Categorie: Kippenvellen

Daar wordt een mens ook niet vrolijk van

Het gebeurt zelden dat ik in herhaling val, maar als ik het vandaag toch doe, heb ik daar vanzelfsprekend een gegronde reden voor. Ik ben even in mijn archief gedoken, om daar onderstaand schrijfsel van bijna zeven jaar geleden op te vissen:

Een vonkje tederheid

Sommige mensen verblijden de wereld en hij is zo iemand.

Hij zal een jaar of elf zijn, schat ik, en hij heeft een sympathieke kop. Zijn haren zijn blond als koren in de zomer en met zijn fjordenblauwe ogen tergt hij de hemel. Ik zie hem bijna iedere morgen naar school lopen in het gezelschap van een meisje, dat vermoedelijk zijn jongere zus is, want ze lijken sprekend op elkaar. Haar hand woont ononderbroken in de zijne en hij beteugelt voortdurend zijn tred, zodat ze hem gemakkelijk kan bijhouden.

Vanmorgen liet hij plots haar hand los. Hij hurkte neer, trok een van haar schoenen uit en verwijderde met een bijna strelend gebaar het steentje dat haar voetzool irriteerde. Even later liepen ze verder. Ze zei iets. Hij antwoordde. Haar gezicht glansde als een lamp van duizend watt. Ze keek naar hem op met de grote ogen van de onschuld en ze had opeens lachende kuiltjes in de wangen. Hij was haar grote broer. Ze vertrouwde hem als geen ander en ze wist nu al dat hij haar nooit in de steek zou laten. En elke dag hing hij de zon voor haar op.

Gisteren vond de jongen in kwestie ─ ondertussen achttien jaar jong ─ dat zijn leven niet langer de moeite loonde en hij zette er een punt achter. Dat is toch te treurig voor woorden. Het heeft me van mijn à propos gebracht.

Een wel zeer degelijk fietsslot

Het overkomt me slechts zelden dat ik in mijn proviandkasten op een lacune stuit, waar ik ongerief van ondervind, of waardoor ik in het uiterste geval enige keukenarbeid moet staken vanwege een ontbrekend ingrediënt. Vanmorgen was dat echter het geval. Ik had me voorgenomen om mezelf ’s middags op Tikka Masala te vergasten – een zeer door mij gewaardeerd kipgerecht uit de Indiase keuken – en was al met het klaarmaken ervan begonnen, toen bleek dat ik geen garam masala te mijner beschikking had, hetgeen een essentieel kruidenmengsel voor die bereiding is.

Edoch, daarom niet getreurd. Ik kon niet over een auto beschikken, dus hees ik me op mijn fiets en trapte me doorheen de vrieskou naar een supermarkt. Binnen de kortste keren had ik me bevoorraad, maar toen ik bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand daar een hond neergepoot te hebben en dat beest ─ van een model waarop een zadel niet zou misstaan ─ had zich kennelijk voorgenomen om mijn rijwiel met hand en vooral met tand te verdedigen. Telkens als ik een poging ondernam om me mijn bezit toe te eigenen, zette dat mormel het op een vervaarlijk grommen en een vertoon van een blikkerend roofdiergebit. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag. Dan gebruik je eens een milieuvriendelijk vervoermiddel om boodschappen te doen.

Toen ik daar bijna vijf minuten stond, heb ik mijn goeie gedrag gelaten voor wat het was. Ik ging opnieuw de supermarkt binnen en liet er omroepen dat de eigenaar van die beveiligingsinstallatie dringend verzocht werd om zijn viervoeter tot andere gedachten te brengen, hetgeen niet veel later geschiedde.

Hij mag zich gelukkig prijzen dat ik een hondenliefhebber ben, want anders …

Nu ja, anders … Ik zou het niet weten.

Nachthengsten

Ik slaap – lang – twee à drie uur – dan komt er een droom – nee – een beklemmende nachtmerrie. Ik voel goed dat ik in bed lig en dat ik slaap … Ik voel het en ik weet het … en ik voel ook dat iemand op me afkomt, naar me kijkt, me betast, op mijn bed klimt, op mijn borst knielt, mijn hals tussen zijn handen neemt en knijpt … uit alle macht knijpt om me te wurgen.
Ik verdedig me, maar die afschuwelijke onmacht die ons in onze dromen verlamt, houdt me vast; ik wil roepen – ik kan het niet – ik wil bewegen – ik kan het niet – uit alle macht, hijgend, probeer ik me om te draaien, dat wezen dat me verplettert en verstikt van me af te werpen – ik kan het niet!
En plotseling word ik wakker, vertwijfeld, badend in het zweet. Ik steek een kaars aan. Ik ben alleen.
Na die crisis die elke nacht terugkeert, slaap ik eindelijk rustig tot de ochtend.
Guy de Maupassant

In februari van dit jaar verscheen hier het pennenvruchtje: Ik droomde dat ik sliep. Daarin maakte ik melding van een hoogst merkwaardig fenomeen, waardoor ik ’s nachts schijnbaar ontwaakte, me bedreigd voelde door een onmiskenbaar kwaadaardige aanwezigheid in mijn kamer, maar geen vin kon verroeren en dus weerloos overgeleverd was aan de moordzuchtige demon, tot ik er ten prooi aan levensgrote paniek in slaagde om mijn lichaam het bed uit te schuiven en te ontwaken toen ik met een smak op de vloer terechtkwam.

Het is helaas niet bij die ene keer gebleven. Wel integendeel! Ik heb sindsdien steeds vaker last van dergelijke nachtmerries. Wat zeg ik?! Dat zijn geen nachtmerries meer, dat zijn regelrechte nachthengsten. Ik begeef me iedere avond met tegenzin naar bed, bang voor wat er misschien aan zit te komen, en ik zie me genoodzaakt om het ledikant met kussens te omringen, zodat ik in voorkomende gevallen minder brutaal te gronde ga.

Ik heb er met mijn dokter over gesproken. Tot mijn verbazing wist hij meteen waar ik het over had en hij kon het fenomeen zelfs benoemen met een geleerde naam, slaapparalyse, en met het Nederlandse equivalent ervan: slaapverlamming. Hij bazelde ook nog wat over hallucinaties en hypnagogische waarnemingsstoornissen, maar verklapte toen opeens dat hij er eveneens last van had. Hoewel het verschijnsel al sinds mensenheugenis bestaat, is het nog relatief onbekend. Men weet vooralsnog niet wat de oorzaak ervan is, of hoe men het kan onderdrukken. Hij gaf me de raad mee om vooral niet in paniek te raken als het gebeurde, maar rustig te proberen om eerst één vinger te bewegen, vervolgens de hele hand, daarna de arm … enzovoorts en zo verder.

Ik vond dat een nogal onnozele remedie en ik had er dan ook bedenkingen bij, maar tijdens de voorbije nacht kon ik die aan de praktijk toetsen en het is me warempel nog gelukt ook: ik ben ontwaakt zonder uit mijn bed te vallen.

Raymond en het spookhuis

Op 7 november van verleden jaar publiceerde ik hier, in Het spookhuis, een drietal foto’s van een vermeend spookhuis dat ik tijdens een fietstocht op mijn weg ontmoette. Enkele dagen later, op 11 november, wijdde ik een schrijfsel ─ Ju! ─ aan de betreurenswaardige lotgevallen van een boer, Raymond Declerck, die in de buurt van dat spookhuis onder zijn eigen kar terechtkwam, dientengevolge schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselde en voor wie men op de plaats van het onheil een soortement gedenkteken heeft opgericht. Ik fantaseerde er toen lustig op los over de manier waarop er een einde aan zijn leven kwam.

Vandaag kan ik jullie uitsluitsel geven omtrent de juiste toedracht van zowel de lugubere woning als het verscheiden van Raymond. Ik kwam onlangs immers opnieuw op die plek terecht, waar de eigenaar van het griezelhuis uitgerekend op dat moment bezig was de ramen te lappen. Ik kneep de remmen dicht, hield halt, verontschuldigde me voor het storen en vroeg vriendelijk om tekst en uitleg.

Zijn optrekje bleek hoegenaamd geen spoken of geesten te huisvesten. Het bordje ‘haunted house’ was daar indertijd neergepoot door een niet nader genoemde vereniging, toen die ter gelegenheid van Halloween een ijzingwekkende zoektocht organiseerde. Ik verborg meesterlijk mijn teleurstelling en vroeg of hij me meer kon vertellen over de arme Raymond, die vijftig meter verderop in lang vervlogen tijden aan zijn droevige eind kwam. Dat kon hij. Raymond was inderdaad starnakelzat geweest toen hij van de molen in Klemskerke terugkeerde, maar er was geen meelzak van zijn kar gevallen. Nee, Raymond was zelf met zijn dronken kloten (sic) van zijn voertuig getuimeld en onder de wielen terechtgekomen, met alle gevolgen van dien.  

Ik vond dat Raymond deze rechtzetting verdiende, al kan ik niet ontkennen dat ik mijn versie van zijn ongeluk leuker vond. Nu ja, leuker …

Die neergedaald is ter helle …

Een vraag die vrijwel iedere dag tijdens de ochtenduren door mijn schedel waart, is: Wat zal ik vanmiddag eens eten? Meestal heb ik er geen moeite mee om een keuze te maken, want ik ben met weinig tevreden. Ik nam me voor om me vandaag aan een frietje met stoofvlees en met mayonaise gefatigeerd witlof te verlustigen.

Toen de frituurpan aangaf dat ze er klaar voor was en ik aanstalten maakte om er mijn patatjes aan toe te vertrouwen, daalde er uit de afzuigkap plots een grote trilspin neer en dat stupide mormeltje dook regelrecht de hete olie in, hetgeen niet meer dan een nauwelijks hoorbaar sisgeluidje teweegbracht. Ik stond erbij en ik keek ernaar.

Ik heb vanmiddag derhalve geen frieten gegeten. In plaats daarvan heb ik enkele aardappelen gekookt. Straks zal ik de olie verversen. Het valt met geen woorden te beschrijven welke gloeiende siroophekel ik aan dat klusje heb. Bah, wat een gekleuter, om van het geklieder nog te zwijgen.

Volgens een hardnekkig broodjeaapverhaal zou ieder mens jaarlijks vier tot acht spinnen verorberen tijdens zijn slaap. Doe mij dan maar een gefrituurd exemplaar.

Om je dood te schrikken

Achter me, in de rij aan de kassa van de supermarkt, hoorde ik een stem waarvan het timbre me bekend in de oren klonk. Ik keek achterom en daar stond mijn vader, of toch iemand die als twee druppels water op hem leek, want mijn vader is al heel lang dood en ik geloof niet in verrijzenissen of wedergeboortes.

Er voor een schok van herkenning door me heen en ik wist even niet goed waar ik het had. Met verbijstering staarde ik de man aan, want de gelijkenis was buitengewoon treffend. De dubbelganger vond mijn belangstelling voor zijn persoon maar niks.
“Heb ik wat van je aan?” vroeg hij bars. “Of heb ik soms een tweede kop gekregen?”

Nee, mijn vader was niet uit de doden opgestaan, want hij was een veel vriendelijker mens.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit zouden ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet.

Het lijk in het maisveld

Ik wil me niet met akkerbouw en veldarbeid bemoeien, want dat is mijn fort niet en ik zou bij wijze van spreken onder distels en doornen zaaien. Desalniettemin ben ik van oordeel dat men in onze contreien veel te veel mais teelt. Dat hoogbenig gewas belemmert vaak het uitzicht op kruispunten en in scherpe bochten, wat soms voor gevaarlijke toestanden zorgt … en meer heb ik daarover niet te zeggen.

De titel van dit schrijfsel zou door Agatha Christie bedacht kunnen zijn, maar ik heb die helemaal zelf verzonnen en ik zal jullie vertellen hoe dat zo komt.

Tijdens een fietstocht gaf mijn gps er de brui aan, dus bracht ik mijn fiets tot stilstand op een weggetje dat zich als een aal in doodsnood tussen maisvelden kronkelde. Terwijl ik bezig was orde op zaken te stellen, weerklonk plots het belsignaal van een telefoon, hetgeen me zeer bevreemdde, want ik bevond me in Nergenshuizen en er viel in geen velden of wegen iemand te bespeuren. Het geluid hield op, om luttele seconden later opnieuw van zich te laten horen.
“Is hier iemand in de buurt?” riep ik in de richting van de plek waar het gerinkel vandaan kwam.
Ik kreeg geen antwoord.

Ik maakte aanstalten om tussen de maisstengels op zoek te gaan naar de oorsprong van dat signaal, want vermoedelijk lag daar ergens een mobieltje, maar ik voegde de daad niet bij de gedachte. Hoe was dat ding daar in vredesnaam terechtgekomen? Het is een vraag die me blijft bezighouden en ondertussen bedenkt mijn lenige, ja zelfs ongebreidelde fantasie daar zelfs een afrekening in het milieu bij, met een lijk dat men in het maisveld gedumpt heeft, om er vanaf te zijn.

Het zijn wrede tijden.

Het roggeventje

Ik keer even terug naar een zalig vroeger, toen de menselijke aanfluiting, Dutroux genaamd, nog geen dood en vernieling gezaaid had en jongelui zich nog makkelijk aan al dan niet ouderlijk toezicht konden onttrekken, om vrijelijk en naar hartenlust rond te raggen.

Het dorp waar ik opgroeide en domweg gelukkig was, werd omsingeld door lommerrijke bossen, uitgestrekte landerijen en grazige weiden. Geregeld dook ik in mijn eentje, of samen met wat vrienden, de weidse natuur in en telkens als ik thuis vertrok, gaf mijn moeder me een schalkse waarschuwing mee:
“En oppassen voor de roggeventjes, hoor!”

Roggeventjes waren, toch zeker in het deel van West-Vlaanderen dat men het Houtland noemt, gemene schepseltjes die zich, zoals de naam al doet vermoeden, in roggevelden schuilhielden en zich meester maakten van kinderen die zich in het koren waagden. Wat ze met hun prooien aanvingen verzweeg men wijselijk.

Ik heb nooit ofte nimmer zo’n roggeventje waargenomen, tot ik gisteren plots …

roggeventje

Kun je nagaan hoe snel ik daar mijn matten opgerold heb.

koren

Hommeles

Ik loop eens even het bos in, dacht ik bij mezelf en ik voegde meteen de daad bij de gedachte. Nu ja, veel moeite hoefde ik daarvoor niet te doen. In dichte drommen omsingelen bomen mijn woning en als ik pakweg vijftig stappen buiten de deur zet, bevind ik me tussen stugge stammen onder pathetische gewelven van loverkapsels. Sommigen noemen me de bospoeper. Vraag me niet waarom.

Ik ontweek behoedzaam een aantal communes van verlekkerd kijkende brandnetels en kwam toen op een plek waar enkele gestorven bomen lagen te vermolmen. Het duurde niet lang of … tja, jullie weten het of jullie weten het niet, maar er zijn drie dingen die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mannen uitoefenen. Het stoken van vuurtjes komt op de allereerste plaats, gevolgd door het verspreiden van water via allerhande toestellen, zoals sproeilansen, hogedrukreinigers … en wat dies meer zij. Het is niet zonder reden dat ik me in mijn allereerste schoolopstel ─ hoelang is dat wel niet geleden? ─ vergreep aan een memorabele en ietwat dubieuze zin: “De brandweermannen kwamen aangelopen met spuitende slangen.” Ik dwaal echter af, zij het wederom niet met tegenzin. De derde handeling waar mannen een uitgesproken zwak voor hebben is poken en porren …

Het duurde dan ook niet lang of ik voorzag me van een indrukwekkende stok, waarmee ik lustig in het houtafval begon te poken … en binnen de kortste keren paniek veroorzaakte in het hommelnest dat zich onder die pulp bevond. Christene zielen! Er stegen gelijk honderden, indien al niet duizenden van die brompotten op. Ik heb ze niet geteld, want dat is mijn fort niet en bovendien had ik er geen tijd voor, want ijlings vluchten was de boodschap. Ik speerde weg, alsof uitslaande brand me aan de broek lekte.

Ik mag me gelukkig prijzen dat het hommels betrof. Die zijn niet agressief en ze vonden het niet eens nodig om me aan te vallen of zelfs maar te achtervolgen. Als het wespen geweest waren zou ik dit stukje waarschijnlijk niet geschreven hebben, of toch alleszins vandaag niet.

Ouwe lullen

Twee mannen, die eigenlijk al veel te oud waren voor een midlifecrisis, maar zich toch tot elke prijs tegen de ouderdom wilden verzetten, hadden plaatsgenomen in een open sportauto. Met een rotvaart scheurden ze ermee over een smalle asfaltweg, die hoofdzakelijk door fietsers en wandelaars gebruikt werd en waar een maximumsnelheid van vijftig kilometer gold. Allen daar aanwezig, schrijver dezes incluis, dienden ijlings hun heil in de berm te zoeken toen die heren er aangejakkerd kwamen in hun belachelijke proletenbak. Ze raasden me voorbij, schonken geen aandacht aan de wijsvinger die ik verwijtend tegen mijn voorhoofd tikte … en meteen daarna hadden ze prijs. Ze raakten iets, dat vloog de lucht in, beschreef daar een keizerlijke boog en stortte vervolgens neer.

Ik hield halt bij het zieltogende, stuiptrekkende eekhoorntje en heb het toen met een voorzichtige voet de berm ingeschoven, waar het de ogen opensperde en stierf.

Zou je ze niet!

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme