mijn qui-vive en stond de late bezoeker veiligheidshalve eerst dwars door het hout heen te woord, want ik wil niet aangerand worden en toch zeker ‘s nachts niet.
─”Sorry dat ik stoor,” sprak een mannenstem, “maar ik zag nog licht branden. Kan ik soms een spade of een schop van u lenen? Ik heb me hier rechtover in de modder vastgereden.”

Ik ging met dat geile bokje en zijn vriendinnetje mee om te helpen, maar we slaagden er niet in de auto uit het slijk te bevrijden. Per mobieltje mobiliseerde hij een eveneens gemotoriseerde vriend. Die kwam hem met veel vertoon van koorden en kabels losrukken, doch verzonk eveneens in de smurrie. Een kwartier later bevonden er zich al drie onbruikbare voertuigen bij de poel …

Vanmorgen heeft een tractor ze bevrijd. Nu zat ik zo te denken … Ik heb hier twee logeerkamers die slechts af en toe mensen herbergen. Misschien moet ik die bij slecht weer ter beschikking stellen van de dolende zielen die seks behoeven en zich geen hotelkamer kunnen veroorloven. Zou dat een werk van barmhartigheid zijn waarmee ik mijn hemel kan verdienen? Moeten ze wel zelf hun lakens meebrengen.

Mazzelpik

Het is me nog niet helemaal duidelijk wat me overkomt, maar het bevalt me wel. Ik zit hier te glunderen met een jarig gezicht. O, wat ben ik opeens lustig van hart. Ik voel me zo blij als een hond met zeven pikken en zo godsgruwelijk gelukkig als een varken in de stront. De fortuin lacht me toe.

Het begon vanmorgen al, toen ik in de krantenwinkel een kraslotje van één euro kocht, de getallen ervan ontblootte en op slag het duizelingwekkende bedrag van vijf euro rijker was. Tel uit je winst! Dat zijn leuke dingen voor de mensen die het in de schoot geworpen krijgen.

Zo-even ben ik er voor de allereerste keer in geslaagd een soufflé te bakken die niet inzakte. Ik beschouw dit als een kleine overwinning en daarom heb ik ook een triomfantelijke kreet geslaakt, die evenwel grote onrust bij mijn poezen veroorzaakte, want dergelijke enthousiaste uitingen zijn ze niet van me gewend.

Als klap op de vuurpijl kreeg ik dan ook nog een bericht waar ik al niet meer op hoopte. Ik heb tegen de verwachting in een lucratief contract binnengerijfd en zit derhalve voor geruime tijd op rozen, gebakken, gebeiteld en geramd. Er zal te mijnent niet enkel brood op de plank komen, maar zelfs een bescheiden assortimentje beleg. Mijn bedje ligt gespreid en opgeschud.

Het scheelt echt niet veel of ik kom door dit alles in een luxueuze stemming. In mijn woning is er een overzichtstentoonstelling van huiselijk geluk gaande en ik geniet ervan met volle teugen en volledige inzet van al mijn zintuigen. Als ik een kat was, zou ik nu spinnen.

Nee, mijn dag kan niet meer stuk. Ik heb zin om straks iets geks te doen, maar ik weet nog niet wat. Als dat maar goed afloopt.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme