Categorie: Kroeglopen

Haastige spoed …

Ik had me bij een raam van de dorpskroeg neergelaten, wachtte op de persoon met wie ik een afspraak had en staarde enigszins verveeld naar buiten.

Veel gebeurde daar niet, tot opeens een jongeman zijn auto parkeerde aan de overkant van de straat, het voertuig ontsteeg, het kofferdeksel opende en vier velgen met bijbehorende banden opdiepte, die hij tegen een huisgevel liet aanleunen.

Vervolgens tilde hij een van die wielen op en zeulde het logge ding niet zonder moeite naar een verderop gelegen woning, waarna hij op zijn stappen terugkeerde, om zich van een tweede exemplaar te voorzien en het weg te brengen.

Toen hij zich daarna bij de twee overgebleven wielen aanmeldde, kreeg hij plots een lumineus idee. Hij pootte de banden aan weerszijden van zijn lichaam neer en begon die voort te rollen.
Dat kan nooit goed blijven gaan, dacht ik toen hij een plek naderde waar de stoep met een flauwe helling naar een zebrapad afdaalde.
Ik kreeg nog gelijk ook. Een van de wielen maakte van het afdalinkje gebruik om te ontsnappen. De jongeman probeerde dat te verhinderen met een bliksemsnelle arm- en handbeweging, maar op dat moment zakte zijn habbezakkerige trainingsbroek neerwaarts en omdat hij geen ondergoed droeg, stond hij daar piemelnaakt te kijk.

Hij probeerde inderhaast orde op zaken te stellen, maar ik had al naar het vogeltje gekeken en nu kan ik alleen maar hopen dat ik er mooi op sta.

Hoe leuk is sterven van het lachen?

Wie was Jacques?

smicob2

Ik keer nog even terug naar het stukje dat ik hier verleden donderdag plaatste en meer bepaald naar de tekening, die ik gebruikte om de tekst te verluchten en die ik hierboven in een ietwat vergrote versie herhaal. Er is namelijk een anekdote aan dat portret verbonden.

Het moet ondertussen meer dan twintig jaar geleden zijn dat ik in een drenkplaats, waar ik af en toe mijn neus liet zien en natuurlijk ook de rest van mijn lijf, een gesprek aanknoopte met mijn buurman aan de tapkast. De man zal een jaar of twintig geweest zijn, vermoed ik, en hij heette Jacques. De inhoud van ons gesprek herinner ik me niet, maar de koetjes en de kalfjes zullen wellicht aan bod gekomen zijn, net als het weer. We zaten zo’n uur of twee tegen elkaar aan te kakelen en op te proosten, maar toen scheidden onze wegen.

Toen ik enkele weken later opnieuw in die kroeg kwam, vernam ik van de kastelein dat er iets voor me afgegeven was. Hij overhandigde me een map, waarin ik de tekening in kwestie aantrof. Het met een papierklem eraan bevestigde kattebelletje luidde: “Nog bedankt voor de leuke babbel. Jacques.”

Het mag gezegd dat de gelijkenis treffend was. Je kon de afgebeelde kop meteen als de mijne herkennen. Men moet ongetwijfeld over een uitzonderlijk visueel geheugen en veel talent beschikken om iemand na nauwelijks twee uur helemaal uit het hoofd en zo raak af te beelden.

Ik vroeg de kastelein of hij me wat meer over die Jacques kon vertellen. Dat kon hij, maar hetgeen ik van hem vernam, vervulde me met verbijstering en was absoluut niet wat ik wilde horen. Jacques was een week eerder aan een overdosis gestorven.

Hij is dus al twintig jaar dood, maar ik heb zijn tekening ingelijst en die hangt nog steeds op een ereplaats in mijn bureau. Af en toe mag ik er graag naar kijken.

Waarom, zo vraag ik me af, heeft hij me eigenlijk als een slang afgebeeld? Ik zal het nooit weten.

Vuile manieren – 2

Binnenkort reis ik opnieuw en nog maar eens naar mijn geboorteland: Argentinië. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dit keer doe ik het echter niet in mijn eentje. Een getrouwe vriend, met wie ik al heel lang kan lezen en schrijven, zal me vergezellen. Om alvast wat te oefenen begaven we ons gisteren naar een Argentijns restaurant. Daar lieten we ons een typisch, want uit de criollokeuken afkomstig, gerecht voorzetten: de locro.

Wat we opgedist kregen, zag eruit als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en getuigde van gekruide agressie. Na één hap moest je je inhouden om niet tegen het plafond te vliegen, of van een rots te springen, verondersteld natuurlijk dat je je in de buurt van zo’n geografisch ongemak bevond. Ik heb me in mijn leven al vaak aan locro vergrepen en … ik heb er haar van op mijn borst gekregen.

Het duurde dan ook niet lang of we hadden beiden dooie katten in de mond. We vergingen van de dorst en zagen ons genoodzaakt een drenkplaats op te zoeken, waar we ons elk over een braaf glas agrum van Schweppes ontfermden. Als ik over een pracht van een dorst beschik, durf ik nogal eens mijn toevlucht te zoeken tot en mijn keel te smeren met een koele agrum, want dat is volgens mij de dorstlesser bij uitstek.

Nu heeft mijn vriend zich in de loop der jaren een aantal hebbelijkheden eigen gemaakt. Ik trouwens ook, maar daar gaat het vandaag niet over. Een van zijn eigenaardigheden is het uit een glas opvissen van citroen- of sinaasappelschijfjes, om het vruchtvlees ervan weg te knagen en de schil vervolgens opnieuw in het glas te deponeren. Het is me een gezicht!

Onze dorst bleek groter dan gedacht, dus bestelde ik een tweede agrum, terwijl mijn gezel op pils overschakelde. Jullie kunnen nooit raden wat er toen gebeurde. Mijn vriend kreeg zijn blonde rakker en ik een agrum … waarin de schillen dreven, die kort daarvoor door hem van hun vruchtvlees beroofd waren. Ik diende de kelner vanzelfsprekend een uitbrander toe. Stond hij nog te lachen ook.
“Zal ik me van kant maken?” vroeg hij, maar toen ik hem mesblikken toewierp, besloot hij toch maar de  agrum te vervangen.

Ik liet die onaangeroerd en ben even later op hoge poten vertrokken. Mij zien ze daar alleszins niet meer.

Leid me niet in bekoring

Ik begaf me naar de Tourmalet. Voor een goed begrip: ik reisde niet naar het diepste zuiden van Frankrijk, om daar de Pyrenee met die naam te beklimmen, maar ik wendde de steven naar een restaurant dat eigenlijk O’Tourmalet heet, maar in deze contreien door vrijwel iedereen Den Tourmalet genoemd wordt, want dat bekt lekkerder.

Dat horecabedrijf was eertijds de thuishaven van wielrenner Sylveer Maes, die in de jaren dertig van de vorige eeuw twee keer de Tour de France won. Vandaag de dag voeren Magda en Marcel er de scepter en ik heb het hier al eerder vermeld: je kunt er verdraaid lekker eten voor een schappelijke prijs. Ik koos de suggestie van de week: een scampibrochette met saffraansaus en frieten. Terwijl ik zat te smikkelen en te smullen kwam de vrouw des huizes naar me toe.
“Kan het je bekoren?” informeerde ze vriendelijk.

Kijk, dat vind ik nu eens een veel originelere manier om naar iemands bevindingen omtrent voedsel te vragen, dan de gebruikelijke en dus clichématige formules: Is het lekker? Smaakt het? Of zelfs: Is alles naar wens?

Het gerecht kon me zeer zeker bekoren. Ik was er zelfs dusdanig enthousiast over dat ik het zoutvat op mijn tafel een optater van je welste gaf, zodat het op de vloer smakte en openbarstte in wel duizend gruzelementen.

Blikskaters! Wat ben ik toch een frulleman! Nu ja, Magda en Marcel kennen hun pappenheimers en ze zullen ondertussen al weten dat niemand ooit mijn geknoei zal overtreffen. Of mijn gestoethaspel iemand kan bekoren, durf ik toch te betwijfelen.

Laat je niet kennen!

Ze was zo bejaard dat ze de Dode Zee nog gekend had toen die nog leefde, maar ze glunderde haar ouderdom weg. Haar gezicht vertoonde wellicht meer rimpels dan dat van een Egyptische mummie, maar die had ze vakkundig onder make-up bedolven. Ze stapte het restaurant binnen, begaf zich met resolute tred naar een tafeltje, installeerde zich en bestelde op kordate wijze een mojito, al vergiste ze zich wel even in de benaming van dat drankje, door de j als j en niet als g te gebruiken.

Even later maakte ze kenbaar dat haar keuze op mosselen in witte wijn gevallen was. Ze kreeg er een volle pot van, die vergezeld was van frieten, een slaatje en een karaf huiswijn. Ze bediende zich van een aantal frieten, wat sla, enkele schijfjes tomaat en een flinke klodder mosselsaus, maar merkte niet dat ze het zootje naast het bord op het tafellaken deponeerde. Een wit bord op een ondergrond van wit damast is geen ideale combinatie als je ogen je in de steek laten.

De kelner hielp haar uit de brand, maar even later stootte ze haar glas om en de inhoud ervan kwam in haar schoot terecht. Wrijvend, deppend en bettend probeerde ze zich te fatsoeneren. Hoewel ze het vervolgens op een geweldig eten zette, slaagde ze er niet in om de mosselpot leeg te ratsen, dus informeerde ze of ze wat overbleef mee kon nemen. Dat kon. Een emmertje met deksel bood uitkomst. Ze was zelfs heel blij met dat emmertje, want dat kon ze achteraf meenemen als ze haar man bezocht op het kerkhof.
“Ik ben nogal ‘kerkhofachtig'”, glimlachte ze verontschuldigend. “Zo’n emmertje is handig om de bloemen op het graf te begieten, maar de beschikbare emmertjes verdwijnen daar als sneeuw voor de zon.”

Ze vertrok met het optimisme van een missiepater, zij het met een iets onvastere tred dan bij het binnenkomen. Een mojito en een halve liter wijn ─ min één glas ─ kunnen dat teweegbrengen, maar ze hield zich kranig. Niet versagen, mevrouw!

Niet versagen!

Het restaurant waar ik zo nu en dan mes en vork in stelling breng, behelsde slechts vijf mensen: de ‘patron’, een kelner, twee heren die voortdurend in zakelijke gesprekken verwikkeld raakten en jullie nederige dienaar. Opeens echter zwaaide de deur open en er dobberde een schriele zestiger binnen, op onzekere benen en een stok.

Met enig gestommel nam hij plaats aan een tafeltje in mijn gezichtsveld en hij bestelde het menu van de dag. Prompt kreeg hij de daarbij horende kom soep voorgezet. Hoewel de man dapper lepelde, slaagde hij er nauwelijks in soep tot bij zijn mond te brengen. Parkinson bemoeide zich immers met zijn handen en hij spreidde een niet te onderschatten tremor tentoon, waardoor hij bijna letterlijk op zijn honger bleef zitten. Na veel gemors en geklieder vatte hij de kom tussen beide handen en dronk die leeg.

Ook de rundertong in maderasaus en de puree struikelden voortdurend van zijn vork, maar de man zette door met engelengeduld, of was het de moed der wanhoop?
“Laat je niet kennen!” moedigde ik hem binnensmonds aan, al had ik het eerlijk gezegd wel met hem te doen.

De koffie ging vergezeld van een glaasje advocaat en hij gaf te kennen dat hij geen alcohol mocht gebruiken, waarop de kelner hem op eigen initiatief een gebakje bezorgde, wat ik wel fideel van hem vond. De man begon het taartje te verorberen … nu ja, dat probeerde hij althans, want jullie hebben ongetwijfeld al begrepen wat er gebeurde.

Ik smeek de goden op mijn blote knieën dat ze me behoeden voor Parkinson en terwijl ze toch bezig zijn ook voor opa Alzheimer en oma Dementieva.

Eten in zwart-wit

“Zullen we daar wat gaan eten?” vroeg ik.
“Doen!” antwoordde ik, want niemand vergezelde me en ik had de vraag dus aan mezelf gesteld.

Ik betrad het restaurant, nam plaats aan een tafeltje en trakteerde mezelf op een Campari-soda, het suggestiegerecht, zijnde scampi diabolique, een half litertje witte wijn, een punt warm appelgebak met slagroom en een koffie. Ik sloeg dat alles doodgemoedereerd in mijn slabbaris, zat nog wat uit te buiken, vroeg toen de rekening en kreeg dit:

rekening

Geen elegante kassabon en geen btw-briefje, maar een ordinair flardje papier met een nogal onbeholpen samenvatting van wat ik verorberd had. Of is dit de afrekeningsnota van zo’n geregistreerde of witte kassa, waarmee men het zwartwerk in de horeca wil uitroeien?

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme