Categorie: Onderweg

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Ik vond het een genot, hoor!

Het restaurant waar ik regelmatig aanlegde om de inwendige mens te versterken ─ ik heb er hier nog geen jaar geleden het wierookvat voor bovengehaald ─ is ter ziele gegaan. Ik heb het volstrekt niet zien aankomen en ik betreur het ten zeerste. Ik dien dus noodgedwongen op zoek te gaan naar een nieuwe pleisterplaats.

Tot nu toe heeft mijn queeste twee etablissementen opgeleverd, waar het goed toeven en aanschikken is, en waar ik derhalve wellicht vaker mes en vork in stelling zal brengen.

In het rustige polderdorp Stalhille liet ik me verleiden door het praat- en eetcafé ’t Hoekske, dat zoals de naam al doet vermoeden gelegen is op de hoek van de hoofdstraat, de Cathilleweg, en de Spanjaardstraat, rechtover de kerk. Ik verorberde er onder meer de huisbereide rijstschotel met zalm in een ‘Stalhilnoisesausje’. Dat was ongegeneerd lekker en het sausje met de rare naam was zo melodieus dat ik er bijna lyrisch van werd. Ik kan jullie het gerecht dan ook van harte aanbevelen.

In Wijnendale, aan de rand van het fameuze wandel- en fietspad Groene 62, heeft in het voormalige stationsgebouw de Tearoom-Brasserie Wijnendale Station onlangs de deuren geopend. Ik ben er verleden week neergestreken en ik heb er onder meer de scampi van het huis verorberd: een bezigheid die zeer zeker voor herhaling vatbaar is en die ik dan ook graag een aanprijzing meegeef.

In beide gelegenheden zul je een kraakzindelijk en gezellig interieur aantreffen. Je betaalt er een schappelijke prijs voor uitstekend voedsel. Het personeel bezit er het geheim om precies het juiste midden te bewaren tussen professionele afstand en menselijke warmte.

Meer moet dat volgens mij niet zijn. Allen daarheen!

Zoals d’ouden zongen …

Zij wandelde en er liep een indrukwekkende hond aan haar zijde.

Ik fietste en er bevond zich een fonkelend rijwiel tussen mijn benen en onder mijn billen.

Onze wegen kruisten elkaar letterlijk want het gebeurde op een kruispunt. Zij hield halt om me door te laten en verwachtte van haar hond dat hij van die halte gebruik maakte om te gaan zitten. Het dier vertikte dat echter en dat was niet naar haar zin.
─”Wat moet je doen?!” klonk het berispend uit haar mond.

Op dat moment dook mijn moeder op uit de nevelen van de tijd en ze fluisterde me iets in het oor.
─”Wat je moet doen!” riep ik. “Op je eieren zitten en broed’n, zoals alle klokhennen doen.”
Het was de dooddoener waarmee mijn moeder alle vragen die op ‘doen’ eindigden placht te beantwoorden.

Het meisje staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.

De hond aan haar zijde ging zitten.

Mijn moeder fladderde met frivole vleugelslag terug naar de hemel.

Ik schoot in de lach, genoot van de verbazing die ik oogstte en vervolgde vrolijk mijn weg.

Ik kan zo het gesticht in.

Mijn auto, mijn vrijheid?

De meeste jaagpaden langs kanalen en andere waterlopen zijn luidens verkeersborden voorbehouden aan personen die zich per benenwagen of per rijwiel verplaatsen. Morgen brengen! Vanmorgen fietste ik ongeveer twaalf kilometer langs zo’n pad en diende ik minstens vijftig keer uit te wijken, of zelfs halt te houden, voor een auto. Vanwege dat grote aantal verwachtte ik dat ik binnen de kortste keren een agglomeratie ter grootte van New York op mijn weg zou aantreffen, maar dat was niet het geval. Ik passeerde nauwelijks een dozijn huizen.

Het valt derhalve niet te ontkennen dat steeds meer chauffeurs de verkeersborden aan hun laars lappen en de jaagpaden als sluipweg gebruiken. Dat is een bedenkelijke evolutie en ik ben er als kwetsbare weggebruiker hoegenaamd niet blij mee. Ik vraag me af hoe automobilisten zouden reageren als wij, fietsers, wandelaars en joggers, ons in jolig en ongeordend groepsverband op autowegen zouden vermeien.

Hoe sla je een modderfiguur?

Niet zo ver bij me vandaan ─ een fikse boogscheut moet volstaan ─ slingert er zich een brutale fietsweg doorheen het bos. In het jargon heet dat ding een mountainbikepad, maar daar doe ik niet aan mee, want jullie weten inmiddels dat ik een gloeiende siroophekel aan Engelstalige benamingen heb. Er is daar trouwens in geen velden of wegen een berg te bespeuren, laat staan een mountain. De MTB-route (MounTainBikeroute) is wel voorzien van andere geografische ongemakken, zoals bijvoorbeeld een ondiepe kuil, waarvan de zompige bodem bezaaid is met putten vol modder, tot groot jolijt van de beoefenaars van het bergfietsen ─ of zullen we het terreinfietsen noemen? ─ die graag hun kunstjes aan de wereld willen tonen.

Toen ik daar kwam, dook net een jongeman, die nogal wat wind maakte, met veel bravoure de kuil in. Hij slaagde erin heelhuids de overkant te bereiken. Zijn gezellin sloeg zijn prestatie op een afstand gade en bereidde zich vervolgens voor om hem te volgen.
“Als je in een van die putten terechtkomt,” instrueerde hij, “moet je onmiddellijk naar een lagere versnelling schakelen en trappelen, trappelen, trappelen …”
Ze nam een aanloop en suisde de kuil in. Ze kwam in zo’n put terecht, of wat hadden jullie gedacht? Ze schakelde naar een lagere versnelling. Ze trappelde en trappelde en trappelde zich ongeveer het leplazarus, maar ze bleef desalniettemin steken. Ze kapseisde voortvarend en plofte bijna statig in het slijk. Flotsj! Haar instructeur barstte uit in een lachsalvo dat men vermoedelijk op de schaal van Richter kon waarnemen, waardoor ze vierkant uit haar dak ging en in een vlaag van mooie razernij haar metgezel met handvollen modder bekogelde.    

Ik heb eveneens hartelijk gelachen, al heb ik daar wijselijk mee gewacht tot ze me niet meer kon zien of horen. Ik ben in de eerste plaats keurig netjes opgevoed en in de tweede plaats wilde ik niet het risico lopen dat ze me ook met smurrie bestookte. De hel is niets vergeleken met een vrouw die op wraak zint.

Losse flodders

Tijdens mijn wandel- en fietstochten laat ik mijn gedachten de vrije loop en die gaan me daar toch een gang! Je leven zo niet! Om niets verloren te laten gaan van mijn als steekvlammen oplaaiende hersenarbeid heb ik altijd een digitaal dicteerapparaatje op zak en zodoende ook binnen handbereik, waaraan ik al mijn zielenroerselen toevertrouw, om die na afloop thuis te ziften en wat ervan overblijft als aantekeningen te bewaren voor als die ooit eens te pas komen.

Laten we even kijken wat ik verleden zondag zoal geoogst heb. Eos, de rozenvingerige dageraad ─ ja, ik dweep nog steeds met Homerus en andere oude Grieken ─ liet er geen twijfel over bestaan dat er een weldadige decembermorgen op til was, dus begaf ik me per benenwagen op weg om baldadig door herfstblaren te stappen, door weilanden te soppen en dartel in de natuur rond te raggen. 

Onderweg registreerde ik hetgeen volgt:

1.
Het valt me op dat er dit jaar bijzonder weinig kerstversierde tuinen, bomen en huizen te zien zijn. Zelfs de adventskransen op de voordeuren ontbreken. Ik sprak met een man die zich gewoonlijk aan buitenissige decoratie pleegt over te geven, maar nu geen aanstalten maakt om ook maar iets op te tuigen. Hij verklaarde ronduit dat hij bang is dat religieuze fanatiekelingen, die Kerstmis als een aanfluiting beschouwen, zich aan zijn eigendom zullen vergrijpen. Bij een vriend van hem hadden zulke onverlaten immers een zich buitenshuis bevindende kerststal vernield en tevens een ruit van zijn woning ingegooid. Is het werkelijk al zover gekomen?

2.
Waarom vertonen de meeste fietsers zo’n afgezakt smoel en een getourmenteerde gelaatsuitdrukking? Ruiken ze iets smerigs of zo? Ze moeten van mij niet onbedaarlijk veel plezier in het leven hebben, maar ze mogen toch best wat vrolijker kijken.

3.
Als mijn fiets een raar geluidje produceert, kan ik me daar verschrikkelijk over opwinden en moet dat meteen verholpen worden. Sommige mensen verplaatsen zich echter op ongegeneerd piepende, tikkende, kreunende en jammerende rijwielen en storen zich daar blijkbaar niet aan. Ik zou er het spetterend van krijgen.

4.
De meeste wegen brengen je langs keurige woningen met verzorgde voortuintjes. Fiets- en wandelpaden daarentegen voeren je soms langs de achterkant van diezelfde huizen. Je kunt je eigen haast niet indenken wat je daar allemaal aantreft aan rare bouwsels, afvalbergen en hopen schroot. Volgens mij staan er trouwens meer badkuipen in Vlaamse weiden en achtertuinen dan in Vlaamse badkamers.

Persmuskiet

Toen ik in Oudenburg langs de Zeeweg fietste, dook er plots een bebaarde man op, die mij met molenwiekende armen verzocht halt te houden en me aansprak toen ik dat deed:
─”Meukekiè utwa vroah’n? Ziej van de stroate?”
Ik vertaal het even voor mijn lezers die het West-Vlaams niet beheersen: “Mag ik eens wat vragen? Ben je van de straat?”

Ik schoot in de lach en zei dat ik dat een nogal onbescheiden vraag vond. ‘Van de straat zijn’ betekent in West-Vlaanderen ─ en allicht ook in andere Vlaamse contreien ─ dat men verloofd of getrouwd is. Hij haastte zich om te beweren dat hij het niet zo bedoelde, maar gewoon wilde weten of ik in de straat gehuisvest was, hetgeen ik vanzelfsprekend al begrepen had, maar zo’n woordspeling kon ik onmogelijk laten liggen.
─”Wel dan,” grijnsde ik, “ik ben niet van de straat en ik ben ook niet van de straat.”
─”Dan zul je me vermoedelijk niet kunnen helpen”, veronderstelde hij. “Gisteren zou men in deze straat een illegale slachterij van schapen ontdekt hebben en ik ben hier in mijn hoedanigheid van journalist. Je weet er wellicht niet meer over, wel?”
─”Het is het eerste wat ik hoor”, schokschouderde ik, waarna ik zijn dankwoord in ontvangst nam en mijn weg vervolgde.

Ik heb later op de dag via Google vernomen dat er in die straat werkelijk op ontoelaatbare wijze schapen geslacht werden. Het artikel was verlucht met een foto van de schuur in kwestie en ik herkende die. Ik ben er tientallen keren voorbijgereden en ik meen me zelfs te herinneren dat ik daar in doodsnood verkerende schapen luidkeels heb horen blaten. Of beeld ik me dat in?

Mijn moeder heeft altijd gezegd dat mijn inlevingsvermogen te groot is.

Blindvaren

De ranke boot sneed zich een weg door het water. Aan boord bevonden zich acht moderne galeislaven en een stuurmannetje, dat bij nader toezien een stuurvrouwtje bleek te zijn. Vanaf het jaagpad op de oever werden ze op toezichthoudende wijze bijgestaan door een man op een fiets, die zich van een megafoon bediende om op dictatoriale wijze bevelen en richtlijnen over te brengen. Die roeptoeter bezeerde in niet geringe mate de stilte waarin het kanaal zich placht te hullen en was eigenlijk volstrekt overbodig, omdat de roeiers zich ruim binnen de gehoorsafstand van een onversterkt stemgeluid bevonden.   
“Als ik ja zeg,” riep het heerschap, “doen jullie tien slagen met de ogen dicht en dan kijken jullie of jullie in mekaars ritme gebleven zijn. Ik zal nu ja zeggen. Ja!”

Zijn geroeptoeterde ja was nog niet helemaal koud of er ontstond een groot geharrewar van roeispanen en armen aan boord van het vaartuigje, dat van de weeromstuit vervaarlijk begon te wiebelen. Het was zelfs voor een leek als ik overduidelijk dat de inzittenden niet de kunst verstonden om in mekaars ritme te blijven als ze de ogen sloten.

Gelachen dat ik heb! Ik vraag me trouwens nog steeds af welk nut dat blindvaren zou kunnen hebben. En die roeptoeters mogen ze van mij met onmiddellijke ingang verbieden.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.  
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

starnakel

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme